Documenten‎ > ‎Religie in Asse‎ > ‎

350 jaar Gasthuiszusters


350 jaar geleden vestigden de gasthuiszusters zich te Asse
 
door Jaak Ockeley
(uit Ascania-tijdschrift 1997-4)


1997 is voor Asse een feestjaar geweest. 15 november herdacht de parochie met een academische zitting in de kerk het eeuwfeest van het 1600-jaar overlijden van haar parochiepatroon Sint-Martinus. 1997 was het ook 425 jaar geleden dat de H. Petrus Ascanus de marteldood stierf te Brielle.

Op 27 november 1997 was het net 350 jaar geleden dat de gasthuisnonnetjes van Antwerpen vanuit Sint-Niklaas hun intrek namen in het gerestaureerde O.L.Vrouwgasthuis te Asse. Van een grootse hulde met stoet e.d.m. zoals die op 14 september 1947 georganiseerd werd (1), is in 1997 niets in huis gekomen. Niemand heeft daar blijkbaar aan gedacht omdat de zusters al sedert augustus 1970 met hun hospitanten het gasthuis hebben verlaten om in het nieuw OCMW-rustoord Hingeheem de bejaarden te gaan verzorgen. Overigens hebben ze ook daar - hun contract liep 30 september 1988 ten einde - alle verzorging gestaakt zodat de gasthuiszusters nu nog alleen werkzaam zijn in de H. Hartkliniek die zij te Asse openden in 1922.

En toch! Vrij onverwacht kwam er een schrijven van de Antwerpse gasthuiszusters met wie de zusterscommunauteit te Asse op 1 oktober 1958 fusioneerde, waarbij de briefschrijfster Zr. Brigitte zich afvroeg waar een en ander van het roerend bezit van de gasthuiscommunauteit van Asse is gebleven sinds de zusters op 1 oktober 1988 ook het rusthuis Hingeheem hebben verlaten.

Een wonderlijke vraag voor een gasthuiszuster van Antwerpen. Een nu overleden medezuster van de briefschrijfster, zuster Carola van Herck, heeft daarop in haar kroniek zelf het antwoord gegeven. We lezen (p. 3): "1970. In augustus - september werd de inboedel van het Onze-Lieve-Vrouwgasthuis verhuisd naar het nieuw gebouwde "Hingeheem", Gasthuisstraat 2". Wat verder (p. 17) noteerde Zr. Carola "29 september (1988). Zuster Claudine vertrekt uit Antwerpen om de verhuis van de meubelen te leiden. Het OCMW heeft er goed voor gezorgd, en 's avonds was alles opgeruimd: deels naar Antwerpen, voor de Van Peltstraat 25, om er het nieuwgebouwde Rust- en Verzorgingstehuis te bemeubelen; deels naar St.-Augustinus te Wilrijk; ook een en ander naar het Huis Stas, Markt 5, het klooster te Asse". Anderzijds verklaarde zuster Van Herck in ons bijzijn aan haar heeroom E.H. Jozef Van Herck, toen ere-pastoor-deken van Kontich, bij diens bezoek aan de kapel van de H. Hartkllniek (in 1975) op vraag waar al die mooie antiek vandaan kwam "Nonkeltje, dit komt uit het oude gasthuis van Asse".

Ascania kon evenwel aan de 350ste verjaardag van de wederinrichting van het gasthuis te Asse en de komst van de Antwerpse gasthuiszusters in 1647 niet voorbijgaan. Vandaar deze bijdrage.

1. Het middeleeuwse gasthuis te Asse

Het passantengasthuis te Asse is, zoals bv. het gasthuis te Herentals (1253), te Edingen (1266), te Ninove (1268) e.a. stichtingen van die aard, ontstaan in de 13de eeuw. Daar een stichtingsbrief ontbreekt, is een preciese oprichtingsdatum niet bekend. De oudste vermelding dateert uit 1290 toen Geertrui van Meldert in haar testament, naast de abdij Affligem, het hospitaal te Merchtem en dat te Brussel (St.-Jan-op-de-Poel), ook het gasthuis van Asse bedacht met een pitantie van "decem solidos".

