Documenten‎ > ‎Scholen in Asse‎ > ‎

Het staatsdomein Vijverbeek


Het staatsdomein Vijverbeek

door Jaak Ockeley
(uit Ascania-tijdschrift 1972-3)


WOORD VOORAF
 
Het Koninklijk Atheneum te Asse bestaat dit jaar 25 jaar. Inderdaad in september 1947 opende het rijk een "staatsschool" in het kasteel Vijverbeek, gelegen te Asse in de Nieuwstraat.
 
Het rijksonderwijs kende in die vijfentwintig jaar een geweldige opgang. In 1947 werden er 320 kinderen ingeschreven; in 1972 volgden meer dan 1370 leerlingen het onderwijs in het Koninklijk Atheneum, waarvan nagenoeg de helft uit Asse zelf komt, de overige uit de gemeenten er rond. Het Koninklijk Atheneum te Asse omvat: een kleuterschool, een voorbereidende afdeling, buitengewoon lager onderwijs, een volledige oude en nieuwe humaniora, technische- en beroepsafdelingen allen toegankelijk voor jongens en meisjes, een internaat voor jongens van 6 tot 18 jaar, een wijkschool te Asbeek en een avondschool voor volwassenen.
 
Dit 25-jarig jubileum van het rijksonderwijs mocht niet onopgemerkt voorbijgaan. De redactie van Ascania heeft dan ook graag toegestaan dat een bijzonder nummer aan deze feestelijke gebeurtenis zou gewijd worden.
 
INLEIDING
 
Het kasteel Vijverbeek in zijn huidige toestand. 
Het werd omstreeks 1884-85 gebouwd.
Het uiterlijke van het kasteel bleef sindsdien ongewijzigd.
 
In september 1947 - nu vijfentwintig jaar geleden - stichtte de toenmalige minister voor Openbaar Onderwijs, Camille Huysmans, te Asse, een rijksmiddelbare school voor jongens en meisjes. Deze nieuwe onderwijsinrichting - in de volksmond de "Staatsschool" geheten - opende haar deuren in een sedert 2 september 1947, aangekocht landgoed gelegen in de Nieuwstraat, geheten "Vijverbeek", maar toen beter gekend onder de naam "'t goed van de juffrouwen de Coster". Aanvankelijk had dit staatsdomein maar een oppervlakte van 2 ha 92 a en 50 ca. Ten einde het gebouwencomplex te kunnen uitbreiden werd nog in 1959 l ha 81 a en 12 ca, in 1960 29a 73ca en in 1962 8 a 70 ca bijgekocht.
 
Bij een aandachtig onderzoek van de kadaster kaart stellen wij vast dat het staatsdomein Vijverbeek uit 7 percelen bestaat: nrs. 49, 68n, 68f, 44c, 44d, 45a en 49z, allen gelegen in sectie F of de 6de sectie d.w.z. Asse-Centrum. Uitgezonderd nr. 44d is dit domein gans de eigendom geweest - ruim 40 jaar zullen we zien - van de familie de Coster, die trouwens aan de basis ligt van de vorming ervan.
Al deze goederen liggen in wat zowel de oude gemeentekaart van 1696, het gasthuisgoederenboek van 1713 de kadasterkaart van der Maelen van 1832 en het kadasterplan van Popp van ca 1860 onveranderlijk de Vijverbeek heten.
 
 
TOPONIEM

Een Keltische nederzetting te Asse bevindt zich 
in de vallei tussen de Vijver- en de Broekebeek
(zie de beekjes bij  "Centrum")
 
De naam Vijverbeek is oud. Reeds in het Cartularium van de abdij Affligem, anno 1437, spreekt men van: "sesqui bonarium in locus 'de viverbeke'". De abdij bezat toen reeds anderhalf bunder land of zowat 6 dagwanden land in dit gebied. Dr. Jan Lindemans in zijn Toponymie van Asse, verklaart de plaatsnaam Vijverbeek als: landerij die haar naam ontleent aan de beek aldaar die de waters opvangt van een verdwenen vijver, waarschijnlijk de "rampelberghe vijver" vermeld in 1592. De Vijverbeek ontspringt even achter de gebouwen van Havimo en Shoe-post - wat men in 't Centrum 't goed van van Acker noemt - en vormde er de nu verdwenen Rampelberg-vijver - nog zichtbaar op de kaart van Ferraris van ca 1770 - om zich dan verder in de nog lager gelegen Broekebeek te werpen. Wanneer wij nu weten dat de gemeentenaam Asse "bij de bron" betekent, dan weten we meteen ook, dat de gronden tussen en onmiddellijk nabij de Vijver- en Broekebeek het oudst bewoonde gebied van Asse zijn. Dit bronnengebied heeft later zijn naam op gans de gemeente overgedragen. Het is dan ook niet zo vermetel als we durven beweren, dat waar nu de rijksscholen van Asse zich bevinden er misschien wel Kelten en Oud-Belgen hebben gewoond.

