Documenten‎ > ‎Religie in Asse‎ > ‎

Bedevaartvaantjes Zellik


De Zellikse bedevaartvaantjes

door Jozef Van Haver
(uit tijdschrift Ascania 1987-2)


Zellik is eeuwenlang een befaamd bedevaartsoord geweest, met 'begankenis' op de eerste zondag van mei. Wat we op vele andere plaatsen constateren, geldt ook hier : niet de patroonheilige van de kerk, Sint-Bavo, werd er aangeroepen, maar wel de H.-Quirinius, soms samen met de H.-Blasius. In de praktijk van de volksbedevaarten (ondernomen tegen ziekten van mensen en dieren, en tegen kwalen van het gewas) zijn de bedevaartvaantjes een belangrijk element. Het zijn (meestal) driehoekige papieren of uitzonderlijk stoffen prenten, die als souvenir van de bedevaart mee naar huis werden genomen en in huiskamer of stal werden opgehangen. Die vaantjes zijn typisch voor onze streken, want in het buitenland zijn ze vrijwel onbekend.

Ook de Zellikse bedevaart heeft haar eigen vaantjes gekend, Op het einde van de l8de eeuw werd aan een kopergraveur opdracht gegeven een vaantje te maken. Bij verzamelaars en in musea bestaan nog fraaie afdrukken van die koperen plaat. Het vaantje is niet gesigneerd en bevat evenmin gegevens over de uitgever. Van deze gravure werd in de 19de eeuw een deels hertekende versie gesteendrukt. De steen die voor deze lithografieën gebruikt werd, bestaat nog steeds. Een afbeelding van die steendruk kan men vinden op blz. 67 in het werk van Fr. Schoonjans, Kijk- en leesboek over Zellik.

Het museum voor Volkskunde van Antwerpen bezit naast enkele exemplaren van het 18de-eeuwse en van het 19de-eeuwse vaantje ook een met de hand gekleurde afdruk van de kopergravure. Op initiatief van de Kerkraad van Sint-Bavo is daarvan nu een herdruk uitgegeven die bijzonder geslaagd kan worden genoemd. Belangstellenden kunnen zich bij ondergetekende zo een bedevaartvaantje aanschaffen.

Bedevaartvaantje van Sint-Blasius en Sint-Quirinus


Het vaantje kan als volgt worden beschreven. In de rechte hoek op de voorgrond, voor een soort altaartje, staat met een aureool om het hoofd de H. Blasius als bisschop afgebeeld; hij draagt mijter en staf en in de rechterhand een kaarde of wolkam. Zijn naam is onder zijn afbeelding gegraveerd. Links van hem zit de martelaar Quirinius op zijn knieën, met bloedende armen 
en benen waarvan de handen en voeten reeds afgehouwen zijn; achter hem een beul met opgeheven zwaard: hij houdt het hoofd van de heilige bij de haren vast, klaar om het af te slaan. In het middenstuk als bladvulling een paar knoestige bomen en verder op de achtergrond een nogal heuvelachtig maar blijkbaar niet erg vruchtbaar landschap met in de linkerbenedenhoek een grote waterplas. Links onder begeeft een man op krukken zich in de richting van de beide noodhelpers. Behalve een paar huizen ziet men in de verte rechts een kerk die men met enige goede wil als de parochiekerk kan identificeren en links een kapel, waarmee ongetwijfeld de oude Quirinuskapel is bedoeld.

Onder de omlijste driehoek (hoogte 17,2 cm, breedte 27,5 cm) de tekst: Patroonen voor alle zweeren, zeeren en gezwellen, geeert tot Zellick.

Tot daar de beschrijving. Een kaarde is een ijzeren werktuig om wol te kaarden of te kammen, d.i. de vezels van de te spinnen stof te ontwarren en evenwijdig te leggen. De aanwezigheid ervan op het vaantje kan verklaard worden door het feit dat het lichaam van Blasius bij zijn marteldood met dergelijke wolkammen opengereten werd. Zijn patroonschap tegen huiduitslag, vooral tegen branderige blaasjes (impetigo) berust blijkbaar op volksetymologie tussen de naam van de heilige en de naam van de aandoening. De H. Quirinus werd (wordt) vooral aangeroepen voor de genezing van eczema en men neemt aan dat de gelijkenis tussen de dialectische uitspraak Zelk en de volksnaam voor eczema, het zelt of het zilt, hierin een rol heeft gespeeld.

Het bedevaartvaantje van Blasius en Quirinus is evenwel niet het enige nog het oudste Zellikse vaantje. Er is al een oudere voorganger, van het eind van de 17de eeuw en wel ter ere van Sint-Marcoen, De enige herinnering aan deze nu helemaal verdwenen plaatselijke verering is te vinden in de vermelding van de naam Marcoen in de tekst onder het schilderijtje van de H. Quirinus op de eerste pilaar rechts bij de ingang van de kerk: Offer ten eere van den H. Quirinus, H. Blasius, Ste Marcoen en den H. Antonius van Padua.

Bedevaartvaantje van Sint-Marcoen

Sint-Marcoen was een bijzondere patroon tegen kropzweren (Lat. serafuloderum), een huidaandoening die naar hem Sint-Marcoenzeer werd genoemd.

Zowat driehonderd jaar geleden moet de toeloop naar Sint-Marcoen in Zellik vrij groot zijn geweest, anders kan het bestaan van een bedevaartvaantje niet verklaard worden. Het vaantje, dat nu uiterst zeldzaam is geworden, stelt Sint-Marcoen voor in pij met kap; hij draagt een staf in de linkerhand en zegent met de rechter een achttal bedevaarders (van wie één met een houten been), die voor hem neervallen of knielen. Achter hem de kerk van Zellik. In de linkerhoek komen drie nogal haveloze bedevaarders aan met een hond. Onder de driehoek leest men de volgende tekst: S. Marcoen besonderen Patroon tegen quade geswillen en(de) aposteumen wies H. Relequien ruste(n) in de Parochie Kercke van Zellick 1698. Boven de basis van de driehoek vindt men in kleine lettertjes: I. Berterham fecit in aqua forti - 1698; dat betekend: I. Berterham maakte deze ets. Aposteumen is een bastaardwoord voor ettergezwellen.

Jozef Van Haver
Comments