Documenten‎ > ‎Oorlog in Asse‎ > ‎

Hotel der patriotten


Enige dagen in 't hotel der patriotten te Brussel
 
door Julie Van Beneden
uit Ascania-tijdschrift 1993-4
 
 
Tweede zondag van oktober viert men hier steeds Krokegem-kermis. Met deze droeve oorlog, was de uitgelatenheid, hier zoals elders veel verminderd, nochtans alle herinnering eraan was daarom niet vergeten en zo kwam het ook, dat ik mij die dag de straf op de hals haalde die mij in 't patriotten-hotel bracht. Gans de dag hadden wij ijverig besteld; 's avonds was het volk toegenomen. Elkeen vierde kermis oud en jong, en aangezien dansen verboden was, trok de jeugd in groepen zingend van de ene herberg naar de andere. Om 11 uur Duitse tijd (10 u. Belg. tijd) was het sluitingsuur, doch nog baas, nog kermisvierders hadden er acht op gegeven, immers 't was kermis. Omtrent 10.30 u. Belgische tijd, terwijl elkeen nog aan vermaak in plaats van slapen dacht, komen enige jongelingen binnen gestormd. "De Duitsers komen af, zij sluiten de estaminee, nemen de paspoorten om te laat op straat te zijn...", zo ging het. De kermisvierders stoven uiteen, doch andere groepen kwamen binnen en die "vaagden hun botten aan de Duitsers en zij gingen voor die sm... niet aan", 't was aan en toe.

 

 
Pentekening van Karel de Bauw van de afspanning 'In den Wijndruif',
waar Julie Van Beneden herbergierster was
 
't Was mij onverschillig of zij bleven of gingen, ten eerste ik dacht niet tot zij tot hier zouden komen gezien zij hier om 9.30 B.t. binnen geweest waren, en ten tweede daar het nog voorgevallen was dat wij na het sluitingsuur openhielden en dat het bij een verwittiging bleef. De meeste klanten waren weg, een groep was blijven zitten, even ging ik eens zien of de grijze heren nog niet afkwamen maar pas aan de deur hoorde ik al aan 't geklots van hun botten dat ze al present waren. Met de brutaliteit hun alleen eigen, barsten zij los: "Wat maakt die lui hier heraus". De klanten, meest jonge kerels, poogden hun te verdedigen, maar een tweede maal "maak u heraus" deed er hun gauw stilletjes uittrekken. Minderwijl had ik wel de tijd gehad deze twee grijsbroeken goed te aanschouwen, de ene lang en mager, zwart van opzicht, de andere een dikke rosse rekel, de ene al beester dan de andere.
 
Nu keerden zij hun woede tegen mij, ik als bazin was verantwoordelijk, met mijn zuster Rosalie was ik alleen tegenover die twee beleefde gasten. Desondanks was ik weinig bevreesd en op hun brutale vragen, poogde ik mij niet te verontschuldigen. Gezien mijn onverschilligheid werden zij woedend "Pass, pass", klonk het; op mijn antwoord dat hij buiten op 't huis stond en hem dus konden afschrijven, gingen zij zien, lichten met hun elektrisch machientje, doch daar zij het niet konden onderscheiden, bromden zij stampvoetend "Pass, pass". Bemerkende dat ik er het niet anders meer van tussen kon, want zij dreigden al mij "mitt te nemen", overhandigde ik hun mijn paspoort. Met de orde, dat ik 's anderendaags op de Kommandatur mijn pas zou komen halen, vertrokken die twee allervriendelijkste bromberen.
 
De volgende dag om 9 uur bevond ik mij in "den Aurys". Onze dikke rosse was tegenwoordig om zijn aanklacht te verzwaren, met de bewering dat ik hen voor de aap had willen houden. Een unterofficiere schreef mijn paspoort en de getuigenis van de al te gedienstige rosse op. Ik kreeg daarna mijn pass en mocht naar huis terug, het gevolg zou wel komen verzekerden zij mij.
 
