Documenten‎ > ‎Namen in Asse‎ > ‎

Wies Moens in Asse


ASCANIA-SPECIAL
WIES MOENS
 

Ter verantwoording

Eind januari 1998 was het honderd jaar geleden dat Wies Moens in Sint-Gillis-Dendermonde werd geboren. Dat werd in Vlaamse kringen herdacht. Ascania wil zich daar bij aansluiten.
 
Wies Moens die reeds van in zijn jeugdjaren fel betrokken was bij de Vlaamse Strijd - hij was reeds te Dendermonde in het college lid van het studentengild 'Jong Dietschland' er gesticht door de Vlaamse voorman Lodewijk Dosfel - heeft, zoals sommigen onder ons nog wel weten, een zestal jaren te Asse 'in het witte huis aan den draai net boven de Putberg' gewoond. Waarom hij naar Asse kwam wonen? Op die vraag werd nog steeds geen afdoend antwoord gegeven.
 
Was hij niet zozeer betrokken - we hebben er althans nog geen sporen van gevonden - bij het politiek-maatschappelijk leven te Asse, op het culturele vlak heeft Wies Moens wel enige medewerking verleend. Voor zover wij hierop antwoord kregen, blijkt dat 'Meneer Moens', zoals zijn omgeving hem noemde, in Asse ook niet direct heeft deelgenomen aan het volkse leven. Hij was geen boogschutter, zoals pastoor Robberechts van Asbeek, nam geen deel aan het bolspel of ging ook geen kaartje leggen in een of andere volksherberg. Wel sloeg hij tijdens zijn wandelingen in de Putberg, eens een babbeltje met 'de man in de straat'. Schrijft hij zelf niet: "Vijf jaar lang hebben mijn vrouw en ik, ginder in het Brabantse, met het wel en wee van de 'kleine luyden' meegeleefd. Wij woonden stil en eenvoudig in hun midden, vroegen niet naar hun gezindheid, lieten een ieder gerust en hielpen waar wij helpen konden". Moens had er in die jaren wel een aantal vrienden rondom hem geschaard. We denken bv. aan 'pastoor' Frans Robberechts van Asbeek, kunstschilder Karel de Bauw, boer Jan Heymans, meester Frans Berlanger, Pië Stek, winkelier-herbergier te Asbeek en zelfs burgemeester Jefken De Doncker om enkele bekende Assenaren te noemen.
 
Mevrouw Ludwien Ockeley, die tijdens haar studentenjaren - omdat zij in Asse woont - het expressionisme in het werk van Wies Moens - omdat hij in Asse heeft gewoond - heeft bestudeerd, was bereid een herwerkte versie van haar studie 'Wies Moens en het expressionisme in Celbrieven, De Boodschap, De Tocht, Opgangen en Landing', n.a.v. de '100ste verjaardag' van de gewezen Assenaar Wies Moens aan Ascania toe te vertrouwen.
 
Voor de illustratie van deze studie werd gezocht naar originele foto's van "Wies Moens te Asse". Mevrouw Britta Currinckx-Bovyn uit Middelkerke, een nicht van dichter Wies Moens, was zo vriendelijk ons hiervoor een aantal foto's uit het "Wies Moens Archief" ter beschikking te stellen waarvoor Ascania haar hartelijk dankt.
 
De redactie

Wies Moens in 1969, geportretteerd door zijn trouwe vriend, kunstschilder Karel de Bauw. Dit schilderij werd, op initiatief van burgemeester Lode Craeybeckx, aangekocht door de stad Antwerpen voor het Museum van het Vlaams Cultuurleven. De kunstschilder schonk de betaalde aankoopsom aan de dichter die toen te Geleen in Nederlands Limburg in geen grote welstand leefde.



WIES MOENS, BIOGRAFIE VAN EEN VEELZIJDIG VLAMING

door Ludwien Ockeley
(uit Ascania-tijdschrift 1998-1)


Wies Moens was een veelzijdig begaafd woordkunstenaar. Veelzijdigheid is wel het passende woord: dichter, prozaschrijver, toneelvernieuwer, essayist, nationaal voorman, redenaar, ideoloog, jeugd-bezieler en opvoeder.
Moens' leven, dat steeds in het teken stond van een strijd voor het Vlaamse volk, kan
 opgedeeld worden in een zestal perioden.

1. Zijn jeugd (1898-1916)

Aloisius Cesar Antoon Moens werd op 28 januari 1898 geboren te Sint-Gillis-bij-Dendermonde. Zijn vader Karel Constant Moens (1860-1956) was er bakker, zijn moeder Maria Joanna Moreels (1867-1919) hield er een volkse kruidenierswinkel 'De oude Kroon'. Vader Moens was een welbespraakt verteller, regisseur van en soms ook acteur bij de plaatselijke toneelbond. Moens erfde van hem zijn uitgesproken aanleg voor toneel en zijn sterk redenaarstalent. Moeder Moens, een milde en vrome vrouw, bracht haar zoon een sociaal-georiënteerde bezorgdheid voor zijn Vlaamse volk bij. Wies Moens groeide op dicht bij de Schelde (levensader van Vlaanderen, zoals hij ze noemt), rivier die hem heel zijn leven met heimwee heeft vervuld. "Forse draver met mijn heimwee...", schreef hij in 1937 kort voor zijn verhuis naar Asse in het West-Brabantse hopland, "En waar ik woonen mag, ver van de stroom, zo fel bemind, mijn Schelde..." klonk het nog in 1963 toen hij al 15 jaar als banneling in Nederlands Limburg verbleef.

Lagere school liep de kleine Moens in zijn geboortedorp "in de school van de pastoor die door nonnetjes werd gehouden". Vanaf 1910 volgde hij klassieke humaniora in het bisschopp
elijk H. Maagdcollege te Dendermonde waar hij de retorica beëindigde als primus perpetuus. Daar was Moens lid van de katholieke Vlaamse studenten
beweging en, geïnspireerd door de geest van Rodenbach, flamingant. Hij ontdekte er in Lodewijk Dosfels 'Jong Dietsch-land' het Vlaams 'nationaal' bewustzijn.

