Documenten‎ > ‎Oorlog in Asse‎ > ‎

Lopers-maandag Terheide


Lopers-maandag op Terheide
(24 augustus 1914)

door Jan Heymans
(uit tijschrift Ascania 1958, nummers 3 en 4)

Veel gazetten kwamen er op Terheide niet. De pastoor las de Vingtième Siècle, enkele dikke boeren kregen Het Nieuws van den Dag, en alle dagen vóór de noen kwam Jefke de Aalstenaar met de Volksstem, maar verkocht weinig. Doch begin augustus 1914 was dat veranderd. De mannen die in Brussel werkten, konden er niet genoeg meebrengen voor kennissen en geburen, want Jefke geraakte tot Terheide niet meer. Het zat mis in de wereld, zegden de grote mensen'. Het kon oorlog worden. De soldaten met verlof werden binnengeroepen om aan de grenzen de wacht op te trekken, gelijk in de jaren zeventig, want hier in ons land kwam de oorlog niet: België was immers onzijdig.

Maar plots was het gebeurd. De keizer was met zijn leger 't land binnengevallen. Dag en nacht werden oproepingsbevelen rondgedragen. Men zag de mannen optrekken, beladen met een pak in bruin papier, in hun spannende witte broek en veel te kleine vest. De vrouwen jammerden en maakten misbaar, - de mannen hielden zich uiterlijk kranig, maar niemand was er geerne bij.

Het oogstwerk moest voortgaan. De grote boeren, die hun pik­kers kwijtgeraakt waren, liepen achter werkvolk. Ze beloofden 2 tot 3 frank boven de tiende schoof, en familie en geburen sprongen bij. Met Halfoogst bleef er maar weinig meer op 't veld, buiten wat haverstuiken. Het gewone gejoel en gezang bij het binnen­halen van de haan was dit jaar uitgebleven, want iedereen leefde in angstige spanning.

De pemenboer die zijn tarwestoppel onderzette, de mensen die het loof schoffelden of hun klaverresvrij zaaitsel jaagvoorden, die hadden tijd genoeg. Liggend op een hoop kladden op de hoek van een stuk land, bespraken ze de laatste nieuwsjes. Gazetten waren bijna niet meer te krijgen. Het scheen dat de forten van Luik nog stand hielden en dat er hongersnood was in Duitsland. En dat de Engelsen in Antwerpen waren, met hun oorlogssche­pen waar kanonnen op lagen, tien meter lang, en waar een beervat doorkon. De poeldeniers, die van Brussel kwamen, vertelden dat de Paus familie was van de keizer en hem een miljoen had gegeven om oorlog te voeren! En dat de Duitsers een koperen plaat droegen waar opstond «God met ons». Maar klop krijgen zouden ze, dat stond vast, want de Russen hadden het Napoleon gelapt, en die zouden er deze keer ook niet mee lachen...

Wij, jongens van 13-14 jaar, hoorden dat al vertellen, liepen rechts en links waar er wat te zien was, maar 't nieuws was er vlug af... In het bos bogen de hazelaars van de noten; we moch­ten de struiken neerhalen en verdestruweren naar hartenlust... Wiezen, de boswachter, was niet te zien. We waren de mees­ters in 't Kravaal. In elke berm woonden wilde bijen, nesten een muts vol. Was en honing. De jonge mussen in de grote olmen langs de steenweg schreeuwden om gevangen te worden.

Het ging naar einde augustus. Asbeek-kermis was door de burgemeester verboden, en iedereen vond het goed; het was geen tijd om te kermissen. Op vrijdag, na de noen, waren Duit­sers te paard door het veld gereden in de richting Essene. Ze vermeden de grote steenweg en de huizen. Ze droegen een lans, vroegen niemand iets, maar keken goed uit. De mensen vroegen zich af waar de Belzen mochten blijven en hoe die vijandelijke soldaten zo maar tot hier waren doorgedrongen. De zondag daarop reden er weer. Nu wisten we al dat het Uhlanen waren, en dat er op de steenweg van Edingen Duits voetvolk en wa­gens passeerden.