Wie de stichter was is onduidelijk. Misschien is het gasthuis spontaan gegroeid uit een plaatselijk initiatief of zoals dat toenmaals heette "opgericht met aalmoezen van de gelovigen", al lijkt dit wel een cliché te zijn. Zeker was dat het werd opgericht op grond eigendom van de hertog. Dit had tot gevolg dat mettertijd de hertog van Brabant als heer van Asse ook als de stichter van het gasthuis gold. Opvallend is wel dat eenmaal het gasthuis is opgericht te Huinegem, van het gelijknamig leengoed aldaar geen sprake meer is. De laatste keer dat een Egidius de Hunenghem als hertogelijk leenman optreedt, is in 1269 toen hij getuigde dat Henricus van Husenghem al zijn tienden te Asse had verkocht aan de abdij te Affligem. Wellicht heeft de hertog van Brabant als heer van Asse na het "uitsterven" van de "de Hunenghem" waarbij diens leengoed aan de hertog verviel, op de plaats waar deze leenmannen hun hof hadden, het gasthuis opgericht. De stichting van het gasthuis zou dan van rond 1270 dateren. Statuten voor het middeleeuws gasthuis verleend door de bisschop van Kamerijk, zoals wij die kennen bv. voor Aalst, Antwerpen, Brussel, Geraardsbergen, Merchtem (11), zijn ook niet bewaard gebleven, al kunnen we ons, aan de hand van de oudstbewaarde rekening van 1298, nochtans enig idee vormen omtrent de werking van het gasthuis.

De gasthuisgemeenschap, aanvankelijk wellicht maar een broederschap, telde in 1298 zeven leden: vijf broeders en twee zusters, een aantal dat vergelijkbaar is met dit van bv. Aalst, al tellen we daar twee broeders en vijf zusters. Of deze prebendarii personeelsleden waren die tegen levering van prestaties onderhoud kregen of armen die van de instelling kost en inwoon genoten is in de 13de eeuw niet duidelijk.

Het dagelijkse beheer was toevertrouwd aan twee provisors of gasthuismeesters, die ook de leiding hadden van het landbouwbedrijf in het gasthuis. Acht personen aanhoorden de rekening: twee voogden als vertegenwoordigers van de heer, twee representanten van de parochiale geestelijkheid, twee mensen uit het gasthuis en twee schepenen.

Zeker in de 15de eeuw is van broeders en zusters geen sprake meer. Een "maerte" en een knecht namen nu de materiële zorg van de proveniers op zich, zonder zich verder te bekommeren om diens geestelijke noden. Het ingrijpen van graaf Filips van Sint-Pol in 1424 of van heer Jan de Cotereau in 1560 heeft daar tenslotte weinig kunnen aan veranderen. Het passantengasthuis te Asse was blijkbaar een zelfde lot beschoren als dat van Eppegem, Merchtem of Kalfoort-Puurs die aan de gevolgen van de godsdiensttroebelen zijn ten onder gegaan.

2. Asse in de eerste helft van de 17de eeuw

Slachtoffer van een drietal brandstichtingen uit het voorlaatste decennium van de 16de eeuw, bood Asse-dorp bij het begin van de 17de eeuw nog steeds een troosteloze aanblik. Heel wat huizen waren nog niet of maar voorlopig hersteld en tal van akkers lagen nog braak. Het kerkgebouw stond nog overeind, maar pp verschillende plaatsen dreigde het dak in te storten. Herhaaldelijk vluchtten de inwoners, uit vrees voor plunderende benden, binnen de wallen van het versterkte kerkhof. Ze lieten daar hun dieren grazen en in het kerkgebouw stapelden ze allerhande gereedschap en voorraden op. Van 1594 tot 1608 was ook geen afrekening van de parochiefinancies aan de landdeken meer voorgelegd.

