Documenten‎ > ‎Namen in Asse‎ > ‎

Pastoors te Kobbegem


door Joris Spanhove
(uit Ascania-tijdschrift 1986-2)

De geschiedenis van een parochie wordt sterk bepaald door de opeenvolgende pastoors. Ze zijn de hoofdacteurs van het parochiale leven en drukken 20 hun stempel op hun ambtstermijn. Hun leven en werk vormt de ruggengraat van de parochiale geschiedenis. Ze dopen het kind, ze zetten met het vormsel de jonge mens op weg naar de volwassenheid. Ze leggen de handen van man en vrouw in elkaar voor een verbond voor het leven. Ze staan de mens bij in zijn tocht naar de eeuwigheid.

Zo laten we hier een reeks namen defileren, die in Gods kerk geroepen werden om naar het voorbeeld van Christus pastoor of goede herder te zijn, die de namen van hun mensen kennen, er zich voor inzetten, hun leven ten dienste stellen. Ze aanvaardden hierbij zichzelf de warmte van een eigen gezin te ontzeggen, zodat ze als pastoor van niemand zijn en voor allen kunnen zijn. Zulke opdracht en opgave vormt een hele levensgeschiedenis, omdat toch elke priester als mens ook moet zeggen met Paulus : "Heer, ik zie wel het goede maar zo vaak doe ik het verkeerde".

Voor dit brok geschiedenis steunen we op het handschrift van de priesterconferenties, die in 1622 door de pastoor van Asse, tevens landdeken van Aalst, Hendrik Calenus, in het leven werden geroepen. De pastoors van Kobbegem waren lid van die conferenties. De secretaris schreef bij de dood van een confrater een korte levensschets in dit handboek. We konden deze gegevens vergelijken met het boek van P.J. Goetschakkx over de pastoors van het bisdom Mechelen en met het werk van J. De Brouwer over de kerkelijke geschiedenis van het land van Aalst. De jaarlijkse dekanale verslagen over de parochies, de aantekeningen van een Kobbegems notitieboek, de parochiale registers en de grafstenen in de kerk van Kobbegem lieten ons toe deze gegevens aan te vullen.

Uit het leven van deze pastoors blijkt, dat Kobbegem en Bollebeek minstens drie eeuwen dezelfde herder hadden. In Kobbegem droeg hij gewoonlijk de naam van pastoor, in Bollebeek deze van deservitor of bedienaar.

DE OUDSTE NAMEN
 
De geschiedenis van de parochie Kobbegem begint in de 9de eeuw. Dan werd nabij de versterkte torenhoeve een villakerkje gebouwd, gewijd aan St.-Gorik. Deze bisschop van Kamerijk-Atrecht missioneerde rond 600 onze streken. Hij werd de apostel van Brabant. Op een eilandje van de Zenne liet hij een eerste bedehuis bouwen, hieruit groeide de nu verdwenen hofkerk en daarrond ontwikkelde zich de stad Brussel. Waarschijnlijk heeft Sint Gorik dan ook Asse bezocht, dat met zijn Romeins verleden voor Brussel de hoofdstad was van de gouw Brabant. Zeker is echter, dat nabij de burcht van de Torenhoeve in de 9de eeuw een villakerkje werd gebouwd. Dit bedehuis had het in de loop van de tijden zwaar te verduren. Gelegen nabij een tot vesting uitgebouwd domein, deelde het ook in het wel en wee van die burcht en werd het herhaaldelijk belegerd, bestormd en verwoest.
 
Hieruit ontstond de nood aan een veiliger plaats voor een vicus- of dorpskerk. Men vond die op een hoger gelegen plaats, een kleine kilometer van de Torenhoeve, Rond 1325 bouwde men daar een kapel ter ere van Maria Magdalena. Hieruit groeide de huidige parochiekerk. De Sint-Gorikskerk en de Magdalenakapel bleven meer dan 250 jaar naast elkaar bestaan. De Sint-Gorikskerk werd naar het einde van de 16de eeuw, gelijk een dekanaal verslag van 1608 vertelt, totaal vernield en uitgebrand.
 