's Maandags zegde moeder: «Jan, ge moet teerstokken in de koestal hangen. De beesten zijn te ongedurig met al die vliegen». Wat een buitenkans! Teer maken voor vliegenvangers, maar... ook voor teeraren, die als mussenvangers zouden dienst doen! Ik kreeg 6 centen om bij Janneken Smedt een teerpanneken te kopen, een klein panneken met korte steel, in gebakken aarde. Ook nog 10 centen om bij de schilder een kapper lijnzaadolie te halen. Ik kon beginnen...
Ik had mij in 't ovenkot geïnstalleerd. Het panneken goed vast­gezet op stenen. Voorzichtig stookte ik er een vuurtje onder met kleine handsvollen roggestro. De olie moest aan de kook wor­den gebracht, heel lichtjes. Dan moest ze met een stropijl in brand worden gestoken. Nu viel er op te letten! Brandde de olie te lang, dan was de teer te dik en te stijf. Brandde ze niet lang genoeg, dan kleefde hij niet. Met een natte vod in de handen keek ik aandachtig toe en op 't gepaste moment: joep! De vod over het panneken. De vlam was gedoofd en de teer gereed. Nu laten afkoelen en proberen of hij plakte. Hij was geweldig: tussen duim en wijsvinger bleef er een draad, hoever ge ook de hand openspreidde...

Het was intussen noen geworden. Maar wat een geloop en drukte daar op de steenweg! Ik ging er natuurlijk heen en hoor­de dat de Duitsers in Teralfene al de mannen meepakten en dat ze alover Essene naar hier kwamen. Immeraan kwamen benden mansvolk aanrennen, en sommige gebuurvrouwen stootten hun vent buiten al huilend en tierend dat ze moesten doen gelijk iedereen en niet slimmer mochten zijn dan een ander. De pastoor en de koster trokken de kerk binnen om van op de toren uit te kijken. De stroom lopers verminderde stilaan, en de vrouwen vroegen zich af wat zij moesten doen als de Duitsers kwamen. De deur open laten, brood, hesp en bier op tafel zetten, werd algemeen aangenomen als de beste manier van handelen. En ook uzelf zo weinig mogelijk laten zien.

Niemand wist te zeggen waar de mannen nu precies naartoe liepen. Er werd gesproken van Dendermonde en Buggenhoutbos, en sommige buren waren zinnens naar Lippelo te gaan bij Toontje Pastoor, een Terheidenaar die daar pastoor was... Moe­der bracht mij een dikke boterham. «Hier Jan, zei ze, en ga eens zien waar uw vader is, en blijf bij hem als ge hem vindt.» Tegelijk stopte ze mij een halffrankske in mijn pollen. Ik beet in mijn boterham en bekeek het geloop op de straat, dat nu weer drukker werd.

De Witten van Blok kwam de trambaan opdraven en bleef bij mij staan. «Jan, zei hij, hebt ge mijn paït zien gespen?» Ik schudde het hoofd. «Man, zei hij, die ging er nogal over! Van bij ons tot aan de kerk sneed hij er wel twintig». Waarop ik antwoordde dat mijn vader toch minstens zo hard kon lopen als zijne paît, daar wou ik op wedden voor al wat hij wou. De Witten wou nog meer stoefen, maar ik zegde dat ik moest bij vader lopen, en of hij meeliep? — Hebt ge geld? vroeg hij — Ja, een halve frank, — Kom, dan zijn we weg, zei hij en zette het op een draf.

Aan Drieskens kwam juist weer een hele bende afgestoven. Meteen schoot alles opnieuw in beweging, de steenweg op, en aan Van Ossels kapelleken de Heuvelstraat in. Wij volgden wat langer de steenweg, en dan ging het dik over dun 't Heiken over. Door beten en patatten, over stoppel- en rapenveld. We hadden er plezier in. Anders mocht dat niet, maar wij gingen voor niets alom. Aan de Wijnegem kwamen wij op de Heuvel­straat. Sas kwam zijn hofgat uit en riep tegen zijn vrouw : «Adieu, Marie, ik ben weg, en tot in der eeuwigheid!». Marie zag Sas bij een groep aanpikkelen en zijn best doen om te vol­gen. Maar opeens schopte ze haar klompen uit en spurtte tot bij haar vent. Met haar één hand op zijn schouder hangend, riep ze hem toe: «Sas, menneken, zie dat ge alles niet opdoet, hé. Hoort ge dat, Sas?». De moed was er ineens uit bij Sas. Hij liet de anderen lopen en trok de baan in van 't Vest, naar het bos.

