Documenten‎ > ‎Scholen in Asse‎ > ‎

Klooster Walfergem in 14-18


Het klooster te Walfergem in 1914-1918

door
Joris Spanhove msc
(uit tijdschrift Ascania 1993-4)

We schetsen even de voorgeschiedenis van de Apostolische School van Walfergem. Zonder deze gegevens zij heel wat toestanden en gebeurtenissen moeilijk te begrijpen, vooral de betrekkingen met de Nederlandse en Duitse Missionarissen van het H. Hart.

De congregatie van de Missionarissen van het H. Hart (afkorting M.S.C.) werd in 1854 in Frankrijk te Issoudun door P. Jules Chevalier gesticht. Zijn kloostergemeenschap kende een eerder zwakke start en werd bovendien in 1880 uit Frankrijk verdreven. De congregatie telde dan 54 leden. Eén van de uitgeweken paters, de Franse pater Piperon, de rechterarm van de stichter, kwam in Nederland terecht. Hij gelukte er in te Tilburg in 1882 een lakenfabriek om te bouwen tot een KLEIN LIEFDEWERK. Dit was de naam, die hij aan zijn apostolische school gaf. In zijn lakenfabriek aanvaardde pater Piperon Duitse, Nederlandse en Belgische jongens.

Uit dit initiatief groeide in 1894 de NOORDERPROVINCIE van de congregatie. Pater Pipe ron keek verder. Hij liet zijn oog vallen op de wereldhaven van Antwerpen en richtte er in 1886 een tweede KLEIN LIEFDEWERK op in de Terloostraat te Borgerhout met Duitse, Nederlandse, Vlaamse en Waalse jongens, die tussen meerdere Franse kloosterlingen in een Babelse talenverwarring leefden. De oudste Belgische paters volgden in Borgerhout de humaniora. Pater Van Riel, die in 1911 overste werd van het KLEIN LIEFDEWERK van Walfergem, begon er zijn studies in 1889. Hij raakte er bevriend met meerdere Duitse en Nederlandse jongens, die later zijn confraters zouden worden. In 1897 vertrokken de Duitse en Oostenrijkse studenten uit Borgerhout. Men had dan voor Duitsland een eigen M.S.C.-provincie gesticht. Nederland en België vormden dan alleen de NOORDERPROVICIE.

De samenwerking tussen de Duitse en Noorderprovincie bleef intens. Pater Van Riel trad in het noviciaat te Salzburg, studeerde filosofie in Arnhem en theologie in het Duitse Paderborn, waar hij in 1904 tot priester werd gewijd. Hij was dan ook een volmaakt Duitstalige ge worden. Wegens zijn contact met Nederlandse studenten en zijn studies in Arnhem sprak hij met zijn andere Belgische confraters een beschaafd Nederlands.

Het Klein Liefdewerk van Walfergem-Asse

Wegens urbanisatieplannen van de gemeente Borgerhout werd de apostolische school er onteigend. Zo richtte de Noorderprovincie in 1908 in het hart van België een nieuw Klein Liefdewerk op in Walfergem-Asse. Alleen Vlaamse en Waalse jongens vonden er onder dak. Tussen de kloosterlingen die in 1911 de pas benoemde overste Louis Van Riel bijstonden, vinden we 8 Vlaamse paters, 2 Neder landse en een ziekelijke Waalse pater Charles Comblin en 10 Neder landse broeders. Daar de school van Walfergem een onderdeel uit maakte van de Noorderprovincie, waarin de Hollanders de grote meerderheid vormden, daar de leraars alleen Nederlands spraken en de meeste studenten uit het Vlaamse land kwamen, gebruikte men als voertaal in de klassen het Nederlands, een uniek verschijnsel in het België van toen !
Bij de onderhandelingen over de aankoop van de grond voor het klooster in 1907-1908 kwam notaris Ampe in Asse hoofdzakelijk in aanraking met Nederlandse paters als P. Vuysters, Ockhuyzen, oud-provinciaal en P. Broeken, dan de nieuwe provinciaal overste. Ook Emiel Larcher, die de stenen voor het klooster bakte en L. Van Der Beken, die de bouw aannam hadden vooral met Nederlandse paters te doen. Zo kreeg het klooster van Walfergem de naam «De Hollandse Paters». Die naam schoot nog diepere wortel, daar tussen de 21 kloosterlingen 12 Nederlanders waren. Hun beschaafde omgangstaal tussen het «Op zijn Asses» handhaafde die titel een tijd lang.