Acht dagen daarna kreeg ik, met een soldaat een verzoeksbiljet, daags daarna om 10 uur in de Kommandatur op de Morette te zijn. Ik ging, vergat mijn pass, had de moeite er terug om te komen, en kreeg bijna 10 mark boete voor mijn geheugen. Het kasteel van "Van Hoorde" dient als Kommandatur. Ik werd onderhoord door een ferme unterofficiere, die mij zelf de verontschuldiging in de mond legde. Zijn vragen luidden als volgt: "Gij hebt het niet vrijwillig gedaan?" of "Gij wist niet dat het zo laat was?... enz.", hetgeen ik natuurlijk bevestigend antwoordde. Ik tekende mijn proces, na dat hij het mij had voorgelezen, het behelsde naam, geboorte, godsdienst, beroep, nationaliteit en de reden der aanklacht. Ik vertrok in afwachting!
 
't Duurde slechts 14 dagen en ik was uit de onzekerheid die, ik moet het zeggen, mij heel weinig bekommerd had want ik meende goed er straffeloos van af te komen, 's Vrijdags voormiddag bracht een soldaat mijn straf: 30 mark boete of 6 dagen gevangenis. Ik was altijd vast van gedacht geweest indien ik ooit een boete kreeg, ze te gaan zitten; nu kreeg ik gelegenheid. Maar toen ik zo eensklaps, op 't onverwachts voor de keus werd gesteld, aarzelde ik. 't Duurde slechts een ogenblik, de koppigheid en meestendeels de nieuwsgierigheid dreef mij aan om te gaan zitten.
 
Ik weigerde te betalen, waarop ik aanstonds "mitt" moest. Ik herklede mij, nam een brood, boter, enz. mee, want eetvoorraad meenemen was toegelaten zoveel men luste, en vertrok, eerst naar "den Arys" om mijn biljet en van daar naar de Morette. Wanneer ze me daar met pak en zak zagen toekomen, glimlachten ze. Ze vroegen geld, waarop ik natuurlijk antwoordde dat we er geen hadden. "Gaat maar terug", luidde het en breng maandag geld, zoniet gaat ge naar Brussel naar 't prison. Ik had liever voortgegaan, immers ik was toch gereed, en nu moest ik terug.
 
's Maandagsmiddags om 12 uur D.t. moest ik op de Morette zijn. Ik vertrok welgemoed met "filet" eten aan de arm en kwam er op tijd aan. Wanneer de Duitsers zagen dat ze toch geen geld kregen, waren ze alleszins zo vriendelijk niet als 's vrijdags te voren. Ik werd te Ternat naar het station gezonden, vergezeld van de brigadier. Daar kreeg ik een reisgenoot van Teralfene die ook naar 't college vertrok. Men deed ons in het station waar we op de trein moesten wachten. Van 1.30 u. waren we in het station. Hier bleven we tot 5.30 u. Vandaar gingen we op de trein, eerst om zes uur, vergezeld van twee soldaten, 't Was gans donker op de trein. Een Duits soldaat kwam de "coupons" nazien met een elektrisch licht. Wij mochten zonder ticket pp de trein. Smokkelaars met patatten, boter enz. bevonden zich meest in de trein. Te St.-Agatha-Berchem moesten wij er af, gingen op de tram, en reden tot aan de Beurs. Van hier trokken ze met ons naar de Kommandatur, "rue de la Loi", nr.6, 't gewezen Ministerie van Oorlog, nu ingericht tot prison.
 

 
Het kasteel van de Morette te Asse-Koudertaverent
Hier zetelde tijdens WOI de Duitse "Kommandatur"
 
Eerst om 9 u. D.t. kwamen we daar toe. Langs de grote poort brachten ze ons eerst in een bureau. Hier gaven we ons paspoort af, dan brachten ze ons langs lange, goed verlichte gangen naar boven bij een officier. Deze doorliep ons strafbiljet en vroeg aan mijn reisgenoot of hij geen zakmes bij had. Verder ondergingen we geen onderzoek. Mijn gezel trok naar de mannenafdeling, en de officier deed mij nog een "stage" hoger uitgeleide. De gevangenenwaakster door de bel verwittigd dat er een nieuwelinge was, wachtte mij af. Bij deze was mijn ontvangst alles behalve vriendelijk. "Die boeren, schreeuwde ze, komen allemaal laat in en denken dan vroeg voort te gaan, maar ge blijft een nacht langer", daarmee duwde ze me ruw voort, opende de deur van kamer 4 en wierp de deur achter mij dicht, zich grommend verwijderend.
 