Dat het op de Vijverbeek om reeds vroeg in cultuurgebrachte landbouwgronden gaat bewijst niet alleen de Affligemse oorkonde van 1437 waar men spreekt van "sesqui bonarium terre" - geen heide of bosgronden -- maar ook het bestaande kaartenmateriaal waar de Vijverbeek blank is gelaten - om aan te duiden dat het landbouwgrond is - dit in tegenstelling met de weiden en de bossen die groen werden gekleurd.

DE MARKIESGOEDEREN

Oorspronkelijk hoorde dit ganse domein aan vier eigenaars: de markies van Asse, een privaat persoon, de kapelanij van Onze Lieve Vrouw binnen Asse en de Armen van Asse.

Van de zeven percelen die het huidige staatsdomein in de Nieuwstraat vormen is perceel 49u en v wel het belangrijkste. Hierop bevindt zich het kasteel Vijverbeek waarin het internaat van het Koninklijk Atheneum is in ondergebracht.

Voor zover wij het konden nagaan heeft bedoeld perceel in het "Oud Regime" steeds tot het "fidei-commis" of het onverdeeldbaar grondbezit van de heren van Asse behoord. Op de Vijverbeek bezaten deze zowat 5 bunder 3 dagwanden en 76 roeden land of in moderne landmaten omgerekend een kleine 8 hectare. Sedert wanneer de markies van Asse eigenaar was van deze gronden zal wel niet meer te achterhalen zijn. De oorsprong ervan kan tweevoudig zijn. Ofwel hoorden deze gronden toe aan de hertog van Brabant als heer van Asse, ofwel waren zij van in de vroege middeleeuwen verbonden aan de heerlijkheid tot Asse, het voornaamste achterleen van de hertogelijke heerlijkheid. In het laatste geval was Vijverbeek dus minstens sinds de 11de eeuw in handen van de "de Asca", later van de Grimbergen en definitief sinds 1551 aan de familie de Cotereau.

Behoorde de Vijverbeekse grond bij de heerlijkheid van Asse dan bleef hij tot in het begin van de 16de eeuw rechtstreeks hertogelijk bezit. De hertogelijke heerlijkheid van Asse werd voor een eerste maal verpand, in juni 1605, aan Willem IV Michiels, abt van Affligem. Daarna, op 25 augustus 1509, kwam dit pand in handen van Hendrik van Nassau († 1538), dan, op 25 januari 1539, in die van zijn zoon René van Cha-lons († St.-Dizier 1544). Op 23 januari 1545 deed Willem de Zwijger, neef van voorgaande, verhef bij Keizer Karel voor zijn Belgische goederen. Op 27 februari 1551 lostte Keizer Karel het pand in terwijl zijn zoon Filips II de heerlijkheid van Asse opnieuw verpandde, ditmaal aan Jan IV de Cotereau. De familie de Cotereau behield het pand tot 4 november 1611 toen de aartshertogen Albrecht en Isbella het weer inlosten, doch niet voor lang want op 31 juli 1626 werd Maria de Cotereau, weduwe van Willem I de Cotereau, heer tot Asse, er in bezit van gesteld. Filips IV van Spanje verkocht de baronie definitief op 25 februari 1649 aan haar zoon Willem II de Cotereau die bij brief van 22 augustus 1663 tot markies van Asse werd verheven. Vijverbeek kan dus ook langs deze weg aan de heren-familie van Asse gekomen zijn.

Eigenaardig is wel dat in het belastingscahier van 1672 - het oudste, tot hiertoe gevonden terriër of eigendomslegger van Asse - markies Willem II de Cotereau maar ingeschreven staat op de Vijverbeek voor 241 + 285 = 526 roeden of zowat 1,75 hectare. We lezen er: Jan Arijs houdt in huere van den selve heere Marquis 241 roeden landts op de vijverbeke voor 43 rinsguldens sjaers. - item dierick de vleminck 285 roeden landts op deselve vijverbeke.

Na Willem II vererfden, op 30 september 1690, zijn uitgebreide goederen te Asse (toen nog meer dan 500 hectare) op zijn oudste zoon Hendrik Frans de Cotereau. Toen deze kinderloos in 1710 stierf kwamen zij bij verhef van 23 september 1710 aan de daaropvolgende zoon Willem III, die evenwel 15 december 1711 zonder mannelijke telgen achter te laten uit zijn huwelijk met J.C. de Nesselrode, het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde, zodat hun jongste broer Jan, bij verhef van 15 oktober 1712, bezitter werd van het domein.

Volgens het oudste kaartboek van de Gasthuis-, Kerk- en Armengoederen, opgemeten in 1713 door Joos de Deken, bezat markies Jan VI de Cotereau op de Vijverbeek 6 percelen land te weten: nr. 429 groot 108 roeden, nr. 430, groot 273 r., nr. 446, groot 350 r., nr. 446a, groot 532 r., nr. 446b, groot 322 r., nr. 446c, groot 791 r. en 446d, groot 350 r. In totaal dus 5 bunder 3 dagwanden en 76 roeden. Markies Jan VI de Cotereau stierf te Brussel 23 augustus 1725. Uit zijn huwelijk met Joanna Theresia van Leefdael behield hij slechts een enige dochter Catharina Louisa de Cotereau. Het erfenisrecht wou nu dat de domeinen terugkeerden naar de dochter van Willem III, een oudere broer van Jan VI. Deze Maria Anna Antonia de Cotereau speelde een onbelangrijke rol in de geschiedenis van Asse. Reeds 4 juli 1729 werd zij opgevolgd door haar nicht Catharina Louisa, dochter van Jan VI.

