Documenten‎ > ‎Oorlog in Asse‎ > ‎

Bekkerzeel en de omwenteling


Te Bekkerzeel begon de revolutie
 
door Jaak Ockeley
(uit Ascania-tijdschrift 1978-1)
 
De oorzaken van de Brabantse omwenteling
 
Als overtuigd aanhanger van de Aufklarung, of zgn. Verlicht Despoot, trachtte Jozef II, die in 1780 zijn moeder Maria Theresia als staatshoofd van de Oostenrijkse erflanden was opgevolgd, vanaf 1781 de Zuidelijke Nederlanden een aantal hervormingen op te dringen die er een einde moesten maken aan het Ancien Régime.
De bedoelingen van de keizer waren uitstekend, te meer daar zijn hervormingen grotendeels ook beantwoorden aan de wensen van de keizerlijke onderdanen, geformuleerd o.a, in 1781 tijdens keizers reis in de Nederlanden. Maar waar Maria Theresia met wijsheid en takt handelde, miste Jozef II de mensenkennis, het aanpassingsvermogen en het geduld, die voor een zo groots opgezet plan ten zeerste vereist waren. En alhoewel alles volgens de normen van de "rede" en het publiek nut werd voorgesteld groeide, tussen de keizer en de Zuidelijke Nederlanden, langzaam een conflict dat niet alleen een geschil was tussen een "verlicht" vorst en een aan zijn oude constituties getrouw volk, maar ook een tegenstelling tussen het absolutisme en de nationale souvereiniteit.
 
De oppositie tegen Jozef II
 
Deze ging uit van twee groepen die oorspronkelijk hebben samengespannen tegen de keizer, doch die tegenover zijn hervormingen geheel verschillende zienswijzen huldigden. De meerderheid, bestaande uit de zgn, Statisten, werd aangevoerd door Heintje van der Noot en wenste de terugkeer naar de voormalige toestanden en het herstel van de gepriviligeerde standen: de prelaten, de adel en de corporaties der ambachten. De kleinste, die echter de meest actieve vleugel der zgn. Patriotten uitmaakte, had aan haar hoofd de Brusselse advocaat Jan Frans Vonck. De Vonckisten gingen met de meeste hervormingen akkoord, maar wilden het absolutisme van de keizer fnuiken.
 
Het verzet tegen de hervormingen
 
Tot een openlijk en algemeen verzet kwam het in het begin van 1787, toen de keizer een grootscheepse hervorming en rationalisering van bestuur en rechtspraak doorvoerde. Ingezet in Brabant, groeide tussen half april en einde mei 1787 over heel het land een onweerstaanbare volksbeweging die zich moreel gesteund voelde door de strijd die ook andere landen leverden voor vernieuwing van hun staatsinstellingen. Bevreesd voor een echte revolutie capituleerde de centrale regering te Brussel en trok 10 juni 1787 alle hervormingen in die niet strookten met de landsprivilegies.
Jozef II repliceerde echter scherp en zond graaf Ferdinand von Trauttmansdorff als nieuwe gevolmachtigde minister. Wijselijk vermeed deze alle bruuske acties en probeerde een politiek van ontspanning te voeren. Het mocht echter niet helpen, de gewesten bleven de "bede" weigeren. Hierop liet Jozef II de Staten van Henegouwen (januari 1788) en deze van Brabant (18 juni 1789) ontbinden. De "Blijde Inkomst", het Brabantse landscharter dat sedert eeuwen in Brabant de verhoudingen tussen vorst en onderdanen had bepaald werd nietig verklaard (7 januari 1789) en de Souvereine Raad van Brabant gecasseerd. Hiermee raakte de keizer aan de gevestigde orde. De omwenteling is in grote mate het werk geweest van de Vonckisten, doch de Statisten hebben er tenslotte de vruchten van geplukt. Hendrik van der Noot die op 8 augustus 1788 voor de Oostenrijkers moest vluchten, had Breda tot zijn operatiecentrum uitgekozen. Als "gevolmachtigd van het Brabantse volk" heeft hij vergeefs getracht de revolutie in de Zuidelijke Nederlanden met buitenlandse, vooral Pruisische, hulp tot een goed einde te brengen. Van der Noot beschikte echter niet over de vereiste kwaliteiten voor het politiek leiderschap: zijn ijdelheid, lichtgelovigheid en overmoed verklaren grotendeels de mislukking van zijn onderhandelingen.
 