Ik stond paf! Tot dan toe had ik steeds opgeruimd geweest, alles nieuwsgierig toeziende, doch hetgeen ik hier zag had ik mij niet kunnen voorstellen. De kamer was ongeveer 5 meters vierkant met twee vensters, in de hoek een kleerkast, aan de deur waren twee tafels opeengezet, daarop enige pikkelstoelen. Rondom de plaats op stroozakjes, twintig in getal, lagen vrouwen, slechts in 't midden was een klein plaatsje vrij waarin een grote emmer stond, dienend als waterpot. De gestraften blikten mij allen nieuwsgierig aan. "Van waar komt ge?, Voor hoelang?, Waarvoor?" klonk het van alle kanten. Het toneel dat ik aanschouwde, alsmede de vuile geur die mij bedwelmde, belette mij in de eerste ogenblikken te antwoorden. Daarop ging het spotten toe "Ze is het hier al moe, gaat ge niet terug, ze heeft brood, enz..." zo ging het in de strafkamer. De ene wierp met een stroozakje, de andere een sargie toe. De bewaakster opende de deur om te zien of alles in orde was. "Goen nacht". "Goen nacht Madame" luidde het terug en daarop ging de deur in 't slot en 't licht uit.
 
Ondertussen was ik op mijn zakje gaan zitten, want ik kon er niet toe besluiten mij er op uit te strekken. Ik blikte weemoedig, nieuwsgierig de kamer rond naar al die wezens die rondom lagen, want het licht dat van de gang door de glazen deur viel, verlichte genoegzaam de kamer, om alles erin te onderscheiden. De opgeruimdheid die ik tot bij mijn intrede in de kamer behouden had, was geheel verdwenen en had plaats gemaakt voor een diepe mistroostigheid. Hoe graag had ik op dit ogenblik het dubbel van de straf gegeven om mij thuis te bevinden, en nu ondervond ik eens te meer dat koppigheid altijd geen wijsheid is, en dat ik als Eva de straf van mijn nieuwsgierigheid moest verdragen.
 
Alles in de kamer was rustig, afgebroken door het gesnurk van de gevangenen en door de zware stap van de schildwacht in de gang. Ik dacht nooit de slaap te zullen vinden, begon een boterham te eten om de droeve gedachten, alsook de tranen die in mijn ogen opwelden te verdrijven. Hoe! Ik die met opgezette wil hier heen was gekomen, ik zou gaan wenen als een kind. Neen, dat wilde ik niet en met een poging op mij zelf, dreef ik de tranen terug en begon te denken. Alles wel ingezien, was ik toch wel op de slechtste moment binnen gekomen en morgen dacht ik bij mij zelf, zal het wel beteren. In het tegenovergestelde geval, betaalde ik en ging naar huis. Die gedachte deed mij moed scheppen en begon stilletjes aan mijn matras te onderzoeken, hetgeen ik voor stroozakje aangezien had, moest ik vaststellen dat het in waarheid "houtzakjes" waren. Inderdaad, de zakjes waren gevuld met schavelingen en wel van de fijnste niet. Ik was met mijn zakje zoveel mogelijk van mijn gezellinnen gaan liggen met het hoofd onder de tafel, want degene welke naast mij lag, scheen het op het hoofd niet pluis te hebben. Weldra deed de natuur haar rechten gelden en na een half uur sliep ik in.
 