Catherina Louisa de Cotereau is één der belangrijkste markiezinnen van Asse. Zij lijkt ons sterk op haar rechten gestaan te hebben, getuige de menigvuldige processen die zij inspande om deze te behouden of terug te bekomen. Zij huwde Filips Frans Jozef Taye, markies van Wemmel, uit welk huwelijk slechts een enige dochter stamde. Deze Maria Josepha Taye huwde in 1765 met Jan Antoon Maria Jozef, graaf van der Noot, heer van Haren bij Brussel. Het lijkt ons echter dat deze van der Noot nooit markies van Asse is geweest. Hun zoon Maximiliaan Louis, graaf van der Noot, erfde, bij de deling der vaderlijke goederen op 16 mei 1793 bij akte gepasseerd voor notaris Pierre Neuwens te Brussel residerende, goederen te Aarschot, Diegem, Heembeek en Haren. Toen leefde de grootmoeder Catharina Louisa de Cotereau nog. In haar eigenhandig geschreven testament, dd, 23 januari 1794 en dezelfde dag overgemaakt aan notaris Neuze te Nijvel, bepaalde zij dat haar goederen te Asse, Mollem en Brussegem aan haar kleinzoon Maximiliaan Louis van der Noot toekwamen.

Bij de gelijkschakeling der standen op 't einde van de 18de eeuw werden alle leengoederen eigendom van hun houders. Zo bleven de van der Noot's ook eigenaar van hun goederen op de Vijverbeek. Maximiliaan Louis, graaf van der Noot, was dan ook de eerste markies van Asse, zonder dat zijn titel - voortaan erfelijk bij recht van eerstegeboorte - nog feodale voorrechten inhield. Hij huwde twee maal. Uit zijn huwelijk met Albertine Josephine Claire (de) Roose had hij slechts een enige dochter: Marie Josèphe Charlotte Albertine, gravin van der Noot die met Gustave, Ferdinand, Guillaume, graaf de Lannoy trouwde. Uit zijn twee huwelijk met Adelaide Marie Agnes Josephine Ferdinande Nepomucéne Felix, gravin d'Yve (de Bavay) stamden 5 kinderen: 2 zonen en 3 dochters.
 
Toen de vader in zijn kasteel te Haren stierf op 18 maart 1847 gingen deze zes kinderen samen met hun moeder aan het kavelen. Het was de oudste zoon Théodore Charles Antoine, graaf van der Noot, markies van Asse, die de goederen op Vijverbeek erfde. In zijn kavelbrief, dd. 4 september 1848, berustende onder de minuten van notaris Charles Guillaume Mataigne te Brussel noteren we de volgende percelen allen gelegen in sectie F, ter plaatse geheten Vijverbeek: nr. 68, groot 1 ha 25 a (landbouwgrond), nrs. 48a, 49a en 50a. groot 6 ha 9 a 90 ca (eveneens landbouwgrond); in totaal dus 7 ha 34 a en 90 ca.

Weinige tijd nadien zien we dat deze markies al zijn bezittingen te Asse van de hand doet. Heeft hij zijn geld in de opkomende industrie willen investeren of was er een onregelmatigheid in het familieleven?
 
OPENBARE VERKOOP

De verkoop werd geleid door Petrus Josephus Hamerijckx, een Brusselaar en notaris te Asse, in de herberg "Au Lion d'Or" gehouden door Sieur Pregaldino op 8 november 1855. De Vijverbeekse goederen werden ingedeeld in 24 loten. Hieronder volgt een overzicht met hun respectievelijke oppervlakte en kopers:

   lot   1         13 a 82 ca         Jan Louis Raes, dokter te Asse
   lot   2         1 1 a 93 ca        Louis Pregaldino, deurwaarder te Asse
   lot   3         13 a 24 ca         dezelfde
   lot   4         17 a 53 ca         dezelfde
   lot   5         19 a 70 ca         Jan Baptist Ebrard, beenhouwer te Asse
   lot   6         21 a 64 ca         dezelfde
   lot   7         23 a 49 ca         Raes voorschreven
   lot   8         25 a 34 ca         Jan Frans Verbeiren, herbergier te Asse
   lot   9         23 a 04 ca         Henri Fieremans, boer te Asse
   lot 10         24 a 34 ca         dezelfde
   lot 11         33 a 83 ca         Jan Frans de Deken, landmeter te Asse
   lot 12         31 a 45 ca         dezelfde
   lot 13         37 a 25 ca         dezelfde
   lot 14         42 a 45 ca         dezelfde
   lot 15         42 a 35 ca         Raes voorschreven
   lot 16         29 a 72 ca         Peter Fr. de Smedt, olieslager te Asse
   lot 17         26 a 92 ca         dezelfde
   lot 18         26 a 50 ca         dezelfde
   lot 19         28 a 53 ca         Jan Jozef Philippe Prins, kandidaat notaris Brussel
   lot 20         45 a 40 ca         Petrus Egidius de Doncker, broodbakker te Asse
   lot 21         47 a 05 ca         Petrus Jozef Meert, boer te Asse
   lot 22         34 a 32 ca         Jozef Angelus August Crick, notaris te Asse
   lot 23         32 a 62 ca         Jozef de Deken
   lot 24         55 a 34 ca         Guillelmus Petrus van Damme, pachter te Asse