Bovenstaand gegeven en de gekende Vlaamsgezindheid van de leraars zoals Pater Jan Geyens, de eerste hoofdredakteur van de «Standaard» als mede het feit, dat meerdere Duitse confraters op bezoek kwamen en men hen op straat het zware Duits hoorde spreken, heeft in het begin van de oorlog achterdocht verwekt in een bepaalde kring van Asse.

Vlaamsgezindheid had dan nog een reukje van antibelgicisme. De Vlaamsgezindheid van de leraars lag echter in de lijn van wat men in de Vlaamse Beweging soms de «minimalisten» noemde. Frans Van Cauwelaert was de voorman van die strekking. Hij was het, die bewerkte, dat pater Geyens hoofdredakteur werd van de nieuw gestichte «Standaard». Van activisme, vertegenwoordigd door Dr. Aug. Borms was er geen sprake. 24 M.S.C, vertrokken naar het Belgisch leger, waaronder 5 vrijwilligers, 2 sneuvelden en 8 paters stelden zich ten dienste van de Belgen, die naar Nederland waren ge vlucht.

Draadloze telegraaf

Tussen de leraars telde de school pater Jozef Festraets, een Mechelse Maneblusser uit 1884. Hij studeerde aan het Klein Liefdewerk van Borgerhout, legde zijn kloostergeloften af te Arnhem in 1904, werd tot priester gewijd te Heverlee in 1910. Men benoemde hem dan tot leraar voor Asse. Hij onderwees in de hogere cyclus Frans, wiskunde, fysica. Hij had daartoe beschikking over een «physicalocaal». Daarin vond men enkele primitieve instrumenten. Hij zelf knutselde heel wat ineen voor allerlei proefnemingen. Hij was er in gelukt een bericht te kunnen doorgeven tot op een afstand van een vijftigtal meter. Dat was zijn draadloze telegraaf. Bij het uitbreken van de oorlog heeft een Assenaar de staatsveiligheid verwittigd:
«Vingt Pères Allemands, instituteurs s'occupent de télégraphie sans fil. Venez Chercher».
De «sureté» kwam een onderzoek instellen. Ze zagen de primitieve instrumentjes : een Rhumkorff, een draaischijf om statische electrici-teit op te wekken, het telegraafje zonder draad. Er werd geglimlacht! Ondertussen was er echter rond het klooster een opstootje ontstaan. Men hoorde «ahoe» roepen. De onstuimige patriot, pater Ruys, pakte een paar belhamels hardhandig aan en de rustige Pater Eysermans, dan pastoor van de paterskerk, zette de zondag daarop de puntjes op de i. Ter gelegenheid van zijn priesterjubileum werd voor pater Festraets over die gebeurtenis gerijmeid.

«Maar het ergste van zijn leven;
d'oorlog kwam en Assche ging aan 't beven.
Want Jef zijn radio
heette «spionagio».

Pater Festraets vervoegde dan het leger met drie andere paters van het klooster, een zware aderlating ! In de slag rond Namen werd P. Festraets krijgsgevangen genomen. Hij ontsnapte en kwam te voet van Dinant naar Asse. Daarop werd in bovenvernoemde rijmkroniek gezinspeeld.

Maar Jef wist te ontkomen.
Dinant-Assche zonder schroomen
in één étape, dodelijk op !
Een verstekeling

Dr. Leeman verhaalt in «Ascania», hoe een Duits officier in 1918 op de Node in Asse zijn hart uitstortte bij een boer. Hij was Elzasser. Zijn vader had in de oorlog van 1870 in het Franse leger tegen de Duitsers gevochten. Wegens de aanhechting van de Elzas bij Duits land na die oorlog moest hij nu tegen de Fransen vechten. Hij was dat beu!
Iets dergelijks speelde zich af in het klooster van Walfergem. Pater Honoré Reith als Elzasser in 1884 te Bernardswilder geboren en priester gewijd in 1909 was professor geworden van theologie in Heverlee. Hij werd opgeroepen om dienst te doen in het Duitse leger. Hij had geweigerd en stond als deserteur opgeschreven.