Ik ontwaakte pas 's morgens. Mijn ledematen waren als gebroken en afwisselend hield ik mijn armen onder het hoofd en de rug. Om 7u. D.t. werd de deur geopend en wij mochten op de koer die op dezelfde verdieping op het einde van de gang was. Daarna ruimde men de kamer op. De matrassen werden opeengelegd, de dekens er over, de tafels tegeneen in 't midden van de kamer, nadat de "plancher" opgenomen was.
 
Elk kreeg een tas of kroes en nadat wij ons gewassen en gekamd hadden, wachten wij onze koffie af. Ik zeg koffie, maar waarachtig die naam verdiende dat brouwsel niet. Zeker, het was een bruinachtig vocht met alles behalve een aangename geur. De smaak wilde ik die morgen nog niet hebben en ik liet hem aan de liefhebbers. In de voormiddag maakte ik kennis met mijn lotgenoten; de meesten die er waren, verbleven er wegens smokkelen van patatten en boter, gasten van de Hoogstraat en de omtrek van Brussel, 't meest voor enkele dagen. Drie vertrokken er die voormiddag. Wij bleven dus met achttien achter, 's Middags kregen we soep, elk moest om beurt met zijn teiloor aan de deur bij de gevangenisbewaarster om zijn deel.
 
De Brusselaars schenen er verzot op soep. Ze was beter dan die ze in het voedingscomité kregen, verklaarden ze. Inderdaad de geur deed het mij wagen ze te proeven en ik moest vaststellen dat de soep niet zo onsmakelijk was als ik eerst dacht. De dag verliep verder goed. Ik begon er mij reeds te gewennen. Alle twee uur mochten we onder toezicht van Madame Brown naar de koer. 's Avonds kregen we ons rantsoen brood, daarbij thé naar beliefte. Aangezien ik eten genoeg medegebracht had, gaf ik mijn rantsoen aan de liefhebbers die er genoeg waren, want de meesten hadden geen eten mee.
 
Ook een meisje uit Londerzeel, zekere Anna, was onder de gestraften. Zij was er voor 20 dagen. Vlijtig en door braaf was ze van elk goed gezien. Om acht uur moesten wij slapen gaan, elk nam zijn matras, sargie en zocht plaats zo goed mogelijk. Men went aan alles. Ik schikte mijn matras op zijn best, en nadat wij samen het rozenhoedje gebeden hadden - Anna las voor - sliep ik gauw in. De tweede dag maakte ik kennis met een nieuweling die ook voor 6 dagen kwam omdat ze boter had gesmokkeld. Julia Carron van Galmaarden, allerliefste meisje van pas 18 jaar. Vrolijk kwam ze binnen. Hoe gauw, zegde ze, zouden de 24 mark verdiend zijn. Wanneer ik ze zag en haar gezegde hoorde, dacht ik aan mijzelf. Ook maande ik haar aan, geen mosselen te schreeuwen voor er aan land waren. Ik had me niet bedrogen. Eer het avond was, had ik reeds tranen bij haar opgemerkt. De dagen gingen nog al rap voorbij, men vermaakte zich met zingen, kaartspelen, kaartleggen, enz.
 
's Zaterdagsavond hoorden we een dof geklop op de muur, het kwam van de kamer naast ons. 't Was reeds donker, wij openden de venster en vroegen of er iemand was. Vandoor de venster vertelde de gevangene zijn geschiedenis. Hij was gestraft voor 9 maanden "valsch policain" te spelen. Hij was in opstand gekomen tegen de gevangenenbewaker en werd daarvoor met 3 dagen water en brood gestraft. Deze gestraften ontvangen slechts 100 gr. brood en weinig water per dag. Hij vroeg eten indien het mogelijk was. Van een vrouw die op onze kamer was, kenden we het vervolg van zijn geschiedenis. Hij was een jonge baron, een prachtige kerel van 28 jaar, die alles verkwist had en na zijn titel verkocht te hebben, leefde hij ten koste van slechte vrouwen. Hij had zich uitgegeven voor Duits politieman en in winkels stoffen, enz... gaan aanslagen.
 