2. Student en activist (1916-1918)

Die volksverbondenheid deed Moens in oktober 1916 resoluut kiezen voor de vernederlandste universiteit te Gent waar hij twee jaar lang - tot de Belgische overheid in november 1918 de universiteit sloot - Germaanse filologie studeerde. Hij was er naast o.a. Lode Craeybeckx, de latere burgemeester van Antwerpen en Bert d'Haese uit Geraardsbergen die later te Hekelgem woonde, één der pioniers van de Vlaamse strijd. Vooral de professoren Willem de Vreese, 'een der schitterendste vertegenwoordigers van de Nederlandsche wetenschap, en meteen: een Dietsche strijder uit één stuk', en Antoon Jacob oefenden in die jaren een sterke invloed uit op Moens.

Wies Moens beleefde te Gent een intens studentenleven. Naast harde studie en kennismaking met de nieuwe artistieke en sociale stromingen - Moens voelde zich verwant o.a. met Paul van Ostaijen in dezelfde drang naar hernieuwing van de poëzie en de samenleving en met de grote baanbrekers van een nieuw toneel als Ibsen, Strindberg, Shaw en Hauptmann -, werd een groot deel van zijn tijd in beslag genomen door een bruisend verenigingsleven en een reeks enthousiaste meetings voor de verspreiding van het activistische ideeëngoed.

Daarnaast verrichtte hij nog sociaal-cultureel werk te Hamme aan de Durme. Hij gaf e
r voordrachten in de dagschool voor werkloze arbeiders en hielp bij de oprichting van een volksbibliotheek. Hier kreeg de 'erfenis van zijn moeder' - mildheid en sociale volksverbondenheid - een concrete dimensie. Die ervaring inspireerde hem nadien tot het bijbels-eenvoudige gedicht: "Laat mij mijn ziel dragen in het gedrang. Tussen geringen staan en hun ogen richten, naar boven...".

Wies Moens heeft, in de sombere jaren 1945 en "46 toen hij ondergedoken leefde, over de geschiedenis van de 'Vlaamse Hogeschool en het Gentse activisme een unieke getuigenis neergeschreven: "Het Aktivistisch Avontuur en wat er op volgde. - Herinneringen", eerst verschenen in Dietsland-Europa (1966-1970) en in 1972 heruitgegeven in "Proza III".

3. Repressie en nasleep (1918-1925)

Eind 1918, bij de bevrijding, werd brutaal een einde gemaakt aan Moens' idealisme. Eerst moest hij op 11 november met zijn ouders hals over kop vluchten voor de weerwraak van het 'bevrijde' volk dat de winkel van zijn ouders kort en klein sloeg. Op 13 december 1918 werd hij aangehouden samen met o. a. Dr. August Borms en de latere Antwerpse burgemeester Lode Craeybeckx, ook student te Gent en activist, en opgesloten in de gevangenis van Dendermonde. Pas na anderhalf jaar voorarrest werd hij op 10 december 1920 tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld.

In de cel werd de literatuur hem een houvast; hij schreef er drie meesterwerken, die - naast Van Ostaijens "Het Sienjaal" (1918) - tot de eerste bewogen geschriften van het expression
isme in Vlaanderen behoren: de dichtbundels "De Boodschap" (1918-1919) en "De Tocht" (1921) en het uniek dichterlijk prozawerk "Celbrieven", dat in november 1920 verscheen en nadien acht maal werd herdrukt: "In geen ander werk heeft het jonge, dwepende humanitarisme uit die tijd zulk een frisse, onmiddellijk ontroerende uitdrukking gevonden. Het is een wekroep voor broederlijkheid, ontwapening en sociale verzoening, gesteld in een zuivere bezielende taal". Om gezondheidsredenen begin maart 1921 vrijgelaten, moest hij eerst nog het door hem zo verfoeide Belgisch vaderland gaan dienen. Pas na zijn afzwaai uit het leger, ontplooide hij opnieuw een veelzijdige activiteit. Dat jaar (1922) huwde hij Margareta Theodora, Grietje Tas (+ 1968), die hem 46 jaar lang een trouwe steun was in de strijd en alle beproevingen met hem deelde.

Daar zijn medewerking aan "Ruimte", "Ter Waarheid", "Ons Vaderland" en andere bladen en tijdschriften was Moens in die jaren reeds een bekend woordkunstenaar, zodat hij ook secretaris werd van "Het Vlaamsche Volkstoneel" (1922-1925), redacteur van een vaktijdschrift en correspondent van het Nederlandse blad "De Tijd" (Amsterdam). Hij werkte ook als vertaler en hield talrijke voordrachten. Spoedig werd hij als de leider van het humanitair expressionisme beschouwd. Zijn opvattingen publiceerde hij in "Pogen", een maandblad dat van 1923 tot 1925 verscheen. De verzenbundels "Opgangen" (1922) en "Landing" (1923) vertoonden daarbij een evolutie naar een duidelijker godsdienstiger lyriek in barokke taal.

4. Moens als Diets-nationalist (1926-1944)

Van 1926 af ging Moens meer in het politieke leven op. In 1928 was hij betrokken bij de stichting van het Algemeen Vlaamsch Nationaal Verbond en in 1929 nam hij deel aan de parlementsverkiezingen als nationalistisch kandidaat voor het arrondissement Gent-Eeklo waarbij Moens ongeveer 5.0
00 stemmen haalde. Noch hij, noch zijn medestander Joris van Severen werden verkozen. In oktober 1931 was hij één van de medestichters van het Verdinaso dat een Groot-Nederlandse staat op corporatieve grondslag voorstond. Toen in 1934 Van Severen een nieuwe "marsrichting" uitstippelde en streefde, via een fascistische machtsverovering binnen de Belgische staat, naar een herstel van het zgn. Bourgondisch ideaal - een soort Benelux avant-la-lettre -, verliet Moens de beweging om voortaan op eigen kracht zijn Groot-Nederlands ideaal te verkondigen. Hij beschikte daartoe over zijn maandblad "Dietbrand" (1933-1940) en publiceerde ook geregeld in het weekblad "Jong Dietschland". Voor Moens was politiek: dienst aan de volksgemeenschap, bezielend, onbaatzuchtig leiding geven en opvoeden van zijn misleide en ontaarde volk tot bewust levende Dietse mensen. Moens openbaarde zich in die jaren ook als een strijdend dichter die, na haast tien jaar te hebben gezwegen, opnieuw een hoogtepunt bereikte in "Golfslag" (1935) en "Het Vierkant" (1938). Toen werd hij als Zuidnederlander redactiesecretaris van het Noordnederlandse vakblad "Rooms-katoliek Bouwblad".