Bij ons werd het nu menens. We schoven iedereen voorbij. De baan door Mazelkouter was één stofwolk, Barvoets pletsten we door het hete mul. Op de steenweg naar Dendermonde stond iemand met een kruiwagen, waarop een oude man zat. Aan iedereen die voorbijkwam vroeg hij of ze erin wilden trekken, maar niemand nam het zeel op. Plots smeet hij de draagriem neer en liep mee, terwijl de oude man op de kruiwagen immeraan riep: «Jef! Jef jongen, laat mij hier toch niet staan!»

Aan de kerk van Droeshout kwamen mensen uit Merchtem gelopen en riepen dat achter het dorp de Duitsers en de Belzen aan 't vechten waren. En heel in de verte hoorden wij schieten, Samen met hen liepen we een straat in die naar Opwijk ging, en dicht bij die gemeente zagen wij aan een herberg een kar staan, bespannen met twee grote honden. Wij trokken er bin­nen, niet in die kar maar in die herberg, 't Zat er stampvol. De bazin luisterde met opengesperde mond naar een lange kerel, die schrikwekkende verhalen deed over wat Duitse Uhlanen in Teralfene hadden uitgestoken. We hadden ons op de vloer te­gen de muur gezet. Het was er koel, maar toch wilden we ook graag wat bier hebben. Steek uw halffrankske omhoog, zei de Witten. En waarlijk, dat hielp. We kregen een striepken en de bazin nam mijn geld aan.

Juist als we een goede slok gedronken hadden, hoorden we langs de kant van Droeshout groot lawaai en iemand per fiets riep almaar door: «Ze komen! Ze komen!». Deze die bij de voordeur zat, sprong op de kar al tierend: «Foks, Bella, pakt de beestjes!». De emmer waaruit de beesten gedronken hadden, rammelde over de kassei. De anderen liepen ook weg zoveel ze geven konden. En de bazin had in een weerlicht de schuif uit­getrokken en was er mee langs de achterdeur gevlucht al ker­mend: «Jezus-Maria! Jezus-Maria!». — «Ze is met uw half­frankske weg, zei de Witten, en ze moest u nog vijftien centen weergeven», Er stond echter voor ons niets anders op dan ook maar de biezen te pakken. We dronken onze pint leeg en rap nog ene die op de toog stond. Het lawaai kwam nader en we liepen ook al wat we geven konden.

Opwijk was zo goed als verlaten. Alle deuren stonden open, maar buiten de lopende mensen op de straat, was er niemand te zien. In het open veld gekomen, zagen we in de verte Buggenhout: daar liepen allen heen. Aan de zoom van het bos zagen we de eerste mannen van d'Hei. Wisselken, een boerken van rond de vijftig, en Kassuys, een flinke kerel van vooraan in de twintig. Die spraken van door te lopen tot Antwerpen en soldaat te worden. Maar Wisselken kon niet meer... Zijn milt stak, en hij had de watergalle van dat warm bier!

Zo trokken we het bos in. Met honderden lagen de mannen onder de bomen uit te rusten en te vertellen. Wij gingen immer verder, op zoek achter een stamineeken, want Wisselken trok lelijke gezichten, kwestie van de watergalle. Enige druppels je­never moest hij hebben, daarmee was hij genezen... En dan zou­den ze wel zien wat ze zouden doen. Wij vroegen hun of ze mijn of de Witten zijn vader hadden gezien? Neen, ze hadden hen niet gezien! We vertelden dat die bazin met ons geld weg was. En daarop wezen ze ons een weg aan: «Volgt die, dan komt ge weer in Opwijk. Zo'n snotneuzen moeten immers niet lopen gaan!» zegden ze. «Maakt dat ge zo rap mogelijk weer thuis komt!»