Bij al de materiële zorgen voegde zich in de eerste helft van de 17de eeuw nog een andere gesel, nl. de pest en andere besmettelijke ziekten. Het ergste kwam in 1635-1636. Toen bezweken meer dan honderd mensen aan de pest. Het gasthuis liet voor de besmette dorpelingen in die jaren een drietal pesthuisjes optrekken "ter plaetse gheheeten Huyneghem, gemynlich genoempt de gasthuysweyde". Deze besmettelijke ziekten maaiden zo sterk onder de bewoners dat het bevolkingsaantal pas in 1635 opnieuw het peil van 1526 bereikte.

Vooral in die crisisjaren bleek hoe nuttig het was over een hospitaal te beschikken waar de noodlijdende mensen onderdak of bijstand konden bekomen. Het gasthuis had echter net als de parochiekerk ook zwaar te lijden gehad van de godsdiensttroebelen. De magistraat maakte er haar beklag over dat de kapel nog slechts diende tot "herberge ende toevlucht van vreemde bedelaers vagabonde ende quaede mensschen" en dat er voor proveniers geen verblijfruimte meer was zodat zij bij particulieren dienden verzorgd te worden. Daar de pastoors Arnold van den Bercke (1594-1603) en Jan Couragieux (1604-1608) genoeg om handen hadden met het herstel van de kerk, hebben zij omzeggens geen stappen ondernomen om het gasthuis te doen herstellen. Alleen een doordrijvende organisator kon er voor zorgen dat alles weer behoorlijk in orde kwam. Die man was pastoor Hendrik Calenus. Naast zijn zorg om het herstel van de kerk en de wijkkapellen, voor de sanering van de parochiale financies en zijn bekommernis voor de geestelijke en culturele ontwikkeling van zijn parochianen, ijverde hij ook voor de wederopbouw van het gasthuis. De eerste zorg ging duidelijk naar de reparatie van de muren en het dak van de kapel. Daaraan werkte men van 1600 tot 1604 en opnieuw in 1613. In 1618 waren de herstellingswerken blijkbaar gedaan en kon aartsbisschop Hovius op 30 juli van dat jaar het altaar wijden. De verdere herstelwerken zouden maar in 1644-1647 aangevat worden.

Daarnaast had Calenus vooral aandacht voor een gezond financieel beheer van het gasthuis. In 1614 kwam Calenus, toen al landdeken van Aalst, met de magistraat overeen dat de gasthuismeesters, indien ze hun rekening niet indienden vóór 15 januari, een boete van 50 gulden zouden moeten betalen. In 1617 wist hij Peeter van de Wijngaert († 1635), een bij hem inwonend priester, tot rentmeester van het gasthuis te doen aanstellen. In 1618 deed hij een onderzoek omtrent de onwettige verkoop van een weide van het gasthuis in 1582.

3. Onderhandelingen tot herinrichting

Het materiële herstel van het gasthuis was eigenlijk afhankelijk van de goodwill van de heer van Asse. De heerlijkheid van Asse was sinds 1559 door Filips II voor 7244 pond in pand gegeven aan de familie de Cotereau. Het pand werd echter op 4 november 1611 door de aartshertogen gelost. Zo is het te begrijpen dat de interesse van de Cotereaus, die van dan af nog alleen het achterleen tot Asse bezaten, in de eerste plaats naar hun verblijfplaats te Jauche (Waals-Brabant) of naar Steenokkerzeel ging waar zij een riant kasteel bezaten. Op 31 juli 1626 wist barones Marie de Cotereau, sinds 2 oktober 1620, weduwe van Willem de Cotereau, heer tot Asse, de heerlijkheid van Asse echter opnieuw in pand te nemen. Het beheer van het gasthuis was dus vanaf dat jaar van haar afhankelijk. Pas in 1636 heeft Marie de Cotereau, toen haar twee kinderen Guillaume en Dorothée aangetast waren door dysenterie en haar kastelen te Steenokkerzeel en te Jauche door de Fransen werden geplunderd, de belotfe gedaan het gasthuis van Asse te laten herstellen. "Les misères du Ciecle" verhinderde haar echter dit voornemen onmiddellijk uit te voeren. Daar werd pas mee aangevangen in 1643.