Vanuit Heverlee was hij in het begin van de oorlog naar Asse gevlucht. Pater Van Riel ving hem gastvrij op als een zogezegde Zwitser uit Freiburg. Hij leefde hier onder de blijvende angst ontdekt te zullen worden. Toen hij als surveillant van de studiezaal student Alois Boeye een oorlogs roman van Bazin zag lezen en die hem uitleg vroeg, meende hij, dat de studenten zijn identiteit hadden ontdekt. Hij kende van dan af geen rust meer. De onvervaarde pater Ruys smokkelde hem stilletjes naar Heverlee over. In dit huis was hij veiliger. De overste daar, pater Geerts, een Nederlander, had zijn studiehuis door de Duitse bezetter laten erkennen als een «Niederlandische Niederlassung» Nederland was dan een neutraal land en volgens sommige Belgen «Deutsch-freundlich». Pater Reith overleefde zijn avontuur en stierf in 1964 in Marseille.

Vluchtelingen

Pater Van Riel heeft zijn klooster ook gastvrij opengesteld voor mensen, die het oorlogsgeweld ontvluchten. Toen Dendermonde in september 1914 door bombardement en brand bijna gans verwoest werd, vonden tientallen Dendermondenaars onderdak in het klooster. Op 11 juni 1917 ving de school in een van haar vleugels 18 banne lingen uit het ontruimde Wervik-Menen op. Het is in deze periode, dat de familie Durnez in Asse is blijven hangen. Zijn gastvrij hart toonde pater Van Riel, binnen de muren «pa» genoemd, door de verdienstelijke Franse oud-provinciaal overste van de Noorderprovincie, P. Celestin Ramot, een kamer in het klooster te bezorgen. Deze man was door een beroerte getroffen in het psychia trisch instituut van Grimbergen beland. Pater Van Riel liet er hem weghalen. De studenten kregen dan als opdracht elke dag op diens kamer een stuk uit de «Vies Des Saints» te lezen. De Fransman ver beterde dan wel eens de Vlaamse tongval. Hij bleef in Asse tot aan zijn dood in 1928.

Gastvrijheid of inkwartiering voor het Duitse leger heeft P. Van Riel nooit toegestaan. Er werd wel aangebeld. Hij ontving hen in de spreek kamer. Duitsers hadden dan ontzag voor gezag. Ze sloegen de hand aan de kepi voor die sterkgebouwde imponerende overste. Hij stond hen in krachtig vloeiend Duits te woord. Hij verklaarde hun, dat het klooster deel uitmaakte van de Noorderprovincie en onder het gezag stond van de provinciaal overste van Tilburg. Hij wees er hun op, dat het klooster op naam stond van de Nederlander P. Adriaan Eysermans, pastoor van de paterskerk. Ze sloegen de botten tegen elkaar en vertrokken.

Voedselvoorziening

Oorlog, rantsoenering, karige verwarming en verlichting, dagelijks omtrent 65 monden voeden, dat was een hele karwei om daarin te voorzien. Gelukkig beschikte het klooster over een vindingrijke en onvervaarde econoom in Pater Hendrik Ruys. Deze Antwerpenaar uit 1879 legde zijn kloostergeloften af in Tilburg in 1899 en werd in 1906 tot priester gewijd te Heverlee. Hij was een klasgenoot van pater Van Riel, twee dikke vrienden! Hij was oom van de bekende Standaard redacteur, Manu Ruys. Daar hij enkele jaren leraar was geweest aan de Engelse Apostolische School van Glastonbury, werd hij in Asse leraar van Engels. Het economaat was echter zijn hoofd taak. Hij is het, die de school onder de oorlog leefbaar heeft gehouden. Hij smokkelde aardappelen, vlees, graan binnen. Hij bedacht hierbij sommige Assenaren. Zo kreeg hij zijn eerste titel «Pater Smokkelaar». Met de Torenboer van Kobbegem sloot hij een akkoord om in een bergplaats boven de sacristie van de binnenhuiskapel, meerdere tonnen graan te verstoppen, met natuurlijk intrest voor de school. De Asse naren zagen deze econoom dagelijks met flapperende toog door hun straten koersen met zijn fiets. Dit bezorgde hem zijn tweede titel van «père rapide».