Het staatsdomein Vijverbeek te Asse. 
Kaart l geeft een overzicht van de gronden
op Vijverbeek volgens het gemeentelijk kaartboek
 van 1696. Kaart 2 geeft een overzicht van de 
verschillende percelen zoals zij door de De Coster's verworven zijn. We bemerken de 24 percelen van de 
verkoop van de markies in 1855. Kaart 3 geeft de 
toestand van het domein in 1970 met een 
gezamenlijke oppervlakte van 5 ha 12 a en 45 ca.

Het zijn vooral de kopen 6, 7, 8 en 9 met een gezamelijke oppervlakte van 93 a 51 ca die ons interesseren. Hieronder volgt bij wijze van voorbeeld de beschrijving van lot 6: "lot 6 - groot 21 a 64 ca - gelegen sectie F, gedeelig van Number achtenveertig, negenenveertig en vijftig paelende ter eenre den Kasseyde van Enghien naer Assche, ter tweeden den volgenden zevensten koop en ter derden de heer Josephus Carolus van Mulders en ter vierdere de vijfden koop".

Nog dezelfde dag zien we dat de kopers van de loten 6, 7, 8 en 9 hun goed overdragen in handen van Petrus Engelbertus Goossens, grondeigenaar en brouwer en diens echtgenote Josephina Clara Stroobants.

Deze brouwer woonde in de herberg-afspanning "de Valck" op de hoek van de Mollestraat en het Gemeenteplein, nu beter gekend als "café de Zeeberg". De kinderen, uit dit huwelijk geboren, waren: 1. Paulina Elisabeth Goossens, gehuwd met Philippus Vital van Hamme, pachter te Bertem bij Leuven, 2. Maria Josepha Paulina Goossens, gehuwd met geneesheer Jan Baptist Emilius Verbrugghen, burgemeester te Ternat, 3. Felix Petrus Joannes Goossens, "pachter Felix", brouwer te Asse, 4. Ludovicus Franciscus Goossens, ook brouwer te Asse, en 5. Emilius Petrus Goossens, eveneens brouwer te Asse.

Het zijn deze kinderen die samen met hun moeder op 11 november 1883 voor notaris Alfons Delwart te Asse, voor de som van 9.000 goudfrank hun goed te Asse "Vijverbeeck met de keldering er in gedeelig gemetst" aan de weduwe Octave Hercules Thibaut, geboren Elisabeth Jeanne Josephine van Overloop, wonende te Brussel, Rodenbachstraat, 3, verkochten.

Korte tijd nadien huwde de weduwe Thibaut-van Overloop met Emile Pierre Goossens, één van de medeverkopers van Vijverbeek. We hebben ons een ogenblik afgevraagd of het hier om geen loutere formaliteit ging, waarbij de toekomstige echtgenote haar schoonbroers uitbetaalde ten einde Vijverbeek voor haar en haar toekomstige man geheel alleen te kunnen behouden, zodat de schoonbroers geen rechten meer zouden kunnen laten gelden.

Uit de beschrijving van het goed "met de keldering er in gedeelig gemetst" blijkt dat men toen de bouw van het kasteel reeds had aangevat. Uit de opmetingsplannen van het kadaster te Asse blijkt dat het kasteel in 1885 voltooid was. Desiré de Grave beschreef het kasteel in 1900 als volgt: "Ongeveer eenen halven kilometer van daar (bedoeld wordt het kasteel in de Putberg), komt men aan een tweede prachtig kasteel, gelegen omtrent het hoogste punt van Assche. Het hoort toe en is bewoond door den heer Emiel Goossens-van Overloop die van zijn kasteel een prachtig uitzicht heeft over Ter-Heide. Esschene, Hekelghem, Ninove en Brussel ".

Wie architect was van het kasteel konden we niet achterhalen. Was het Aimé van den Eynde, een Assenaar († 1896), die ook het herenhuis tegenover de Belvédère heeft ontworpen, was het bouwmeester Speller-van Rossem aan wie het kasteel "van Madame Goossens" - schuins tegenover Vijverbeek - wordt toegeschreven of was het de provinciale bouwmeester Louis Spaak, overgrootvader van wijlen minister Paul Henri Spaak ?