We kunnen uit enkele documenten een paar namen van pastoors uit deze vroege periode. De voornaamste bron is een dekanaal verslag van 1525, waarin nog volop sprake is van een Sint-Gorikskerk en Magdalenakapel.
 
JOANNES VAN KOBBEGEM
 
Hij wordt vermeld als pastoor in 1273, wanneer Margareta, vrouw van Cosuinus De Boe, een deel van haar goederen aan de kerk schonk.
 
THOMAS VAN BRUYSSEGHEM
 
Hij wordt vermeld in 1474 als pastoor, wanneer hij als getuige optreed in een akkoord tussen de Magdalenakerk en de Sint-Gorikskerk.
 
BALDUINUS VAN DRIEGHEM
 
Hij wordt vermeld in een verslag aan het bisdom als degene, die de titel droeg van pastoor van de Magdalenakerk. Hij oefende echter de dienst niet uit en verbleef niet in Kobbegem. Dit verslag dateert van 1525.
 
EGIED DE WINTERE
 
Hij wordt in het verslag van 1525 de werkelijke bedienaar van Kobbegem genoemd, die in de plaats van Balduinus Drieghem de parochie bediende en daarvoor door Drieghem werd vergoed. We weten, dat hij de bekende kist of koffer op de zolder van de kerk van Kobbegem liet herstellen. Deze kist dateert uit de jaren 1400. Het is te hopen dat deze kist nu opnieuw hersteld zou worden en een ereplaats zou krijgen nabij de doopvont.
 
ADRIANUS VAN BARLANT
 
Deze priester was verplicht iedere week 4 missen op te dragen in de St.-Gorikskerk. Hij was de kapelaan van deze stichting van missen, die tot op de huidige dag nog jaarlijks tot een aantal missen verplicht. Misschien noemt men dit nu de "Stichting Van Der Noot", Deze priester bezat een woning in Kobbegem. Hij verbleef er echter niet en liet de missen opdragen door een plaatsvervanger.
 
KAREL DE COTEREAU
 
Hij wordt vermeld als kapelaan van St.-Gorikskerk in 1487. Hij was een familielid van de bekende stam de Cotereau, heren van Asse en Kobbegem. In zijn verslag van 1608 stipt landdeken Jan Bernaerts tevens pastoor van Hekelgem aan, dat de stenen van de oude vernielde Sint-Gorikskerk met toestemming van het bisdom voor 40 gulden werden verkocht. In 1617 vermeldt landdeken Hendrik Calenus, tevens pastoor van Asse, dat op de plaats van de oude kerk op last van het bisdom een ijzeren kruis werd opgericht. Nu nog bij graafwerken stoot men op dit terrein op beenderen van het vroegere kerkhof. Een verwaarloosd Sint-Gorikskapelletje zonder beeld op de rand van dit kerkhof herinnert nog aan dit verleden. Er bestaan plannen om deze relikwie van het oude Kobbegem weer in ete te herstellen. Ondertussen vond St.-Gorik als tweede patroon onderdak in de Magdalenakerk.
 
 
DE PASTOORS VAN DE 17de EEUW
 
De 16de eeuw was een beroerde tijd: de opkomst van het protestantisme, de strijd tegen Spanje maakten van deze eeuw een tijdperk van blijvende strijd en oorlog. Het concilie van Trente trachtte hierbij orde te scheppen in de kerk maar het duurde tot het einde van deze eeuw vooraleer de kerk haar ontreddering te boven kwam. Vele parochies waren zonder priester. Zo kreeg Kobbegem rond 1590 als bedienaar de pastoor van Mollem.
 