Op 12 juli 1644 stuurde de magistraat van Asse een smeekschrift aan Marie de Cotereau. Zij wilden er haar toe bewegen de nodige fondsen ter beschikking te stellen voor een volwaardig herstel van het gasthuis. Bovendien vroegen zij ook dat 'religieuse dochters' de ziekendienst zouden waarnemen "gelyckerwys het gesciet in de groote gasthuysen van Brussel, Mechelen, Loven en de andere plaetsen".

Of dit rekwest Marie de Cotereau heeft beïnvloed weten we niet. Toch nam ze contact op met aartsbisschop Boonen. Deze stuurde haar zijn vicaris-generaal Henricus Calenus, de oud-pastoor van Asse, om over die zaak te onderhandelen.

Met het oog op de vestiging van zusters liet Marie de Cotereau de kapel herstellen. In haar manuaal is er ook sprake van "4 bonnes places outre le lieu pour les malades et 3 bonnes caves". Of Marie de Cotereau daadwerkelijk de communauteiten van Brussel of Leuven gepolst heeft, zoals J. Spanhove in navolging van De Grave schrijft, of zich eerder gewend heeft tot de zusters van Tienen, Mechelen, Diest of Vilvoorde is niet geweten. De gewenste zusters zouden tenslotte in Sint-Niklaas worden gevonden wat er wellicht op wijst dat in het aartsbisdom geen enkele communauteit bereid was enkele zusters voor Asse af te staan. Na de inname van Hulst op 5 november 1645 hadden de Antwerpse gasthuiszusters uit morele overwegingen deze stad verlaten. Zij vestigden zich op aanraden van Mgr. Triest eind 1645 te Sint-Niklaas. Daar huurden zij van Jacob Schenaerts het kasteel Walburg.

In Sint-Niklaas ontbrak het de zusters aan voldoende bezigheden. Zij gaven er wel enig onderwijs, verkochten medicamenten uit hun apotheek, maar misten vooral de ziekendienst. Zuster Elisabeth Freris vond dat de geest er minder goed was bij gebrek "aen de nodige occupatie die sy pleghen te hebben". Zuster Jenneken Ragiers was er opstandig tegen de overste omdat zij niet meer in de apotheek mocht werken. De financiële toestand van de zusters was er deficitair. De blijdschap moet dan ook groot geweest zijn toen ze naar het gasthuis te Asse konden overstappen. Het contact dat gelegd werd "a la fin du mois d'aoust 1647", lijkt wel gezocht te zijn door de zusters. Marie de Cotereau stuurde hierop een verzoek tot herinrichting van het gasthuis te Asse aan het aartsbisdom. Aartsbisschop Boonen en Calenus maakten echter heel wat opmerkingen vooral "sur les points de leur establissement". Ook pastoor Houbraecken formuleerde op 27 augustus 1647 een aantal adviezen bij het vooropgezette project. De aanbeveling van Mgr. Triest had wellicht een positieve invloed. Hij beschreef de religieuzen als zeer bescheiden, eerlijk, vroom, vol ijver en buitengewone zorg en liefde voor de zieken. Hij vroeg dan ook aan allen tot wie de zusters zich zouden wenden, om hen met gunsten en goede diensten te helpen. Hij ontsloeg hen van zijn rechtsmacht om zich onder deze van de aartsbisschop te stellen. Verheugd stuurde Marie de Cotereau op 14 oktober 1647 aan de magistraat van Asse een brief waarin zij aankondigde dat zij binnen afzienbare tijd religieuzen naar het gasthuis zou kunnen sturen. Ze vroeg de magistraat de zusters liefdevol te ontvangen, hen het gasthuis en de gronden te laten gebruiken en ook vrij te stellen van inkwartiering van soldaten en fouragering. De meier Charles van der Slachmolen, de zeven schepenen, griffier Arnold Adriani en de bedezetters Joos de Weduwyn, Peeter de Raedt, Anthoen van Elewyck, Maximiliaen Suys, Hendrick Fasseel, Merten van Achter, Franchois de Bailly, Joos Avoort, Merten van der Slachmolen, Jan Boussyn, Peeter Schockaert en Peeter van Mulders reageerden hier dadelijk zeer gunstig op. Ze stelden de goederen van het gasthuis ter beschikking van de zusters die "seer aengenaem ende willecom" zouden zijn en vrijdom genieten zoals de barones had gevraagd. Nu was het nog alleen een kwestie van juridische regelingen.