Waarom hij in 1938 zijn geboortestreek verliet en uitweek naar het heuvelachtige Asse, te midden van "de praal, de weligheid der Brabantse heuvelen" is niet heel duidelijk. Jef Strobbe schrijft dat wegens ontgoocheling in het Verdinaso "er een einde kwam aan zijn intens bezig zijn met de mensen van het Dendermondse". Mevr. Britta Currinckx-Bovyn, nicht van Wies Moens, vertelde ons daarover dat haar oom in Sint-Gillis in de Koning Albertstraat woonde in het huis dat haar ouders daar hadden gebouwd in 1932. Toen haar vader, meester Marcel Bovyn, met pensioen ging in 1938 moest hij het schoolhuis verlaten en wenste hij zijn eigen huis te betrekken. Daarom moest Wies Moens verhuizen. Na hier en daar gezocht te hebben 'ontdekte' Moens bij toeval in Asse het huis waar tot in de zomer 1935 de Aalsterse kunstschilder Praet had gewoond. Toen hij Sint-Gillis kon verlaten, noemde Wies Moens dat 'de mooiste dag van zijn léven'.

5. Tweede Wereldoorlog en repressie (1940-1947)

De Tweede wereldoorlog wierp Moens opnieuw in de politieke maalstroom. Opvallend is wel dat Wies Moens als zgh. 'verdachte', ook al was de lijst waarop hij voorkwam overgemaakt aan de Belgische overheden, niet werd opgepakt. Zo ontsnapte Moens aan het drama van Abbeville. Zijn indrukken en ervaringen, zijn bedenkingen over de gebeurtenissen en de houding van de mensen rondom hem tijdens de mei- en junidagen van 1940 schreef hij neer in "Dertig Dagen Oorlog" (1940).

In 1942 werd hij directeur van de Nederlandse uitzendingen van Radio Brussel (N.I.R.). Moens waakte er over de culturele waarde van de uitzendingen. Hij bleef er doen wat hij voor de oorlog deed: de volkse, Dietse eigenheid en zelfstandigheid verkondigen, tegen het Duitse imperialisme in. Moens was wel blij dat de Oostfrontstrijders Rusland binnenvielen om het communisme te bestrijden, maar sympathie voor de Führer heeft hij niet gehad. Dat hij o.a. niet bereid was tot anti-Belgische propaganda, noch een reportage over de Hitlerjugend Flandern - "zo'n jeugdbeweging had Vlaanderen niet nodig" - werd hem door de bezetter kwalijk genomen. Hij schreef, naar de leuze van de SS "Meine Ehre heisst Treue", aan de Duitse bevelhebber te Brussel, "Mijn eer heet trouw" aan Vlaanderen en bood op l januari 1944 zijn ontslag aan. Dit zal na de oorlog evenwel niet baten, want op 17 mei 1947 werd Moens door de Krijgsraad te Brussel bij verstek veroordeeld tot "de doodstraf met de kogel" omwille van zijn medewerking aan de Vlaamse Omroep Zender Brussel.

De dichter trok zich dan maar terug in de eenzaamheid van de Putberg te Asse waar hij het autobiografisch gedicht schreef "Het Spoor" (1944), een overzicht en tegelijk een verantwoording van zijn leven. Daarnaast schreef hij nog drie aangrijpende prozawerken: "Brief aan Brueghel" (1943), "Notities uit de nazomer van vierenveertig" (september 1944) en "Ic segh adieu" (1944).

In de "Notities" (1944) leest men hoe hij op 2 september afscheid nam van zijn vrouw en zijn inwonende vader om "aan de haal te moeten gaan voor de mogelijke gevolgen van het eeuwige misverstand!". Wijl hij ondergedoken zat plunderde 'de Witte Brigade' zijn woning, jaagden zijn vrouw op de vlucht en bedreigden zijn vader. Moens besloot niet meer terug te keren "naar zijn dierbare boerenwoning op de Putberg en het Brabantse land eromheen".

6. Banneling in Nederland (1947-1982)

Drie jaar (van september 1944 tot september 1947) leefde hij ondergedoken ergens in Vlaanderen: Berchem-Antwerpen, Brussel, in de streek van Ninove... Uiteindelijk, in de herfst van 1947 geraakte hij in Nederland, dat hem - Brussel drong trouwens niet aan - niet uitleverde aan België. Om in zijn levensonderhoud te voorzien werd hij corrector bij een uitgeverij te Heerlen bij Maastricht en van 1954 tot 1964 was hij leraar Nederlands aan het karmelietencollege te Geleen. Twaalf jaar lang, tot 1967 (hij was toen 69 jaar), was hij er ook directeur van de volksuniversiteit "Carmel".

Van een terugkeer naar Vlaanderen was evenwel geen sprake. Beginselvast en onwrikbaar nationalist als hij was, wees hij in december 1968 nog de hem door de Belgische minister van justitie verleende genade af. Schreef hij niet: "Ik wacht op volledige amnestie; pas dan (als ik nog leef) kom ik terug, eerder niet".

De vrienden uit Vlaanderen, vooral de Dosfels, waren hem in die jaren van vrijwillige verbanning een grote steun. Moens richtte nu zijn aandacht op de uitgave van zijn werk: "Gedichten 1918-1967" en "Proza I" (1969), "Proza II" (1970), "Proza III" en "Proza IV" (1973). Tenslotte stelde Moens in 1974 nog een keuze samen van gedichten uit zijn gehele oeuvre, van "De Boodschap" tot enkele recente, ongebundelde verzen als de "In Memoriam"-gedichten voor zijn in oktober 1968 overleden vrouw.