Ongelukkig genoeg hadden zijn medeplichtigen, dezelfde stoffen bij de eigenaar gaan aanbieden, die zijn waar herkende en de Duitse politie verwittigde. Zo geraakte onze baron in de kas! Hij noemde zich nu de man van Lucie, een slechte vrouw waar hij mee woonde, doch wij hadden hem herdoopt en noemden hem "Baron pain sec". Toch voelden we nog een weinig medelijden met de baron. We hadden wat brood, pens en een appel aan onze bezemsteel vastgemaakt en trachten het tot bij de baron te smokkelen. Wij kwamen tekort, hij kon het aanzien, doch niet genieten. Ziende dat onze poging niet lukte, sloten we de venster en lieten de baron vasten. 10 minuten later hoorden we een getik tegen de venster en toen we ze openden bemerkten we een lat op de vensterdorpel. Hij had, verklaarde hij, zijn kleerkast afgebroken om zo bij ons eten te geraken.
 
Nu gingen de "depêchen" per lat. Onze baron bedankte en deed zijn genegenheid betuigen aan zijn weldoenster. Reeds de volgende dag vrijde "Baron pain sec" met een dertigjarige zwarte cinemaspeelster per brief. 's Zondags mochten we naar de mis gaan. Madame Brown had 's avonds voordien op onze kamer er vijf komen uitkiezen die mochten mis horen, de overige bleven op de kamer. Om acht uur was de mis. Op rang en onder toezicht van onze "Brown" begaven we er ons naartoe met voor ons de vrouwen uit de andere kamers. Een stage lager in de mannenstrafkamer had de mis plaats. Het was een ruime zaal, de matrassen waren in de hoek gelegd. Een tafel was tot altaar opgericht. De mannen waren al tegenwoordig, meer dan honderd in getal. Onze vrouwenafdeling bestond maar nauwelijks uit de helft.
 
Nadat we allen hadden plaats genomen, kwam de priester binnen in tenue juist gelijk de soldaten. Hij trok zijn misgewaad over zijn kostuum en begon de H. Mis. Ieder was ingetogen. Het was een schoon en stichtend tafereel, bij de consecratie, mannen en vrouwen op de vloer te zien neerknielen en het hoofd te buigen met de priester. Na de nuttiging mochten degenen die hier reeds lange tijd waren en die daags voordien hadden gebiecht de H. Communie ontvangen. Drie mannen en drie vrouwen knielden voor de priester, hun zakdoek op de handen als communiekleed, en ontvingen de H. Hostie. Het moesten personen uit de gegoede stand zijn. Twee van de vrouwen, nog geen dertig jaar oud, waren in rouwgewaad, ook de anderen waren hoogst deftig gekleed. Na de mis trokken wij terug in rang naar onze kamer, waar ieder zijn indrukken aan de achtergebleven medegevangenen meedeelde.
 
De voormiddag ging voorbij evenals de andere, doch na de middag begon ik al de koorts te krijgen van ongeduld, immers met de avond mocht ik weg. Ik begon mij reeds te kammen, mijn kleren te borstelen en mijn klein bagage in te pakken. Hoe lang scheen mij nu de tijd! 't Werd vijf uur, vijf en half, nog niets. Zou ik inderdaad tot acht B.t. moeten wachten. Om zes uur bracht men het broodrantsoen, maar ik kreeg er geen meer aangezien ik die avond nog weg mocht. Ik begon op hete kolen te staan. Mijn celgenoten begonnen hun avondmaal, terwijl ik koortsachtig luisterde naar de eerst beslag, immers dat was voor mij. Goddank! De bel weerklonk, een ogenblik daarna verscheen Madame Brown en op haar Duits rammelde ze Mie Van Beneden. "Hier Madame!". Inderhaast drukte ik mijn slaapgenote Julia Carron de hand, wenste aan mijn collega's een vaarwel en weg was ik. Na beneden mijn pas bekomen te hebben, stormde ik naar buiten met het vast voornemen nooit meer terug te komen.
 
Julie VAN BENEDEN (†)
Comments