Op 2 november 1647 gaven al haar medezusters, voor de schepenen van Sint-Niklaas, aan de overste volmacht om te onderhandelen over de modaliteiten van de overname van het gasthuis. Op 5 november parafeerden, ten overstaan van notaris Michiel Maurissens en in bijzijn van de Assenaren Charles Crabeels en Jan de Deken als getuigen, zuster Elisabeth van de Put en barones Marie de Cotereau een overeenkomst. De overste beloofde in te brengen: "alle sulcken ornamenten, gereede penningen, meubelen, specerijen, apotecarijen en de andersints". Bovendien moesten, zo de communauteit opnieuw naar Hulst zou terugkeden, vijf zusters in Asse blijven. De "voorsc. meubelen enden personele actiën" en de helft van de grondrenten zouden in dat geval bezit van het gasthuis van Asse blijven. De zusters zouden ook geen kosten mogen terugvorderen van herstellingen die ze met eigen middelen aan het gasthuis te Asse zouden hebben verricht. De barones wilde dus blijkbaar geen risico's lopen.

Het definitief akkoord werd gesloten te Brussel in het  "Hotel de Jauche" op   18  november  1647  en  ondertekend  door barones Marie de Cotereau, haar zoon Guillaume de Cotereau, haar dochter Dorothée Henriette de Cotereau de Jauche en diens echtgenoot Henri Ogier, "conte (sic) de Riviere". De volgende dag keurde de aartsbisschop deze overeenkomst goed na overleg met de "Eirweirdichsten Heere Henricus Calenus, ghenomineerden Bisschop van Ruremonde alsnoch onsen Vicaris Generaal ende archidiaecken" en met de Mechelse officiaal Amatus Coriache.

4. De Restauratie-akte van 1647

Het origineel van deze restauratieakte werd bewaard in het familiearchief van barones Marie de Cotereau op haar kasteel te Jauche. Met instemming van markiezin Marie de Cotereau de Nesselrode heeft rector Offhuys de akte daar op 24 april 1718 gekopieerd. Deze akte, op perkamenten bladen geschreven, was gezegeld met "den grooten Rooden seghel" van aartsbisschop Jacobus Boonen "gedruckt in rooden wassche bedeckt met een wit papier en uijthangende aen een roodt seyde linte" en met het grootzegel van barones Marie de Cotereau eveneens "gedruckt in rode was onder uijthangende met dobbelen steirte van rooden sijde linte en gesloten in doose van wit hout". Deze akte, verleden te Brussel, was ondertekend door aartsbisschop Boonen, barones Marie de Cotereau de Westmal, Guillaume de Cotereau de Jauche, baron van Jauche, heer van en tot Asse, Henry Ogier, graaf van Rivieren (Aarschot) en zijn vrouw Dorothée Henriette Cotereau de Jauche, gravin van Rivieren.