Op het einde van de jaren '70 betrok de ietwat teruggetrokken Moens te Neerbeek (Ned. Limburg) een sociale woning. Na een aanrijding in 1977 geraakte hij met zijn gezondheid op de sukkel en werd hij eind 1979 definitief opgenomen in het ziekenhuis. Daar stierf hij 5 februari 1982.

7. Besluit

André Demedts schreef in de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging over Wies Moens volgende eindparagraaf: "Hoe verschillend over zijn politieke handelswijze geoordeeld moge worden, zeker is dat Moens in de geschiedenis van onze letterkunde der 20ste eeuw een blijvende plaats inneemt door de bezielende kracht, innerlijke waarachtigheid en taalschoonheid van zijn poëzie". Het gekende vers "Laat me mijn ziel dragen in het gedrang, tussen geringen staan en hun ogen richten..." vat heel het streven - leven en werk - van Wies Moens samen.

(de overige bijdragen van Ludwien Ockeley over Wies Moens - bibliografie, het expressionisme, bespreking van Celbrieven en Vier Bundels - leest U in het Ascanianummer 1 van 1998)


WIES MOENS IN DE JAREN 1938-1944 TE ASSE

door Jaak Ockeley
(uit Ascania-tijdschrift 1998-1)

Toen Wies Moens met zijn vrouw Grietje Tas te Asse, dat toen nog een volkse gemeente met zo'n goede 10.000 inwoners was, op l mei 1938 in de Putberg zijn huis betrok, maakte de gemeente zich klaar voor een scherpe verkiezingsstrijd. Moens schreef daarover in zijn Ic segh adieu: Ik kreeg maar één enkele maal de gelegenheid om de partijpolitiek in het dorp aan 't werk te zien. Het was een afstotend schouwspel. Iets hadden de kleinen met de groten, de meesten onder hen, met elkaar gemeen: de zin voor het zakelijk-batige. De groten waren er geslepen door geworden, de kleinen arglistig. Er was duidelijk een breuk ontstaan tussen de coalitie die bestond uit de groep De Doncker, die in 1932 vijf zetels had behaald, en de Gilde die toen maar vier verkozenen had. De pastoordeken van Asse, de 68-jarige Filip Andriessens, gekend als een sociaal-voelend man, hierin gevolgd door zijn twee onderpastoors: Jozef van der Hasselt (afkomstig uit Bollebeek) en 'Meneer Casteels', had zich wijselijk afzijdig gehouden in de verkiezingsstrijd. Andere geestelijken daarentegen kozen wel partij. Pastoor De Wael van Asse-Terheide bv. was een fervent verdediger van De Gilde en wars van alle Vlaamsgedoe. Kapelaan Frans Robberechts van Asbeek was dan weer een verdediger van de Vlaamse zaak en sympatisant van het V.N.V.

Dat het politieke veld te Asse wel erg verdeeld was, blijkt uit het feit dat op 16 oktober 1938 - de verkiezingen hadden eigenlijk op 9 oktober moeten plaatsgrijpen, maar werden een week uitgesteld nadat op 27 september een gedeeltelijke mobilisatie was afgekondigd - wel zeven lijsten - in 1932 maar vier - deelnamen aan de gemeenteraadsverkiezingen: 1. de Liberalen, 2. het V.N.V., 3. de Gemeentebelangen (de Zjefkes), 4. de Socialisten, 5. de Katholieke Gilde, 6. de Rexisten en 7. de lijst Cautertaverent. Het V.N.V., de liberalen, de rexisten en de lijst Cautertaverent behaalden geen enkele zetel. De Zjefkes behaalden met hun 7 verkozenen de volstrekte meerderheid en konden, o.l.v. de uittredende burgemeester, de populaire vlaamsvoelende geneesheer 'Jefken Doenckers', voortaan zonder de Gilde besturen. De verkiezingsstrijd was vooral in Asse-dorp gevoerd, ofschoon ook in de gehuchten hier en daar heftig propaganda was gevoerd. Zo was de sfeer toen Wies Moens naar Asse verhuisde. Waarom de dichter in 1938 zijn geboortestreek verliet en uitweek naar het heuvelachtige Asse, te midden van "de praal, de weligheid der Brabantse heuvelen" is niet heel duidelijk. Jef Strobbe schreef dat wegens ontgoocheling in het Verdinaso "er een einde kwam aan zijn intens bezig zijn met de mensen van het Dendermondse". Mevr. Britta Currinckx-Bovyn, nicht van Wies Moens, vertelde ons daarover dat haar oom in Sint-Gillis tot maart 1938 in de Koning Albertstraat woonde in het huis dat haar ouders daar hadden gebouwd in 1932. Toen haar vader Meester Marcel Bovyn in 1938 met pensioen ging, moest hij het schoolhuis verlaten en wenste hij zijn eigen huis te betrekken. Daarom moest Wies Moens verhuizen. Na hier en daar gezocht te hebben, 'ontdekte' Moens bij toeval in Asse het huis waar tot in de zomer 1935 de Aalsterse kunstschilder Praet had gewoond. Toen hij Sint-Gillis kon verlaten, noemde Wies Moens dat 'de mooiste dag van zijn leven"! De ontgoocheling t.o.v. 'zijn volk' moet dus wel erg groot geweest zijn.

De witgeschilderde woning die Moens op de Putberg te Asbeek betrok, was eigendom van de familie Augustin De Proft-Van den Cruyce. Huis en tuin hadden respectievelijk een oppervlakte van 3a.30 en 13a., dat is in Assese maat een half dagwand. Moens had er een wijds uitzicht ten Zuid-oosten over de velden op de 'Geertskouter' en hogerop op Koudertaverent en naar het westen toe op het 'Moeilleken' met ten noorden ervan Buda en Krokegem en westwaarts, langsheen de steenweg naar Aalst, op Asse-Terheide. Ten noordoosten werd zijn zicht op Asse-dorp belemmerd door 'kasteel Borchstadt' en over de straat door "t goed van Bernaerts'. De beboste Putberg hinderde zijn zicht op Asbeek.