In de buurt van het klooster stond een Duitse wachtpost. Pakken en zakken werden er onderzocht. Wat er in zat aan boter, graan en vlees werd onverbiddelijk aangeslagen. Pater Ruys had een koffer boter voor een Brusselse vriend in de wacht kunnen slepen. Tot driemaal toe stapte hij met een valies op de Duitse wacht toe : «was drein ?». On schuldig opende hij zijn koffer. Hij zat vol papier «für unsere schule». Een vierde keer waagde hij het zijn valies met boter te vullen. Hij meldde zich aan bij de wacht ,maakte zich gereed om zijn koffer te openen. De soldaat vloekte «fortmachen». De boter kwam veilig in Brussel terecht.

In die dagen was het gehucht Walfergem nog niet aangesloten bij een elektriciteitscentrale. Het klooster werd verlicht met carbuur. Zo ontstond bij de studenten het gebruik met een hoofdklep te studeren om de ogen te beschermen tegen dit verblindende licht. Pater Ruys kon in Brussel pakjes carbuur steent j es op de kop tikken. Geburen mochten soms meedelen. Zo kreeg hij zijn derde eretitel «Père Carbure».

Gevangen

Pater Ruys werd tegenover de Duitsers onvoorzichtig, soms zelfs spottend uitdagend. Hij reisde regelmatig naar Antwerpen. Die ver plaatsing deed hij nooit met de «Duitse» trein. Hij nam de boerentram en zo die er niet was stapte hij te voet. De meeste confraters wisten niet, dat hij in Antwerpen sluikblaadjes tegen de Duitsers ging halen. Hij vulde er zijn aktetas met «De Vlaamsche Wachter en La Libre Belgique». Bij een van die tochten werd hij geschaduwd. Toen hij met zijn argeloze confrater Jan Van Den Lemmer naar de tram voor Mechelen stapte, werd hij aangehouden. Zijn aktetas zat vol sluik blaadjes. Op heter daad betrapt werd hij opgesloten in de gevangenis van de Begijnenstraat. Hij verbleef in dit «hotel» tot 11 november 1918. Asse kreeg dan zijn econoom terug.

Opnieuw in Asse heeft hij in het blad «De Tijd» uitgegeven door zijn vriend, Frans Van Achter, zijn belevenissen in het gevang verhaald onder de titel :«In Het Hotel Der Patriotten». Ik heb deze bijdragen ingebonden in een langwerpige kartonnen farde nog in handen gehad en gelezen. Dit kostbaar document werd ooit uitgeleend en kwam niet meer in de bibliotheek terug. We vermelden voor verdere onder zoekers, dat dit feuilleton niet verscheen in de weekbladen «De Asschenaar» of «De Gazet van Assche» lijk sommigen menen. Het blad «De Tijd» heeft maar een tweetal jaren bestaan.
Studentenleven

We geven eerst een reeks statistieken over een aantal leerlingen sedert de oprichting van de school in 1908 tot 1924. Men kan zich zo een juister beeld vormen van het leven binnen het Klein Liefdewerk. In 1908 kwamen 33 studenten uit het afgeschafte Klein Liefdewerk van Borgerhout naar Asse over.

1908-1909
    45 leerlingen, waarvan 12 nieuwe.
1909-1910
    44 leerlingen, waarvan 12 nieuwe.
1910-1911
    45 leerlingen, waarvan 21 nieuwe.
1911-1912
    45 leerlingen, waarvan 23 nieuwe.
1912-1913
    51 leerlingen, waarvan 15 nieuwe.
1913-1914
    65 leerlingen, waarvan 22 nieuwe.

Meerdere studenten keerden na het uitbreken van de oorlog niet terug.

1914-1915
    39 leerlingen, waarvan 3 nieuwe.
1915-1916
    43 leerlingen, waarvan 4 nieuwe.
1916-1917
    41 leerlingen, waarvan 8 nieuwe.
1917-1918
    10 leerlingen, waarvan l nieuwe.