Het origineel van deze akte werd niet teruggevonden omdat het kasteelarchief van Jauche deels is zoekgeraakt. We zochten in het fonds familiearchieven de Cotereau en van der Noot (d'Assche) in het Algemeen Rijksarchief te Brussel, in het archief van graaf d'Oultremont te Saint-Georges-sur-Meuse en in het onlangs ontdekte familiearchief d'Yve in het kasteel van Lestriverie te Bois-de-Lessines, maar vonden er geen restauratieakte van het gasthuis van Asse. Er bestonden evenwel drie expedities of apografen van deze restauratieakte, nl. één voor het aartsbisdom, één voor de zusters en één voor de schepenen van Asse. Het exemplaar voor de zusters is zoek; ook dit voor de schepenen evenals de registratie ervan werd nog niet weergevonden. De expeditie voor het aartsbisdom bevindt zich ter AAM, FGA, farde 1, doc. 5. Ze is ondertekend door aartsbisschop Boonen en door barones de Cotereau. Deze expeditie werd op haar beurt geregistreerd in het fonds Mechliniensa, reg. 74, fol. 254-264.

Van de restauratieakte bleven nog vijf andere afschriften bewaard. Een autentiek afschrift naar het origineel afgeleverd in 1669 door notaris Ferdinand Ernest de la Rue bevindt zich in het aartsbisschoppelijk archief te Mechelen (65). Een autentiek afschrift van de registratiekopie werd afgeleverd door griffier Gillis van Mulders († 1702). Daarvan werd op zijn beurt een kopie gemaakt in het memorieboek te Grimbergen. Een andere authentieke kopie naar de registratiekopie werd ca. 1730 afgeleverd en gehecht aan het proces-dossier i.v.m. de ziekenzorg. We vonden ook nog een kopie, gemaakt na 1688 naar een autentieke kopie afgeleverd door notaris J. Roux. De restauratieakte werd gedeeltelijk gepubliceerd door Aubertus Miraeus in zijn Diplomatum Belgicorum en geanalyseerd door D. De Grave en J. de Brouwer.

Deze "acte van erectie ofte restauratie" van het gasthuis van Asse omvat tweeëntwintig punten die betrekking hebben op: de rechten en plichten van de barones (art. l, 2, 8), de leefregel van de zusters (art. 3, 4, 5, 6, 7, 8, 18), de ziekenzorg (art. 9, 10, 11, 12), de taak van de rector van het gasthuis (art. 13, 14, 15, 16), de school die de zusters mochten openen (art. 17) en het beheer van de goederen (art. 19, 20, 21, 22).

Marie de Cotereau had dus in 1647 op haar kosten het gasthuis laten herstellen: een eigen kwartier met kapel, cellen, refter, keuken en leefkamer voor de zusters en een afzonderlijk ziekenkwartier voor de mannen en de vrouwen. Daartoe had ze zij 6000 gulden geschonken waaruit evenwel nog een wekelijkse mis voor haar reeds overleden man en haarzelf dienden betaald te worden. Zij behield ook het presentatierecht van de overste aan de aartsbisschop en het recht postulanten te aanvaarden. Bij ziekte dienden twee zusters de edelvrouwe en haar afstammelingen in hun kasteel gratis te verzorgen. De zusters dienden de regel van St.-Augustinus te volgen en de statuten van het gasthuis van Hulst te onderhouden die door de aartsbisschop wel mochten aangepast worden aan de noden van het gasthuis te Asse. De moeder-overste zou verkozen worden door de zusters, verkiezing die diende bekrachtigd te worden door de aartsbisschop. De eerstvolgende moeder na zuster Elisabeth van de Putte zou evenwel nog door de edelvrouwe van Asse mogen aangesteld worden. Dat is de reden waarom van zuster Geertrui Coenen maar één verkiezing wordt aangetroffen in het aartsbisschoppelijk archief. Het aantal zusters mocht niet minder dan 9 bedragen en niet meer dan 15. Daaraan heeft men zich al gedurende het leven van Marie de Cotereau niet gehouden aangezien er in de jaren 1659 tot 1662 al 16 geprofeste zusters waren. Nadien zijn er in de 17de en 18de eeuw nooit meer dan 15 geprofeste zusters geweest. De novicen moesten geboren zijn uit een wettig huwelijk en bij hun inkleding tenminste 18 jaar oud zijn. De aartsbisschop diende zijn toestemming te geven voor inkleding en professie en dit op vraag van de zusters. Er mocht door de overste een kleine dos worden gevraagd bij de kloosterintrede.