De actie der Vonckisten
 
Ondertussen werd in België zelf het terrein door de liberaal-democratische vleugel der patriotten voorbereid. Van in zijn kantoor, te Brussel in de Koolstraat, leidde Vonck de revolutionnaire elementen die zich in een, eind april - begin mei 1789, door advocaat Jan Baptist Verlooy (1746-97) gesticht geheim verzetsgenootschap "Pro Aris et Focis" verenigden. Advocaat Jan Jozef Torfs (1753-1825) en notaris de Coster uit Elewijt stonden in voor de verspreiding der op de persen van De Haeze gedrukte pamfletten. Weemaels, een rijke lakenhandelaar uit de Koninklijke straat werd belast met de recrutering der vrijwilligers. Claude-Antoine Fisco, een gewezen artillerie officier, zou de verdediging bestuderen. Rossi, de kapelaan van Sint-Goedele, wist als schatbewaarder van het "verbond" samen met Jan Frans de Hees, onderpastoor in het Sint-Janshospitaal en secretaris van "Pro Aris et Focis" o.a. van Benedictus Neefs, abt van Sint-Bernards-aan-de-Schelde, van Godfried Hermans, prelaat van Tongerloo en van de bankiers Dannoot en Plowits een aanzienlijke geldelijke steun te verkrijgen, waarmee zij de in de steden gelegerde garnizoenen omkochten. De deserteurs die, bij hun aankomst in Noord-Brabant, van advocaat de Brouwere twee gouden kronen ontvingen, verzamelden zich te Rozendaal en in het stadje Geusenput en vormden er een klein leger. Hun inval in het Zuiden zou samenvallen met een algemene opstand. Een gezaghebbend aanvoerder was dringend nodig.
 
Kolonel van der Mersch
 
Vonck herinnerde zich in een krant gelezen te hebben hoe in 1779, bij het beleg van de stad Habelsivert in Silezië, veel lof werd toegezwaaid aan een Vlaams officier Jan Andries van der Mersch (1734-92). Misschien was dat een geschikt aanvoerder. Maar welke mening had deze nu gepensionneerde kolonel over het verlicht despotisme van Jozef II. Vonck moest het zien te weten te komen voor hij hem in vertrouwen kon nemen.
Vonck sprak met Pieter Emmanuel de Lausnay (1754-1807) een Opwijkenaar en advocaat bij de Raad van Brabant, die te raden ging bij Jan Jozef Raepsaet (1750-1832) advocaat bij de Raad van Vlaanderen en griffier van Oudenaarde. Raepsaet bevestigde dat kolonel van der Mersch teruggetrokken leefde op zijn kasteel te Dadizele nabij Menen en dat hij "avoit toujours été l'ennemi jure de la tirannie et du Despotisme et qu'il s'etoit de tout temps autant signalé dans les geurres qu'il a fait par son courage, sa bravoure et son intrepidité".
Dat viel bijzonder mee! Hoe hem contacteren?
Kanunnik de Broux, particulier secretaris van kardinaal de Frankenberg, lid van "Pro Aris et Focis" zou als tussenpersoon fungeren. Hij nodigde Michael Janssens, een Nederlander uit Nederweert, sinds 1777 pastoor te Schorisse bij Oudenaarde voorheen professor aan het seminarie te Mechelen, naar het aartsbisdom uit. Bij diens bezoek was de Broux echter afwezig en Janssens nam het besluit rechtstreeks bij Vonck te Brussel te gaan. Samen besloten zij op woensdag 30 augustus 1789 in de pastorie te Bekkerzeel een samenkomst te beleggen tussen van der Mersch en de democratische leiders. Janssens werd met deze boodschap naar Dadizele gestuurd.
 
Waarom te Bekkerzeel?
 
De ontmoetingsplaats was fijn uitgekiend. Bekkerzeel, een dorpje met een goede 200 inwoners, verscholen op de zuiderflank van een heuvelrug, was onzichtbaar voor wie zich op de Brusselse steenweg van Vlaanderen naar Brussel of omgekeerd bewoog. Vonck wist dat pastoor Petrus de Baetselier, een geboren Meldertenaar, de zaak van het patriotisme niet ongenegen was. Philip Jozef de Haen, sinds 5 augustus 1766 pastoor te Baardegem, had hiervoor bemiddeld.
Wie zou er aan gedacht hebben, dat in het kleine Bekkerzeel, eens de revolutie zou geboren worden. Zelfs de spionnen en "de vliegende brigades" van graaf Richard d'Alton, commandant-generaal der Oostenrijkse troepen, dachten niet aan het kleine Bekkerzeel als mogelijke contactplaats der patriotten.
 
De samenzwering in de pastorie
 
Reeds dinsdagavond 29 augustus 1789 kwam kolonel van der Mersch te Bekkerzeel aan. 's Morgensvroeg was hij met paard en sjees van Dadizele naar Oudenaarde vertrokken. Van daaruit reed hij met raadspensionaris Raepsaet naar Schorisse waar zij pastoor Janssens oppikten. Samen reden ze via Zottegem over Aalst tot Erembodegem. Hier waren ze de gast van pastoor Guillielmus van Langenhove. Van Langenhove, Janssens en Raepsaet waren voor elkaar geen onbekenden. Te Erembodegem vertelden ze dat ze uitgenodigd waren op de fazantenjacht. De koets werd er achtergelaten en de drie mannen vertrokken te paard richting Brabant. Eens voorbij Asse-dorp was het opletten geblazen. Te Walfergem op 't kasteel te Huizegem nabij 't Wolfrot verbleef advocaat Jan Dominiek 't Kint die in de ogen van de democraten niet gunstig stond aangeschreven. Langs Tenberg, via de Poel te Walfergem zakte ons drietal, het geweer op de schouders en gevolgd van enkele brakken, langs de Boterberg af naar Bekkerzeel-dorp.
Enkele uren later was Vonck reeds op de hoogte van de aankomst van de kolonel. Hij kon echter niet onmiddellijk afreizen; zwak van gestel als hij was, mocht hij zich niet in de avondkilte wagen. De volgende dag reed hij samen met ingenieur Fisco langs de Vlaamse poort in de richting Molenbeek. Te Zellik, aan 't Moleken, verlieten ze de steenweg en kwamen via de Kortemansstraat, omstreeks 9 uur te Bekkerzeel aan.
 