Het was duidelijk een rustig en wat afgezonderd gelegen 'plek' om te wonen, ideaal voor een mijmerende dichter. Zijn directe buren waren 'Gielen uit 't bos' en Marieken. Verder' 'Meneer de Clippel', bankier en aristocraat, die met zijn dame, zijn dochter en zijn drie zonen Frans sprak. Sinds 1927 was Marcel de Clippele lid van de conservatieve katholieke partij 'De Katholieke Gilde'. Met de kopstukken van de Gilde jonkheer Henri van Innis en dokter Leon Goossens conserveerde hij in de taal van Voltaire, met de mensen uit zijn omgeving sprak hij zijn Aalsters dialect. Marcel de Clippele, oud-strijder van 14-18 was niet direct vlaamsgezind, eerder belgicist, maar zeker ook niet anti-vlaams, maar wars van alle onrecht. Moens heeft achteraf op hem nog kunnen rekenen.

In 't goed van Bernaerts woonden die 'van Vain', een familie van industriëlen die met de Assenaars weinig connectie hadden, 't Kasteel van de Putberg was eigendom van zekere De Ruyter, die het echter niet bewoonde, maar het gebruikte als buitengoed. In het tuinhuis woonde de Westvlaamse familie Pomme die het goed onderhielden. Beneden aan de Putberg had ge die van 'Miëtes' (Meert), die eigenlijk Van der Hasselt noemden, dikke boeren, en een beetje hoger op langs de beek 'dei van Luppekes', ook gekend als de familie De Pauw. Verder naar Asbeek toe, woonde Pië Stek (Petrus van Vaerenbergh), herbergier-schrijnwerker-winkelier en tuba-speler bij de Katholieke Gilde. Dat waren zo wat de dichtste geburen van Wies Moens.

Was Wies Moens niet zozeer betrokken - we hebben er althans nog geen sporen van gevonden - bij het politiek-maatschappelijk leven te Asse, op het culturele vlak heeft Wies Moens wel enige medewerking verleend. Op 11 juli 1938 voerde hij op de Markt te Asse het woord n.a.v. de Guldensporenviering. In de mobilisatietijd hield hij, ten bate van de gemobiliseerden, te Asbeek een lezing over Sint-Franciscus van Assisi. Hij schreef toen ook, op verzoek van kapelaan Frans Robberechts, brieven naar de soldaten. Bij de eerste tentoonstelling van kunstschilder Karel de Bauw in het belfort te Aalst sprak hij er de openingsrede uit op kerstavond 1939. In april 1940 werkte hij te Asse mee aan een kunsttentoonstelling georgani-zeerd door het Davidsfonds en sprak er over "Kunst en Volk". Hij trad ook in de winter van 1940 op als lesgever aan de avondschool voor werklieden en werklozen die door het Davidsfonds was opgericht. Ook hield hij een voordracht over het "Het Wezen der Volksgemeenschap", eveneens op verzoek van het Davidsfonds. In 1942 sprak hij te Asse, op verzoek van burgemeester Jan van Hoof, bij de plechtige opening van de muziekschool (30). Had 'meneer Moens', zoals zijn omgeving hem noemde, veel contact met het gewone volk? De zondagmis volgde hij in Asbeek bij zijn vriend 'pastoor' Frans Robberechts. In 't weerkeren bleef hij wel eens een babbeltje slaan met 'dei van de meulen' (de familie van Overstraeten) of met 'Mesjeu' (Frans De Smedt) van d'Hoge Kamer of met 'n hoeilleman' (Frans van Gucht) of met schrijnwerker 'Tuur va Lee' (Arthur Verhertbrugghen). Moens had er in die jaren wel een aantal goede vrienden, gelijkgezinden, rondom hem geschaard. We denken bv. aan 'pastoor' Frans Robberechts van Asbeek en Eugeen Courtois, de zoon van de gemeentesecretaris met wie Moens vaak een babbel deed over 'Dietsland, het Verdinaso, het V.N.V., de nationale politiek, enz., aan kunstschilder Karel de Bauw en Josephine, zijn 'pienter vrouwtje die zo trots was op haar huisinrichting, haar tuin en haar bloemen', aan boer Jan Heymans, 'een verstandig man' die door de dichter werd bewonderd toen hij het Wetsbeekveld ploegde en zaaide en die bij Moens wel eens 'patatten leverde', aan meester Frans Berlanger met wie hij het had over cultuur en volkstoneel, aan Pië Stek, winkelier-herbergier "In den Tuba" te Asbeek, bij wie Moens en Grietje hun kruidenierswaren kochten of aan burgemeester Jefken De Doncker, Moens' huisarts voor kleine kwalen. De Assenaar stond ver af van Moens, een zeer geleerd man die veel boeken bezat, boeken en gedichten schreef, die voordrachten hield, die mooi 'op de letter' sprak. Daar keek de Assenaar met ontzag naar op, daarvoor nam hij zijn 'moeitsj' af, die liet men voorgaan en groette men met 'Dag meneer'. En dan kwam de oorlog. Die was enigszins verwacht. Soldaten waren al een paar keer gemobiliseerd geweest, met name in september 1938 en van augustus 1939 tot januari 1940, maar tenslotte toch weer naar huis gestuurd.