Een zuster mocht 12 of meer meisjes in een afzonderlijke kamer onderricht verstrekken in lezen, schrijven, naaien en andere werken. De rector van het gasthuis moest tweetalig zijn en benoemd worden door de aartsbisschop op voorstel van de heer van Asse. De 'pastoor' was gehouden iedere zondag voor de zusters en de zieken mis te lezen en te prediken en iedere donderdag lof te doen. Hij moest ook de zieken bijstaan.

De administratie van het goederenbeheer werd in handen gesteld van de zusters maar in praktijk uitgeoefend door de gasthuispastoor. Zo nodig mocht de heer van Asse twee momboren aanwijzen om toezicht uit te oefenen. De rekeningen dienden voorgelegd te worden aan de vertegenwoordiger van de aartsbisschop en deze van de heer. Een dubbel ervan moest in het gasthuisarchief worden bewaard.

Zieken van het Land van Asse, dus ook die uit Baardegem, Essene, Hekelgem, Mazenzele, Meldert en Mollem, konden voor veertien dagen of meer opgenomen worden mits een vergoeding van 9 stuivers per dag; voor de armen diende de tafel van de H. Geest 6 stuivers te betalen. De zusters zouden de zieken verzorgen, bijstaan in stervensnood en doen begraven.

In het aanhangsel bij deze restauratieakte staan ook nog een paar interessante vermeldingen i.v.m. de roerende goederen. Zo zouden de zusters bij hun intrek in het gasthuis te Asse moeten "innebrenghen alle sulcke ornamenten gereede penninghen meubelen, specerijen, apotecarijen, ende anderssints als sij. ons bij Inventaris oft specificatie als nu hebben gedesigneert. Item tot dien alnoch sulcke gronden van erffven, obligatien loopenden ghelde op interest, renten ofte immers d'actien ende pretensien totte selve inde voors. specificatie oock ghementioneert". De zusters dienden dus aan het patrimonium van het gasthuis over te dragen: hun onroerend goed, hun geld en ander roerend goed, hun apotheek en de bijhorende ingrediënten, allemaal zoals zij dat volgens inventaris hadden opgegeven.

Belangrijk was ook dat zo de zusters het gasthuis van Asse zouden verlaten, hoe dan ook 5 zusters ter plaatse moesten blijven samen mette voors. meubelen ende personele actiën, ende tot dien de hellicht vande voors. gronden van erffven ende besefte renten". Al de timmerragie verbeteringhe ende reparatie" die zij, op eigen kosten, aan het gasthuis hadden uitgevoerd, moesten zij in dat geval achterlaten zonder ook maar enige vergoeding hiervoor te kunnen eisen "oft t' selve Gasthuijs daer aff in eenigher manieren te ontvremden". Zo had zuster Elisabeth van de Putte beloofd aan de barones Marie de Cotereau. De barones had zich dus heel duidelijk van de zusters beloften geëist en verkregen voor ze hun intrek in het gasthuis namen.