Reeds lag het in de bedoeling van de echtlieden Goossens' van Overloop hun goed te vergroten. Op 24 november 1892 kochten zij, voor notaris Albert Richir te Asse op de openbare veiling der goederen van Carolus de Deken, pastoor te Itterbeek - Jan Garolus Stallaert, schoenhandelaar te Asse was volmachthouder voor de pastoor - onder de kopen 46 tot 52 een perceel grond groot 2 ha 52 a 80 ca. Hiervan zijn nu l ha 68 a in het staatsdomein geïncorporeerd. Pastoor de Deken bezat deze grond als universele erfgenaam van zijn nicht Maria Josephina van Mulders, overleden te Asse 3 juni 1892. door haar aldus aangeduid in haar eigenhandig geschreven testament dd. 16 mei 1892, neergelegd onder de minuten van notaris Richir op 10 juni 1892.

Juffrouw van Mulders had deze goederen verkregen als enig overlevend kind van haar ouders Jozef Karel van Mulders († Asse 23 december 1866) en van Geertrui Fieremans († Asse 13 augustus 1874), die deze goederen zelf hadden gekocht, deels (onder kopen 14 en 15) op de veiling der goederen van Markies Theodoor van der Noot te Asse op 8 november 1855 voor notaris Petrus Jozef Hamerijckx en het deel - nu behorende bij het staatsdomein - door erfenis bij akte voor notaris Jean Hubert Boumans te Asse op 20 maart 1824, tussen de vier kinderen van wijlen Petrus Ludovicus van Mulders en Anna Maria van Mulders. In deze kavelingsakte lezen we dat het gaat over een stuk grond op de Vijverbeke groot l bunder 65 roeden 82 ellen en 54 palmen. Deze partij was belast met een korenrente van "een halve mudde en twee schepsels en een maatje en negen thiende van een maatje 's jaers in profijte van den armen van Assche". De ouders van Mulders hadden deze goederen verkregen in vier "diverente partijen".

Een eerste aankoop geschiedde op 28 prairial jaar IV (=16 juni 1796) voor notaris Jan Dominiek Gheude {18), te Brussel residerende, tegen Jan Amerijckx en consoorten te weten 39 roeden 28 ellen en 94 palmen en 30 roeden 80 ellen en 88 palmen. Op 26 thermidor jaar IX (= 14 augustus 1801) kocht men 35 roeden 83 ellen en 82 palmen tegen Cornelia Kieckens, weduwe van Judocus Beeckman bij akte gepasseerd voor notaris Egidius Guillielmus Crick. Ten slotte werden nog, op 19 februari 1811, 59 roeden 28 ellen en 90 palmen aangekocht van Anne Marie Hermans en consoorten voor notaris David Joseph van Dam te Zellik. Alleen voor de grond verkocht door de weduwe Beeckman konden we een verdere oorsprong vinden. Joos Beeckman en Cornelia Kieckens kochten, de man voor de helft en de echtelieden voor de andere helft, bij goedenisbrief gepasseerd voor de schepenen van Asse op 5 februari 1773, op de Vijverbeek deze 114 roeden land van Hendrik van Mulders, zoon van Peter, de pachter op het Hof ter Heiden in den Bos te Walfergem.

Of het huwelijk Goossens-van Overloop gelukkig was weten we niet. We hebben ons laten vertellen dat de man zich "te kort gedaan heeft". Voor de tweede maal weduwe geworden, verlangde Elisabeth van Overloop zo spoedig mogelijk uit Asse te verhuizen samen met haar twee kinderen, Eugeen Pierre Joseph Goossens, geb. te Asse 9 maart 1885 en Marie Pauline Josephine Constance Angèle Goossens, geb. Asse 10 maart 1887. Weldra vonden zij een geborgener woonst te Middelkerke aan zee.

Aldus werd "le chateau de Rampelbergh, située a Assche au lieu dit Vijverbos (sic) avec écurie, remises et autres batiments, jardin d'agréments et tous accessoires" omvattende in de sectie F de nrs. 49t, 49u en 49v met een gezamenlijke oppervlakte van 2 ha 63 a en 22 ca aan Theophiel Charles André burggraaf de Lantsheere, minister van staat, gewezen minister van justitie en voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en zijn echtgenote Marie Leonie Philomène Louise Marie Beeckman de Crayloo.

DE FAMILIE DE COSTER

Dezelfde dag nog ruilden de de Lantheere's het kasteel Vijverbeek voor het kasteel van burgemeester Leo de Coster in de Putberg te Asse. Het was vooral deze laatste die hierop had aangedrongen. Diep christelijk verlangde hij dat zijn huisgenoten zo dicht mogelijk bij de dekanale St.-Martinuskerk zouden wonen ten einde het misoffer zo veelvuldig mogelijk te kunnen bijwonen. Daar hij sinds 1896 ook burgemeester van Asse was, in opvolging van Frans Xaveer Alexander, ridder de Viron, en aldus dikwijls op 't gemeentehuis moest zijn was het voor hem een reden te meer om zich in 't centrum te komen vestigen.