In het schooljaar 1917-1918 werd de school gesloten. Alleen de hoogste klas, de Retorica, mocht terugkeren. Zo was de aanvoer voor het noviciaat verzekerd. Jan De Klerck uit Groot-Bijgaarden, rad van tong, was er in gelukt over de Poësis heen in de Retorica te geraken. Na de oorlog opende de school terug haar poorten. Meer­dere studenten kwamen terug. De meest bekende hiervan in Asse is Jozef De Donder uit Opwijk-Nijverseel. Het leerlingenaantal steeg dan geleidelijk.

1918-1919
    10 leerlingen, waarvan 5 nieuwe.
1919-1920
    31 leerlingen, waarvan 20 nieuwe.
1920-1921
    53 leerlingen, waarvan 29 nieuwe.
1921-1922
    75 leerlingen, waarvan 29 nieuwe.
1922-1923
    80 leerlingen, waarvan 25 nieuwe.
1923-1924
    89 leerlingen, waarvan 25 nieuwe.
1924-1925
    111 leerlingen, waarvan 42 nieuwe, waaronder de auteur.

De studies onder de oorlogsjaren waren onregelmatig. Meerdere keren begonnen de trimesters op verschoven data, vakanties werden ver vroegd of verlengd. Dikwijls was gebrek aan verwarming daarvan de oorzaak. Het lerarenkorps werd gedund. Twee paters vertrokken naar het leger en twee andere stelden zich ten dienste als aalmoeze niers van de Belgische vluchtelingen in Nederland. Gerard Walschap. sedert 1913 leerling aan de Apostolische School zinspeelt daarop op een feestzitting van 30 juni 1917. Hij sprak dan de studenten van de quarta of vierde Latijnse aan: «Na de oorlog zult gij terugkomen en Poësis en Retorica vormen van een Klein Liefdewerk, dat groot zal groeien met professoren, die ons passen». Deze uitspraak heeft sommige leraars geschokt. We menen echter, dat Walschap hierbij vooral gedacht heeft aan de zeer goede leraars als pater Jans, die zich aan het IJzerfront bevonden.

De overheid trachtte de onbehaaglijke oorlogssituatie te verzachten. Men zorgde voor toneelspel, koorzang, die de gemoederen opluchtten. Vooral de academische zittingen, geleid door de hoogste klas, brach ten een bevrijdende atmosfeer tussen de studenten. Alleen in het schooljaar 1916-1917 werden drie academische zittingen gehouden. De studenten van de vijf laagste klassen stelden in hun vrije tijd allerlei werkjes samen zoals opstellen, vertalingen, wiskundige be werkingen. Ze dienden die in bij de Retorica. Deze kreeg omtrent 10 dagen tijd om die bijdragen te verbeteren en te beoordelen. Ze bekroonde de goede bijdragen, vermeldde loffelijk wat minder vol deed en verwees de nietswaardige papieren naar de prullenmand.

In een plechtige academische zitting geleid door de Retorica werd in het bijzijn van de leraars verslag uitgebracht over de ingeleverde werk stukken. Bij die gelegenheid gaf een Retoricaan een lezing over een letterkundig onderwerp. Op 22 september 1916 sprak Willem Huygh uit Asse over Cyriel Verschaeve, op 12 maart 1917 behandelde Gerard Walschap de verzenbundels van Emile Verhaeren en op 30 juni sprak Frans Delicaet over Helene Swarth. Die eigen werkzaamheid heeft de ontwikkeling van vele jongens sterk bevorderd. De droeve dood van Emile Verhaeren in 1916 te Rijsel door een trein verrast, bracht bij Walschap oorlogsstemming naar boven. Hij verkondigde dan: «Waarheid staat boven geweld. Geweld is machte loos tegenover waarheid». Hij paste dit toe op de Duitse bezetting.