De 10de mei 1940, toen de oorlog uitbrak, was Wies Moens met zijn vrouw rustig thuis gebleven. De Belgische overheid had hem, ofschoon genoteerd op de lijst der 'verdachten', niet opgepakt. Volgens Verstraete was dit te wijten aan het feit dat Moens "nog altijd ingeschreven stond als verblijvende te Sint-Gillis-bij-Dendermonde". Het zou dus door een administratieve vergissing zijn geweest dat Moens is ontsnapt aan de maatregel van de administrateur-generaal van de Openbare Veiligheid Robert de Foy. Anderen menen te weten dat de Vlaamsvoelende burgemeester Jozef de Doncker was ondergedoken of zoals zijn politiecommissaris Arthur Ketelle op de vlucht was voor de Duitsers. Maar Ketelle is met o.a. Pol Meert, 'de commander van de brandweer' maar gaan lopen de 14de of de 15de mei toen de Duitsers Brussel naderden. Op 10 mei bij het uitbreken van de oorlog waren de heren nog ter plaatse. Misschien was de 'gendarmerie' ook gemobiliseerd of had zij het bevel tot aanhouding niet ontvangen of had de Vlaamsvoelende burgemeester het bevel tot aanhouding misschien niet doorgegeven en is Moens, die als gewezen activist verdacht werd tot de Vijfde colonne te behoren, daardoor aan de jacht op de Vlaamsgezinden ontsnapt. De juiste toedracht is waarschijnlijk niet meer te achterhalen.

Zijn indrukken en ervaringen, zijn bedenkingen over de gebeurtenissen en de houding van de mensen rondom hem tijdens de mei- en juni-dagen van 1940 schreef Moens neer in "Dertig Dagen Oorlog" (1940). Ook Julie van Beneden, de moeder van René Mattens, schreef hierover in haar dagboek. Anderen hebben later hun oorlogsherinneringen genoteerd.

Tweemaal was er reeds alarm geweest. Op 10 mei 1940, om vijf uur 's morgens, werd Asse wakkergeschud door 'een geweldig gesnor en geronk' van Duitse vliegtuigen die heel laag overvlogen. Op de middag kwamen hier reeds Engelse soldaten door die de weg naar Dendermonde kozen. Rond zeven uur 's avonds bombardeerden 32 Duitse vliegtuigen de Zeeberg-brug te Aalst, maar misten hun doel. De volgende dag trokken hier Franse en Duitse soldaten voorbij. Op 12 mei werd door de Engelsen een Duits vliegtuig neergeschoten. De inzittenden 'vier jonge mannen van 18 a 22 jaar', redden zich met hun valscherm maar werden door de Engelsen opgepakt. Eén parachutist heeft men niet gevonden. In de valavond betrokken Belgische militairen het leegstaand kasteel van de Putberg. Drie dagen lang, van 13 tot 15 mei 1940, passeerden, per fiets of te voet, talrijke vluchtelingen door Asse. Aan Wies Moens werd toen verteld dat hij sterk verdacht was omdat hij naar vliegtuigen zou geseind hebben. 16 mei, na de noen, viel er een Duitse bom in Asse aan 't gemeenteplein voor een leegstaand huis. Eén Engelse soldaat en acht burgers werden gedood. Twee bommen kwamen terecht in een open veld en een andere "dwars door 't huis door den kelder (bij Bultjen op de Kalkoven) zonder te ontploffen". Moens verliet toen zijn huis en ging schuilen in de gemeenteschool van Asbeek waar hij zich ontfermde over de vrouw en de kinderen van meester Frans Berlanger die ook op de vlucht was. Rond 17 mei hoorde men te Asse de invaller naderen. 'Dof geratel diep in de richting van Vilvoorde. Helle knallen, kort en onrustwekkend. Geratel en knallen accentueerden de stilte. Stilte voor de storm die uit het oosten kwam aanrollen. Iedereen bleef binnen. De laatste vluchtelingen uit Limburg of Wallonië waren reeds veilig (hoe veilig?) de Dender over.

De 18de mei. "De Duitsers zijn in Asse", eerst één op de fiets, dan tien, twintig soldaten, vervolgens 'een tankwagen zoals we er nog geen gezien hadden, groene wagen met zwart kruis op witten grond', daarna geschut, auto's, motorfietsen en tenslotte ook ruiters. 'Voor de middag hoorden we schieten, mitrailjeuzen of geweren' te Asse aan 't station en langs Mollem'. Daar tegen het kasteel van Delvaux, in de weilanden, reden 'lijk reusachtige mieren' zes, of waren het er tien, Engelse en Duitse tanks weg en weer, naast elkaar, doorheen mekaar'. De Engelsen hielden de Duitsers op en de Duitsers dreven de Engelsen weg. De bedoeling was dat de Engelse achterhoede zonder beschoten te worden over de Dender zou geraken. Aan het station en in de Weversstraat werden twee Engelse tanks uitgeschakeld. Een Duitse soldaat maakte hiervan een film. 'In het hofje voor het gemeentehuis werd een Duitse luitenant begraven, drieëntwintig jaar oud, zo stond te lezen 'op het withouten kruis'. Zeven, of waren het er negen, Engelsen kregen een graf op het kerkhof. Zij 'die tot plicht hadden ... om de bevolking te beschermen ... gingen het eerst aan de haal': politiecommissaris Arthur Ketelle, de veldwachter Frans Jacobs, de commandant van de brandweer Pol Meert en de 'chef' van de burgerwacht. Burgemeester Jozef de Doncker had zich 'meer dan 'n week' niet meer laten zien. Ondergedoken of op de vlucht? Ook bij Moens' vriend 'de schilder' Karel de Bauw was de rol naar beneden; hij was met zijn vrouw en nog zovele anderen in Asse, op de vlucht geslagen, 'diep in Frankrijk'. Zondag 19 mei 1940 was er nergens klokgelui te horen. Pastoor Robberechts las in Asbeek mis met gesloten deuren. Moens noteerde hoe vlug ook de Assenaar van houding wisselde. 'Toen de Britten twee dagen in het land waren' sympathiseerde iedereen met hen, 'nu de Duitsers één dag hier zijn' vertelde men niets dan goed over hen. 'Zij waren vriendelijk, gaven sigaretten aan de mannen en chocolade aan de kinderen' en kochten massaal koffie op, product dat in Duitsland sinds lang op de bon was of niet meer te krijgen. De 23 mei reeds de tram weer tot Brussel. Over het kanaal geraakte hij niet want de Britten hadden de brug opgeblazen. De Duitsers ruimden het puin op en legden noodbruggen aan. Ook de Brusselaars waren 'kazakkeerders'. Gisteren nog vlam en vuur voor 'nos chers alliés' en nu al netjes in het Duits: "Bitte schön" en "Danke sehr!". Vluchtelingen keerden al terug uit Frankrijk waar ze niet welkom waren geweest - "Pas de nourriture pour les Belges!" - of uitgescholden werden voor "Sales Boches".