5. Verhuis en intrek in het gasthuis

Op 27 november namen de overste Elisabeth van de Put en dertien religieuzen, samen met hun rector Franciscus de Licht hun intrek in het gasthuis. De zusters zouden met "twee en veertien waghens ingespannen door de ingesetenen van Asch" te Sint-Niklaas zijn afgehaald. Bij die verhuis brachten de zusters mee al hun: "meubelen, leynwaert, cleederen, bedden, sargien, cussens, schrapraeyen, stoelen, bancken, potten en pannen, schilderyen, en immers al datter is binnen onse huyse ".

Een belangrijk geheel bij die verhuis was wel de apotheek, die met haar vijzels, haar groot aantal geblazen flessen, haar medicinale boeken, haar apothekerspotten in Antwerpse majolica van omstreeks 1600 nog steeds een bezienswaardigheid uitmaakt. Onder de schilderijen bevonden zich o.a. het portret van hun vroeger overste zuster. Marie Franchois († 1637), dat van Mgr. Antoon Triest, bisschop van Gent, dat van de burgemeester van Hulst Marcus Gorten, een zicht op de stad Hulst door Cornelis de Vos uit 1628 en hef portret van Bernardurs Petri († 1635), aalmoezenier van het gasthuis te Hulst.

Bij het aanschouwen van hun nieuwe thuis moeten de zusters wel fel gedesillusioneerd zijn geweest. Geen volwaardig gasthuiscomplex als te Hulst, geen ruim kasteel als in Sint-Niklaas, maar een ruwbouw bestaande uit "de capelle ende coore daer de susters in (moesten) woonen ende hunne celle hebben... alles sonder deuren ofte vensters noch solderinghe, noch gelasen, noch plavijsel, simpelijck inde murragie ende dacken".

De eerste aandacht van de zusters ging dan ook naar de afwerking van de infrastructuur. Daarbij hebben zij eigen geldmiddelen moeten investeren, omstreeks 1688 beweerden de zusters Geertrui Coen en Geertrui Luytens dat de 6000 gulden die barones Marie de Cotereau diende in te brengen, nooit zouden zijn betaald geweest. Rector Offhuys die ook dit probleem onderzocht moet aan die bewering sterk getwijfeld hebben. Op 23 april 1718 reisde hij naar het kasteel te Jauche en raadpleegde er het familiearchief de Cotereau. Onderaan de originele Restauratie-akte las hij de tekst waarbij moeder van de Put bekende op 19 oktober 1657 - dus tien jaar na hun intrek in het gasthuis te Asse - van de 6000 gulden voldaan te zijn. De barones had daarvoor, met tussenkomst van Arnold Adriani, greffier te Asse, drie bunder gronden te Ceröux-Mousty verkocht die 5500 gulden opbrachten. De resterende 500 gulden paste Marie de Cotereau achteraf bij.

Blijkbaar heeft de overste vóór 1657 niets van de beloofde som ontvangen en hebben de zusters dus aanvankelijk veel verbouwingswerken zelf moeten bekostigen. Het "merkwaardig dokument" dat op deze traditie steunt en door rector Egigius Motmans werd opgesteld om aan te tonen dat de zusters voor het gasthuis van Asse veel hadden geïnvesteerd en dus redelijkerwijze van dorpslasten moesten worden vrijgesteld, bevestigt nochtans het manuaal van de barones. Het zegt dat de zusters "dickmaels hebben hooren seggen dat sy (de 6000 gulden) is gebruyckt met consent van de voors. Mevrouwe restauratrice tot opmaken vande schole ende de kamer van onsen Heere Pastoir...". Barones Marie de Cotereau deelt haar titel van "Restauratrice de la Maison et Eglise de geans (sic)" evenwel met Elisabeth van de Put en haar medezusters die het gasthuis vanaf 1647 tot een ziekenhuis zullen uitbouwen.


Jaak Ockeley

(voor de bronnen in dit artikel en de integrale tekst van de restauratieakte verwijzen we naar het Ascania-nummer 1997-4)
Comments