Aldus werd op 27 oktober 1904 voor notaris Cyriel Ampe te Asse het kasteel Putberg voor 't kasteel Vijverbeek geruild en werden volksvertegenwoordiger Leo Eugène Isidore de Coster samen met zijn echtgenote Maria Anna Josephina Ghislaine Vercruysse alsmede zijn broer Eugeen de Coster en zijn zusters Leocadie Maria Josepha de Coster en Celina Maria Eulalia Joanna de Coster eigenaars van het kasteel Vijverbeek en de onmiddellijk eromliggende grond. Op 4 oktober 1907 stond de zoon Eugeen Goossens en op 7 april 1908 de dochter Marie Goossens respektievelijk alsdan meerderjarig geworden hun achtste paart in de eigendom af aan de de Coster's.

Er werd naar gestreefd de eigendom zo vlug mogelijk te vergroten. Op 9 november 1904 kocht Leo de Coster, bij akte gepasseerd voor notaris Cyriel Ampe, een perceel groot volgens meting 66 are 41 ca en volgens kadaster 66 a 80 ca, van Petrus Egidius de Doncker, bakker, weduwnaar in tweede huwelijk van Joanna Francisca Schaumans (ouders van wijlen burgemeester en geneesheer Jozef de Doncker "Jefken Doenkers"). Petrus Egidius de Doncker had dit goed verkregen onder kopen 4 en 5 bij openbare verkoop ten verzoeke van de erven van Franciscus Stephanus Coppens, echtgenoot de Smedt.

De verkoopakte werd verleden voor de notarissen Victor Crick en Cyriel Ampe te Asse op 28 mei 1900. Frans Coppens was eigenaar van bedoeld perceel geworden bij openbare veiling op 14 november 1893 door notaris Victor Crick ten verzoeke van de erven van wijlen Frans Eugeen van de Putte, huidevetter te Asse († 8 maart 1886) en diens echtgenote Eulalie Josepha Philippina de Bolster († Asse 10 juli 1893). De familie van de Putte-de Bolster heeft dit perceel gekocht op de veiling der goederen van markies Theodoor van der Noot op 8 november 1855 voor notaris P.J. Hamerijckx. Tot dan had het steeds deel uitgemaakt van de heren-goederen van Asse.

Op 29 november 1905 kocht burgemeester de Coster voor notaris Cyriel Ampe: 48 a 45 ca (kopen l, 2, 3, 4 en 9) van Charles van Belle, die handelde in naam van Virginie Verbeeren, weduwe in eerste huwelijk van Petrus Ludovicus Vleminckx en in tweede (zonder kinderen) van Frans Michiels. De kopen 5, 6, 7 en 8, groot 28 a 19 ca kwamen aan Frans Tirry. Virginie Verbeeren had deze grond verkregen van haar ouders Jan Frans Verbeeren en Isabella de Smedt bij kaveling voor notaris Victor Crick op l augustus 1872. Het lijkt ons dat deze het hebben verkregen van hun vader Petrus Frans de Smedt, olieslager te Asse, die het zelf, na omwisseling met Henri Fieremans, verkreeg in de openbare veiling van de gronden van markies Theodoor van der Noot. Ook dit stuk heeft tot dan steeds deel uitgemaakt van diens patrimoniale goed. De grond die uit deze aankoop in het staatsdomein werd geïncorporeerd bedraagt ongeveer 24 a en 48 ca.

Nog hetzelfde jaar had men geprofiteerd van een aanbieding van het Bureel van Weldadigheid van Asse, die op 27 maart 1905 voor notaris Cyriel Ampe een perceel grond aanbood groot volgens meting 87 a en 45 ca en volgens het kadaster 86 are 20 ca. Het perceel gesplitst in drie loten werd in massa gekocht door "Mijnheer Leo de Coster, lid der Kamer van Volksvertegenwoordigers en burgemeester van Assche". Dit goed moet van ouds de armendis hebben toebehoord. In het bewijs van eigendom lezen we dat de C.O.O. er ongestoord sedert meer dan dertig jaar in het bezit van was. In een kaartboek van 1713 wordt dit perceel landbouwgrond, groot 260 roeden aangetekend met de letters A.V.A. = Arme van Asse. Het goed werd in 1720 voor 9 jaar en a rato van 10 gulden 10 stuivers per jaar verhuurd aan Michiel Vermeeren. Pastoor de Witte noteert dan dat het perceel 261 roeden groot was. Bij de confiscatie van de kerkelijke goederen in de Franse revolutie werden de armengoederen niet ontvreemd. Met hun opbrengst werden de arme lieden gesteund, last die anders op het Frans bestuur zou gevallen zijn en om lasten op zich te nemen waren de Sansculotten weinig bereid. In de leggers bij de kadastrale kaarten van van der Maelen van 1832 en Popp van ca 1860 wordt dan ook het Bureel van Weldadigheid van Asse aangeduid als eigenaar van bedoeld perceel.