Pastoor Robberechts had het goed gezien: van de oorlog kreeg men in Asbeek van dan af haast niets meer te zien. Slechts nu en dan een eskader Duitse vliegtuigen, die koers naar de kust zetten. In het dorp stonden op twee, drie belangrijke kruispunten Duitse soldaten, waarvan er één het verkeer regelde. Verder was er haast geen "Feldgrau" te bespeuren. Enkele boeren leverden op 't gemeentehuis hun tweeloop in omdat dit bij "Verordnung" was bevolen. Verder niets!

28 mei. Wapenstilstand! Reeds de volgende dag reden in het Asse-dorp "zonder ophouden vrachtwagens, volgepropt met Belgische soldaten en burgers, voorbij. De terugtocht van leger en vluchtelingen was begonnen. Ook de tram puilde uit van mensen aan alle kanten en zijden". Veel soldaten hadden zich losgemaakt uit de colonne waarmee zij op stap waren, of zich van de wagens laten glijden waarmee zij werden vervoerd. Uit angst om door de Duitsers te worden opgepakt, trokken zij "door de velden, langs sloten en weiden van gehucht tot gehucht, en van dorp tot dorp" en vervolgden zij "hun tocht over de heuvelen van Brabant". Die terugtocht "naar hun haardstede" duurde meerdere dagen. Asbeek was ongerust omdat de gemobiliseerden vrij lang wegbleven.

Al was de oorlog nog wel niet voorbij, van oorlogsgeweld bleef Asse verder gespaard. Moens schreef: "Waar ik te schrijven zit, is hij voorbijgegaan zonder andere sporen achter te laten dan een paar holen in de grond, die tot schuilplaats hebben gediend voor Belgische en Engelse soldaten, een gat hier en daar in een haag, een afgereden grachtkant. Afgezien van deze kleine wonden, heeft hij het land ongerept gelaten. Koesterend gaat mijn blik over de glooiende velden - met daar midden in: wuivende bosjes en stille hoeven - tot aan de kim, waar een kerktorentje en een wit molenlijf (te Asse-Terheide) oprijzen, twee stenen tekens, waarvan het ene naar God wijst en het andere naar de vruchtbaarheid der aarde. Ik hoef niet opnieuw te belijden, hoezeer ik dit stuk land heb lief gekregen... het stuk land waar ik met mijn vrouw bevrijd ben gebleven van oorlogsgeweld en andere kwaden...". Het leven kon zijn 'normale' gang hernemen, maar hoe? Over het dagdagelijkse leven tijdens de Tweede Wereldoorlog te Asse is nog geen grondig historisch onderzoek gedaan. Wat hieronder volgt zijn slechts een paar aanwijzingen.

Na 28 mei kwam het land in handen van een militair bestuur o.l.v. generaal Alexander von Falkenhausen die werd bijgestaan door een Kommandostab, voor militaire zaken en de Verwaltungsstab, die instond voor burgerlijke aangelegenheden. De Verördnungen door de bezetter uitgevaardigd, werden in Asse gecontroleerd door de Feldcommandatur Assche onder leiding van Ober-Feldwebel Klopfer. Diens kantoor was gevestigd aan het Gemeenteplein in het voormalige kantoor der belastingen, nu het immobiliënkantoor Van Nieuwenhuysen.
In april 1941 schorsten de Duitsers de gemeenteraad, het schepencollege kreeg voortaan alle wetgevende en uitvoerende macht op gemeentelijk vlak. Door haar op 7 maart 1941 uitgevaardigde Ueber-alterungsverordnung dwong zij bovendien alle burgemeesters en schepenen die de leeftijd van 60 jaar hadden bereikt, ontslag te nemen. Als gevolg hiervan werd Jan van Hoof, een ingeweken Lierenaar, op 12 mei 1942 - burgemeester Jozef De Doncker was 29 januari 1942 60 jaar oud geworden - door de Secretaris-Generaal van Binnenlandse Zaken Gerard Romsée tot burgemeester aangesteld. Schepenen waren toen Remi van Roy ('Remie van Boerkes uit Asbeek'), Neelen van Haute (uit Walfergem) en Louis de Neef ('n Neif' uit Katerveirent).

Vanaf half juli 1940 werd door de Vlaamse Omroep Zender Brussel een beroep gedaan op Wies Moens. Eerst hield hij er radiolezingen en schreef hij teksten. In april 1941 kreeg hij de leiding van de gesproken uitzendingen van de Vlaamse Omroep en in januari 1942 werd hij tot "Algemeen Leider" benoemd. Had hij deze taak met geestdrift aangenomen - hij had gemeend zijn ideeën over de "Dietse volksstaat" hierdoor nog beter te kunnen bekend maken -, maar weldra moest hij ondervinden dat tegenkanting, o.a. van De Vlag en de SS-Vlaanderen en de Duitse censuur hem dwarsboomden. Toen eind december 1943 Wies Moens gevraagd werd voor de VOZB een reportage uit te zenden over de Hitlerjugend Flandern, bood hij de Hauptmann, die commissaris-administrateur van het N.I.R.-I.N.R. was, zijn ontslag aan. Toch zal hij om zijn medewerking aan de Vlaamse Omroep op 17 mei 1947 door de Krijgsraad te Brussel veroordeeld worden tot "de doodstraf met den kogel". (zie M. DE GOEYSE, 'Direkteur van de Vlaamse Omroep Zender Brussel', in E. VERSTRAETE, o.c., p. 207-210.)

Als man van de radio moest Moens dagelijks naar Brussel reizen. Men zag hem 's morgens, gekleed met hoed en regenjas, te voet optrekken tot aan de Kalkoven, waar hij 'den tram' nam tot Brussel. Dat beeld verdween na zijn ontslag uit de straat. 'Werkloos' wijdde de dichter zich dan maar aan wat later het hoogtepunt in zijn dichtwerk is gaan heten: het lyrisch-epische Het Spoor, een gebald levensverhaal in twintig gedichten van elk twintig verzen, een soort ballade over zijn "levensspoor".