Vonck was onmiddellijk ingenomen met de energieke kolonel van der Mersch. Hij maakte hem duidelijk dat, zich steunend op de visie van J.J. Rousseau in zijn Contrat social, een volk het recht had tot opstand te komen wanneer zijn vorst de rechten van zijn onderdanen met de voeten trad. Een revolutie ontketenen, een volk meesleuren in dergelijke actie vroeg verantwoordelijkheidsbesef. Maar in de gegeven omstandigheden was dit zeker gewettigd. Vonck verheelde niet dat van der Noot met zijn vage beloften van Pruisische hulp zijn actie dwarsboomde. Buiten de abten van Tongerloo en Sint-Bernards moest men niet op de hogere geestelijkheid rekenen. Van de kant van de adel viel ook weinig te verwachten. Alleen de hertogen d'Ursel en d'Arenberg, graaf de La Marck en de familie de Ligne stonden aan hun kant. De meest overtuigde aanhangers telde het Vonckisme onder de leden van de nieuwe burgerij: handelslui, bankiers, vrije beroepen, intellectuelen en officieren.
Wie kon weerstaan aan zo'n overredingskracht! Ook van der Mersch was gewonnen voor de zaak en antwoordend als Mirabeau "la nation Belgique doit par son seul courage secouer Ie joug de la maison d'Autriche" aanvaardde hij een patriottenleger te leiden. Zo hij zeker kon zijn van de goedwil van de steden, was hij in staat met een 3000 man tellend leger de vijand te verdrijven. Ten minste een derde ervan zou moeten uitgerust worden met uniformen om zijn troep het uitzicht van een geregeld leger te geven. Kon men daar voor instaan?
 
Vonck sprak nu van de geheime opdracht van advocaat Torfs bij de Franse Assemblee nationale. Diens voorzitter zelf had Torfs aangeboden, aan vier pond per stuk, 4000 geweren te leveren. Het aanbod van de hertog van Orleans, om zich aan het hoofd van de opstandelingen te stellen, had men afgewezen omdat dit de onafhankelijkheid van het land in gevaar zou kunnen brengen hebben.
De pendule tikte reeds vier uur in de namiddag. Tot hun spijt moesten de samenzweerders scheiden. Terwijl van der Mersch, Raepsaet en Janssens de richting Asse kozen, reden Vonck, Fisco en kapelaan van Hees, die reeds van de dag te voren in Bekkerzeel verbleef, terug naar Brussel. Vonck was gelukkig, zijn jichtige ledematen deden minder pijn, hij voelde zich als het ware herleven.
 
Het verder verloop van de revolutie
 
Reeds de volgende dag schreef Vonck aan advocaat van den Eynde, van in zijn kantoor te Brussel, een Vlaamse brief "vanuit Ninove en ondertekent Plasschaert" waarin hij hem aanzette de recrutering te beginnen. Lakenhandelaar Weemaels vertrok op 1 september 1789 via Namen naar Hoei van waaruit hij, met zijn Waalse vriend de Loye, van de Luikse burgemeester Fabry de toelating bekwam te Hasselt en omgeving een leger te ronselen. Niets kon de revolutie nog stuiten!
 
Weinige tijd later moest Vonck uit Brussel vluchten. Een gemene "vijg" handelaar de Ridder had voor 20.000 gulden de zaak van de patriotten aan d'Alton verraden. Diens brigades dachten dat hij zich te Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek verstopte en vernielden er de pastorie. Vonck was echter via Mollem over Puurs naar Breda vertrokken.
 
Statisten en Vonckisten verenigden er zich in een "Comité van Breda". Op 24 oktober 1789 vielen 2800 soldaten, onder leiding van "generaal" van der Mersch de Kempen binnen. Hun overwinning te Turnhout, op 27 oktober 1789, had een geweldige weerslag op onze landgenoten. Wijl van der Noot en zijn rechterhand de agitatorische kanunnik van Eupen als de "bevrijders van het vaderland" werden aanzien werd Vonck, aan wie deze eer veel meer toekwam, belasterd. Weldra brak een machtsstrijd uit tussen Vonckisten en Statisten die er de oorzaak van was dat tegen het einde van het jaar de Oostenrijkers weer de baas waren en alles terug in zijn oude voegen werd hersteld.
 
Jaak Ockeley
Comments