De oorlog 1914-1918 was wel een rem op de kooproes van de de Coster's. De bewoners van 't kasteel Vijverbeek hadden het toen hard te verduren van wege het ruwe soldatenvolk. De familie moest verschillende plaatsen van haar kasteel ontruimen omdat het Duitse opperbevel besloten had een aantal officieren en soldaten hier in te kwartieren. Maar eens de oorlogsperikelen voorbij ging men weer aan het kopen. Op 11 april 1922 kocht men voor meester Jules Stas, notaris te Asse, een perceel sectie F, nr. 44c, groot 26 a 50 ca, voortkomende uit de openbare verkoop der goederen van Maria Nathalia van der Elst, weduwe van Frans Juliaan Ebrard en haar twee minderjarige kinderen Leo Carolus Josephus Ebrard en Margriet Julia Henrica Ebrard. Dezen hadden het verkregen uit de kaveling der vier kinderen Ebrard op 28 januari 1916 voor notaris Jules Stas. Hun ouders Jan Baptist Ebrard, beenhouwer te Asse en Maria Elisabeth Eylenbosch hadden het perceel gekocht bij de verkoop van de goederen na de faling van dé huidevetterij van de Putte voor notaris Albert Richir te Asse op 3 maart 1894. De van de Putte's hadden het zelf gekocht bij akte van 4 mei 1886 voor notaris Delefortrie te Brussel onder een groter oppervlakte nl. 26 a 50 ca + 8 a 70 ca = 35 a 20 ca. van de erven Paelinck te Brussel.

Hoe de Paelinck's er zijn aangeraakt konden we voorlopig niet achterhalen. Wat wel zeker is, is dat dit perceel grond sinds onheuglijke tijden behoorde tot de beneficie van de kapelanij van Maria-binnen-Asse. Deze kapelanij werd gesticht door heer Joannes de Asca, ridder, die leefde in de 14de eeuw. Deze Jan van Grimbergen-Asse is één der meest besproken heren tot Asse. In de slag bij Scheut in 1356 voerde hij de Brabantse standaard. Ziende dat de strijd in het nadeel van de Brabanders ging uitvallen wierp hij de vaan op de grond en sloeg op de vlucht. In de slag van Basweiler in 1370 streed hij aan de zijde van hertog Wenzel en werd er gevangen genomen. Uit zijn huwelijk met Agnes van Leefdaal, een dochter van Rogier van Leefdaal en Agnes van Kleef, sproten geen kinderen. Jan I stierf te Asse op 4 april 1388 en wetende dat zijn bezit naar een neef zou overgaan, aarzelde hij niet een vrome stichting te doen in de vorm van een kapelanij. Naast de 36 bunder grond die hij te Mollem ter beschikking stelde waren er ook een vijftal percelen te Asse waaronder het bedoeld stuk op Vijverbeek. Ook dit perceel hoorde dus oorspronkelijk aan de heren tot Asse. In 1619 brachten de goederen van deze kapelanij nog 40 gulden op. De bezitter ervan, Petrus van de Wijngaerdt, kreeg dan ook reductie van zijn mislast. Deze werd van 2 gelezen missen op l gezongen mis op zaterdag teruggebracht.

Keren we nu echter terug tot Vijverbeek. In een Manuael van goederen van 1699 lezen we dat de 262 roeden land werden "verhuert aen Peeter de Keyser, land op Vyverbeeck, paelende aen den Blijtberch". In 1750 lezen we: Gillis de Keyser huurt een stuk land gelegen op de Vijverbeke, groot 2 dagwand en 16 roeden palende tegen "de Bleytbergh ". Tijdens de Franse bezetting werden al de kapelanijgoederen openbaar verkocht als nationaal bezit. Hij die dergelijk "zwart goed" dierf kopen werd als een verdoemde aangewezen. De landmeter -Charles Terrace, een geboren Brusselaar, werd aanzocht de vijf percelen te Asse op te meten en te schatten. De verkoopdagen werden bij voorbaat door affiches aangekondigd. Daar wij het onderzoek aangaande de verkoop van kerkelijk bezit nog niet voltooid hebben kunnen wij niet precies zeggen wanneer en door wie bedoeld perceel op de Vijverbeek werd gekocht. De eerste verkoop van "zwart goed" van de O.-L.-Vrouw-beneficie gebeurde in 't jaar IX (= 1800-1801), het vijfde en laatste perceel werd van de hand gedaan in het jaar XI, zegge in 1803. Gewoonlijk waren het vreemdelingen, vaak Brusselaars, die dergelijke goederen kochten, vandaar dat het ons niet verwondert dat de Brusselse familie Paelinck in 1855 wordt aangeduid als bezitter.

Ten slotte het laatste perceel, groot 34 a 20 ca, dat werd aangekocht door Leo de Coster op 17 november 1922 voor notaris Jules Stas van Maria Josepha Ebrard en consoorten, die het erfden van hun ouders op 28 januari 1916. Jan Baptist Ebrard had dit stuk gekocht op 8 november 1855 onder de kopen 4 en 5 bij de openbare veiling van de goederen van aarkies Theodoor van der Noot. De familie de Coster, en voornamelijk burgemeester Leo de Coster, mag dus beschouwd worden als de stichter van het huidige staatsdomein Vijverbeek. Burgemeester de Coster stierf te Asse op 10 februari 1928, zijn vrouw Maria Vercruysse op 3 januari 1938. Van toen af waren het de kinderen, samen met hun oom en tantes, die het domein beheerden.