Daar stonden we nu met ons gebakken peren ! We wensten dat we al op Terheide waren, maar het teruglopen ging ons toch niet te best af! Al slenterend kwamen we aan de bosrand. Soldaten lagen on­der de bomen en er zaten er ook in de takken, die met verre­kijkers de omtrek afzochten. Af en toe kwamen burgers per fiets toegereden en spraken met een overste. Het waren spionnen, zegden de mensen die er rond stonden. Twee karretjes, elk met een grote hond bespannen, stonden wat verder af. Er lag een groot geweer op. De Witten klopte op zijn knie, riep op de hon­den «Baron, beestjes!», maar een officier kwam aanrennen en joeg ons weg. «Dat is ne vieze hé!» zei de Witten, en we trokken verder. Dan kwam er een soldaat per fiets toe, sprak met de overste, en deze riep tot het volk «dat iedereen gerust mocht terugkeren, dat er geen gevaar was en er geen Duitsers in Asse of omstreken waren». Burgers en soldaten reden per fiets het bos in, en met een hele hoop mannen gingen we mee naar Opwijk. De zon zat al zo hoog niet meer. Het was koeler geworden. In de verte hoorden we af en toe nog schieten,

Aan de kerk van Opwijk stond een troepje soldaten en er kwam er een al etend uit een winkel. Vóór de vitrien passerend, wees de Witten naar binnen. Op een schaal lagen stukken chocolade (5 centen), in bokalen zuurbollen en papierkensbollen. Als een mens nu zijn halffrankske nog had! «Kom, zei de Witten, ge hebt nog vijftien centen te goed in dat stamineeken. We gaan ze halen!».

We begonnen te draven. Eerst wat stijf, maar allengs vlug­ger, tot aan de deur van het cafeeken. Maar de deur was pot­dicht en niemand in 't rond te zien. Ze heeft ons zien aankomen, meende de Witten, en haar deur vastgedaan. Ge kunt achter uw vijftien centen fluiten! We stampten enige keren boos op de gesloten deur en gingen voort.

«Zeg, Jan, zei de Witten ineens, hebde gij al vanzeleven bloedpens gegeten?» Ik schudde het hoofd. «Man, zei hij, dat is eten! Ons Mathil heeft er eens meegebracht uit Brussel. Een schilleken tussen de boterham: man, dat is goed!». En terwijl wreef hij vergenoegd over zijn buik.

Een mastelle met siroop, vond ik toch ook niet slecht. En rijstpap, goed koud, met bruine suiker er op, was ook lekker! Maar de Witten was niet te overtuigen. Bloedpens! Dat was het waar fors in stak, en moest hij rijk zijn... hij at anders niets! We moesten gedurig aan speken en kregen een vreselijke hon­ger. Door een gat in de haag zagen we op een boomgaard halfoogstpeerkens liggen. We kropen er door en vulden onze zakken tot ze uitpuilden... Rond een appelaar liep een oude man altijd maar rond en steeds maar zijn hoofd schuddend. Hij had ons zeker niet gezien, maar we kozen toch het hazenpad. Dat is ook ne vieze, hé, vond de Witten, en ik vond dat ook.

De peerkens smaakten goed en ze gingen er alle aan... In Mazel kwamen van alle kanten benden mannen aanzetten. Nie­mand van hen had schrik gehad! De ene was gaan lopen omdat zijn vrouw het mordicus wou, de andere omdat zijn buurman hem kwam roepen! Daar waren er ook die boodschappen te doen hadden in Lebbeke of Opwijk en daarom maar meegelopen hadden. Maar schrik? Dat niet zie! En voortaan kon iedereen die dat plezant vond op de loop gaan, maar zij niet meer, zulle!
Zo zijn we dan de weg teruggegaan, zonder er nog aan te denken dat moeder me eigenlijk op de loop had gezonden om naar mijn vader te zoeken. «Wat gaat ge zeggen als uw moeder vraagt waar uw halffrankske is?» wou de Witten we­ten. Daar had ik nog niet op gepeinsd! «Ik zou een gaatje in mijn broekzak maken en zeggen dat ik het verloren ben» raadde hij mij aan, en ik vond dat geen slecht gedacht.

De Witten kauwend op een wortel en ik peuterend in mijn broekzak, tjokten we naar beneden d'Hei. We hadden geen hon­ger, ook geen dorst meer. We waren alleen moe, ellendig moe.

Die dag zullen velen van d'Hei zich nog heugen. In de volks­mond heet hij Lopers-maandag.
 
Jan Heymans
Comments