Op 14 maart 1943 namen Wies Moens en Greetje een dienstmeid in huis met name Rachel Schepens uit Kalken, toen 16 jaar oud. Het was blijkbaar meer een daad van liefdadigheid dan wel van noodzaak. Het meisje bleef maar tot 18 september 1943 toen zij naar Laken ging wonen. In april 1944 kwam dan zijn oude vader bij hem inwonen. Iedere dag, tenminste als het weer het toeliet, maakten zij een wandeling langs 't Moeilleken over d'Heilsborre naar Asbeek en terug.

Eind augustus 1944 bezocht Wies Moens zijn buurman Meneer de Clippele - Moens noemt hem een goede kennis, een eerlijk man, die nooit zijn nationalistische overtuiging gedeeld had, maar die overtuiging ook nooit verketterde - die hem de raad gaf voor een paar weken onder te duiken om te ontsnappen aan de uitspattingen van het 'kleine volk'.
 
Wat in de nacht van 2 op 3 september 1944 op de Putberg is gebeurd, beschreef Wies Moens in zijn Notities uit de nazomer van vierenveertig. "Een tiental dorpelingen (in kennelijke staat!) zijn 's nachts onze woning binnengevallen. Zij hebben er alles stukgeslagen wat hun onder de handen viel; hebben mijn vrouw op de vlucht gejaagd, mijn oude vader met de dood bedreigd en... de weg vrij gemaakt voor plundering en roof".

De aanvoerder was 'eene van de Schipper', een werkloze die voor '40 voor Moens af en toe een karwei had mogen opknappen. Wie had hem daartoe aangezet? Moens was er van overtuigd dat het was geschied "op aanstoking van "derden". Was dat "de floeren hoed" (De Greef), die daar achter zat of had Rie van Rikskes (Henri van Ginderachter) daartoe aangezet? Nog de volgende dag was "een man met een witte band om de arm, en gewapend met een geweer, naar mij komen zoeken. Indien ik probeerde weg te lopen, had hij de opdracht mij neer te schieten". Dat men, ook al tijdens de oorlog, gepoogd had Moens neer te schieten, weet ook Karel de Bauw te vertellen. Toen Miel van de Sjiek, Karel's vader, op 6 april 1947 stierf, kwam Rie van Rikskes de familie condoleren. "Sjarel, zei Mijnheer Henri, dat ik vele jaren gezwegen heb maar nu uw vader, mijn naarste dagelijkse vriend, gestorven is, moet ik het u zeggen. Gij hebt uw leven aan mij te danken. In het laatste oorlogsjaar had ik mijn mannen bevel gegeven Wies Moens te gaan afschieten. Twee trokken er met een geweer op los. Op een late avond, in den donkeren. Op een bepaald ogenblik stonden zij op de Putberg voor het huis van Wies Moens. Zij zagen hem doorheen het raam zitten... maar ze keerden terug en zeiden mij: "Mijnheer Henri, er zit iemand naast hem". "Schiet ze dan alle twee af!". "Ja, maar...". "Wie is daan anderen misschien?". "Sjalen van Miel van de Sjiek!". "Oh! Niet schieten". Zo werd het leven én van Wies Moens én van Karel de Bauw gered.

Zaterdag 2 september 1944 zegde Moens "Adieu, heuvelen en dalen van Brabant". Er klonk daarin geen verlangen om ze terug te zien hoe lief ze hem in de loop van vijf jaar ook geworden waren. Het kleine volk deed inderdaad "domme dingen". Zijn vrouw en zijn vader bleven achter. Toen 'de Witte brigade' het huis binnenbrak moest Grietje, half gekleed, de vlucht nemen door het veld. Vader Chalen Moens bleef en weerde zich. "Gewelddadig van links naar rechts geduwd", zag hij de dingen waaraan Moens met hart en ziel gehecht was, onder zijn ogen tot gruizelementen slaan. Hij zag de woestelingen de vlam steken aan zijn zoons boeken, en viel op z'n knieën... Het mocht niet baten. Moens was nergens te vinden, was gevlucht en ontsnapte zo aan 'de cirque' op het Gemeenteplein en de opsluiting in "den abri".

De volgende dag stapelde vader Moens de geredde boeken opeen en probeerde hij hier en daar de boel op te lappen. Ziek en verslagen zat Grietje in het ontredderde huis. Na enkele dagen begonnen de dieven elkaar te verklikken. Een en ander, 'n paar grote stukken, keerde terug, maar veel was en bleef verloren. Mevrouw Moens en haar schoonvader besloten dan maar te verhuizen. Officieel was dat op 8 november 1944. Zij trokken naar Mortsel, naar de Vredebaan 9.

Boeken van Moens werden voorlopig ondergebracht bij Bert van den Broeck in Opwijk, glijswerk bij "Meneer de Clippele", de hond Teil kreeg onderdak bij Pië Stek.

Zondag 3 september 1944 in de voormiddag arriveerde Moens, hij had de weg afgelegd met de fiets van Asse naar Berchem (Antwerpen), op het Pulhof waar hij tot eind november ondergedoken bleef bij Arthur de Bruyne. Hij kreeg er regelmatig bezoek van Grietje, zijn vrouw, pater Van Opdenbosch, pater Stracke, dr. Daniël Merlevede en van Hector de Bruijne, ook ondergedoken. Eind november 1944 voelde hij zich in Berchem niet meer veilig en trok dan in bij Paul Malfliet. Begin december 1946 was hij terug in de St.-Hubertusstraat te Berchem; begin 1947 verhuisde hij naar de Gaucheretstraat te Brussel bij zijn vrouw. Eind 1947, of was het begin 1948, is Moens uitgeweken naar Nederland. Daar is hij 5 februari 1982 overleden in het Limburgse Geleen.

Jaak Ockeley

(voor bronvermeldingen: zie tijdschrift Ascania nummer 1 van 1998, p. 42 tot 52)