Kort nadien brak de tweede wereldoorlog uit. De Duitse bezetter vestigde een "Kommandatur" op 't kasteel. De bewoners werden samengedrongen in een paar plaatsen. Van kelder tot zolder werd het kasteel bezet met Duitse soldaten die niet steeds voornaam handelden tegenover de juffrouwen de Coster. Na een tijdje werden de plagerijen en aanmatigingen zo ondraaglijk dat de meisjes hun huis moesten verlaten.

Na de oorlog poogden de de Costers het domein te verkopen. Het onderhoud werd hen te zwaar en de ruimte was veel te groot voor de nog vijf overlevende bewoners. De tantes Leocadie op 11 november 1943, Celinie op 2 oktober 1945 en hun oom Eugeen op 9 augustus 1945 waren inmiddels reeds overleden.

Het kasteel met het domein was wel geschikt om er een college of andere onderwijsinstelling in onder te brengen. Met het oog hierop werd het goed aan de kerkelijke overheid aangeboden. Mechelen antwoordde echter dat dit niet nodig was te Asse, gezien er een college was te Ganshoren dat gemakkelijk te bereiken viel. Dan maar bij de gemeente geprobeerd het als park of ontspanningscentrum te verkopen. Het toenmalig gemeentebestuur had toen echter nog geen behoefte aan een cultureel centrum, waarvoor het domein anders zeer geschikt zou geweest zijn. Ten slotte verkocht men "Le chateau avec dependances pour une contenance de 2 ha et 50 ca", voor 1.300.000 aan juffrouw Berthe Felicie Josèphe de Bidlot. De overdracht geschiedde op 13 mei 1946 voor notaris Louis Stas te Asse.

Deze juffrouw die op 13 januari 1895 te Luik werd geboren en als handelaarster ingeschreven stond, was van plan er een "huis van plaissance" van te maken. Zij liet hiertoe de nodige badkamers plaatsen - de loden buizen bevinden zich nu nog steeds onder het stukwerk. Later was er sprake het om te vormen tot een rusthuis voor rijke lieden of restaurant. Het vlotte echter allemaal niet goed. We lieten ons vertellen dat "Monsieur Camille", een Franse baron en raadgever van Mademoiselle de Bidlot, die gewaar werd dat het op een faling zou uitdraaien, zijn minnares in de steek liet en naar het veilige Parijs vertrok.
 
STAATSDOMEIN

Ten einde raad verkocht juffrouw de Bidlot Vijverbeek voort aan de Belgische staat. De administratieve overdrachtsakte dateert van 2 september 1947. Het rijk betaalde voor Vijverbeek 3.510.000 frank. Een betere geldbelegging had de Bidlot niet kunnen doen; op een goed jaar tijd won ze 2.210.000 frank.

Het rijksonderwijs te Asse kon beginnen. Tegen 15 september van hetzelfde jaar waren er 320 kinderen ingeschreven. Alle plaatsen waren bezet. Van kelder tot zolder, alsmede in de hovenierswoonst, werd onderwijs gegeven. In 1948 waren er reeds 650 leerlingen en in september 1949 750.

Op 20 mei 1950 legde de heer Mundeleer, toenmalig minister van openbaar onderwijs, de eerste steen van een nieuw en machtig gebouwencomplex waarin voorzien werden: een administratief gebouw, een overdekte speelplaats, een turnzaal en een vleugel van 12 klassen.

Vanaf het schooljaar 1959 werd het Koninklijk Atheneum gesplitst in een jongens-afdeling en een zelfstandige rijksmiddelbare meisjesschool. Met dit doel had men bij de openbare verkoop van de goederen van de juffrouwen de Coster op 16 februari 1959 voor notaris Louis Stas een domein aangekocht, groot 1 ha 81 a 12 ca voor de som van 790.000 fr. Het jaar daarop kocht men voor 1.000.000 frank een.perceel grond groot 29 a 73 ca dat de juffrouwen voor hen hadden behouden als bouwqrond. Op 3 juli 1962 kon de heer Goossens van het comité van aankoop nog een klein perceeltje van 8 a 70 ca kopen van de kinderen Verhasselt die deze grond verkochten ten einde uit onverdeeldheid te kunnen treden. Hun vader Pieter Lodewijk Verhasselt "Vor van de Schipper" († Asse 5 december 1953) en hun moeder geboren Goossens (+ 19 maart 1962) hadden dit goed verkregen op 11 april 1922 onder koop 1 voor notaris Jules Stas van de konsoorten Ebrard.

Bij het heraanpassen van het kadaster in 1971 kregen de domeinen van de Belgische staat in de Nieuwstraat, 114-116 te Asse, het nr, 49k-4 in de sectie F. De landmeters berekenden dan dat het staatsdomein aldaar 5 ha 12 a en 45 ca groot was, oppervlakte die tot nog toe ongewijzigd bleef.

Jaak Ockeley

Naast de eerste studieprefect Henri Frencken, herkennen we burgemeester Geraard van Wijnendaele van Asse en minister Camiel Huysmans, de grote stuwkracht tot het oprichten van het rijksonderwijs te Asse.
Comments