Ziekte

Gebrek aan verwarming en ook wel onvoldoende voeding bracht heel wat ziekte in de school. Meerdere studenten werden dagenlang in de greep van een aanslepende griep gehouden. Broeder ziekenoppasser heeft dan heel wat potten en pannen naar de hoger gelegen slaapzaal gedragen. Een student, Theofiel Guns uit Berendrecht (1898) stierf op 11 april 1917. Deze Berendrechtenaar was een klasgenoot van Gerard Walschap. Deze kreeg dan de opdracht om het doodsprentje op te stellen. Hij deed dit met volgend gedicht:

Gij, die in het keurkorps van ons Klein Liefdewerk
de wegen gingt van d'ideale hallen
des priesterschap, O Vriend ! die rein en sterk
stond onder ons, hoe vroeg zijt gij gevallen !
Gij slachttet 't godlijk Lam nog niet
noch uwe handen zalfde d' hoogste wijding,
maar Theophiel we weten 't en dat liet
ons troost, toen van u kwam de droeve tijding.
Dat gij nu eer dan wij en beter zijt
in en bij God, engel in de hemel!
Och blijf nu voor uw Liefdewerk, dat lijdt
voor ons, die bleven in dit aardsch gewemel.
En bid voor uw moeder, droef en zoet
in 't eenzaam huis, voor vader, zusters, broeders.
O Ouders, zusters, broers, uw Theophiel
is engel voor de troon des Albehoeders.

Een ander slachtoffer van de oorlogsomstandigheden was Emiel Van Mulders uit Opwijk. Deze zachtaardige student verliet ziek de Retorica wegens een borstkwaal. Hij bezocht van uit Opwijk nog klasgenoten zoals Gerard Walschap in Londerzeel. Vader Walschap schudde het hoofd, toen hij die bleke jongen zag en zei : «Die grote bleke jongen zal niet oud worden». Emiel werd daar echter verliefd op Martha, de oudste zuster van Walschap. Hij huwde met haar. De profetie van vader Walschap ging echter in vervulling. Enkele jaren later stierf Emiel van zijn longkwaal. Martha bleef voor de rest van haar leven weduwe.

Sluiting

Naar het einde van het schooljaar 1916-1917 werd de toestand in de school onhoudbaar. Men had een ongewoon strenge winter meege maakt. Bovendien liet het centraal huis van Borgerhout weten, dat men aan Asse niet meer de nodige financiële steun kon verlenen. Het nieuws van de sluiting hing dan reeds een tijd in de lucht. Met de dood in het hart kondigde pater Van Riel officieel aan op 21 juli 1917, dat de school gesloten werd. Hij had echter kunnen verkrijgen dat de Retorica haar studies mocht voleinden.

Het bericht van de sluiting van de school kwam niet onverwacht. Reeds op de academische zitting van maart 1917 zinspeelt Gerard Walschap daarop. Hij besprak de werkjes van de studenten van de Quarta of vierde Latijnse en besloot die bespreking met de zinnen: «Ons Klein Liefdewerk is gezonken gelijk ons vaderland. Het zal echter verrijzen met ons vaderland. Gij, jongens van de Quarta zult dit zien, zult er bij zijn, gij zult aan zijn verrijzenis helpen». Het verslag vermeldt niet, dat pater Van Riel hierbij in de handen klapte. Het was wel een profetische uitspraak want in het schooljaar 1919-1920 zaten weerom 31 studenten op de schoolbanken.

Scheiding

Een gevolg van de oorlog was de afscheiding van de Belgische M.S.C, van de Noorderprovincie. Vooral onder drijving van de frontsoldaten en de paters aalmoezeniers in de Belgische vluchtelingenkampen in Nederland, die de Nederlandse neutraliteit en een zekere «Deutsch-freundlichkeit» moeilijk hadden verteerd, werd de Belgische M.S.C, sektie in 1919 reeds quasiprovincie onder leiding van Hendrik Van Den Lemmer.

In 1921 werd ze een gans zelfstandige provincie. Deze telde dan 4 kloosters: het moederhuis van Borgerhout, het studiehuis van Heverlee, de Apostolische School van Asse en de werkkring in Wallonië van Houding-Manage, waar de paters zich inzetten in het «Werk van de Vlamingen», die naar Wallonië waren uitgeweken. Pater Van Riel vertrok in 1919 naar die werkkring en Pater Nicolas Bovy, een Waal uit Verviers maar perfect Vlaamstalig volgde hem op in Asse.

Joris Spanhove msc.
Comments