ADRIAAN DE NAYERE
 
Hij was pastoor van Mollem maar hij moest tegelijkertijd zorgen voor de bediening van Bollebeek en Kobbegem. We vinden hem zo reeds in 1590 vermeld. Hij zal die dienst waarnemen tot 1604. Waar hij hulp kon vinden bij die zware opdracht, werd wel eens op een of andere beschikbare priester beroep gedaan, ïn de dekanale verslagen verschijnt pastoor de Nayere als een hoogstaand priester. Over zijn leven, gedragingen, omgang hoort de deken bij de parochianen geen enkele klacht. Hij bezoekt de mensen regelmatig. Hij is vooral in de weer voor de zieken en bezorgt hen op tijd de H. Sacramenten. Kobbegem wordt beschreven als een voorbeeldige parochie. Allen hielden hun Pasen, op zon- en feestdagen bleef niemand uit de kerk. Men vond er geen echtbrekers, ontuchtigaards, openbare zondaars. Ketters of schismatieken waren er niet bekend. Opmerkelijk de vermelding in een verslag van 1600, dat vele mensen door de duivel bezeten heil en genezing zochten in Kobbegem bij de H. Maria Magdalena.
 
Pastoor de Nayere vond in Kobbegem een door oorlogsgeweld toegetakelde kerk. De dekanale verslagen van 1599 spreken van materiaal dat voor herstel werd aangebracht. In 1601 wordt de kerk beschreven als hersteld. Lovend schrijft de deken, dat de H. Eucharistie, de H. Oliën, het doopwater weerom deftig worden bewaard. Men beschikte nog over geen doopvont. Het doopwater werd in een nette gedekte schaal bewaard. De kerk beschikte over geen relikwieën meer. De heiligenbeelden waren deftig. In 1598 beschikte men over geen schooltje. Kinderen die wilden onderwezen worden, gingen naar een school te Asse, opgericht door pastoor Van Berck. In 1601 echter probeerde de koster wat kinderen rond zich te verzamelen om hen onderricht te geven. Het moet een uitzonderlijke koster geweest zijn, want de deken beschrijft hem als een beste wijze man, voorbeeldig, bezorgd voor de kerk en altijd op post. Ook de kerkmeesters waren brave katholieke lui, maar, zegt de deken, slordig bij het innen van de kerkgelden en in het jaarlijks voorleggen van hun gebrekkige rekeningen.
 
FILIP VAN ROUBERGHE
 
Adriaan De Nayere bediende Kobbegem van 1590 tot 1604. Waarschijnlijk was de taak Mollem, Bollebeek, Kobbegem samen te bedienen in bepaalde jaren te zwaar. Zo vinden we in 1592-93 Filip Van Rouberghe, pastoor van Wemmei, als bedienaar van Kobbegem geciteerd.
 
PETRUS BUGGENHOUT
 
In 1594 sprong een oudere priester, Petrus Buggenhout, in voor pastoor De Nayere. Dit is een wonder figuur in de pastoorslijst. Hij stamde uit Asse. Hij had een woonst in de Weversstraat, waarvoor hij jaarlijks aan het gasthuis een cijns diende te betalen. Zo vinden we zijn naam vaak geciteerd in de oude gasthuisrekeningen. Hij was een verre neef van de toenmalige pastoor van Asse, Egied Buggenhout. Hij oefende in Asse als priester bijfuncties uit. Hij droeg de titel niet van onderpastoor maar hij kreeg de verantwoordelijkheid om gestichte missen in het gasthuis van Asse te celebreren. Ook in de kapel van Asse ter Heide bestond dan een kapelanij of stichting van missen ter ere van Onze Lieve Vrouw. Ook daar las hij wekelijks een paar missen. Hij was een mislezer en "stoplap" in geval van nood. Die man kaderde niet gans in de klerikale staat. Hij voelde zich onwennig in toog. Hij was liever een gewone mens, die in broek en kiel met het volk in de herberg kon zitten en een beker bier drinken. Herbergpraat is gewoonlijk geen praat met schietgebeden. Een vette lach en een schuine mop, een gewaagde zinspeling naar waardin en dienstmeid zijn er niet zeldzaam.
 
Zo verloor Petrus zijn goede naam bij deftige burgers. De kerkmeesters namen hun pen en schreven naar het bisdom een brief met beschuldigingen tegen deze mislezer. Hij werd dan ook ernstig vermaand. De diepere grond van zijn priesterschap kwam echter naar boven bij nood van mensen en van parochies. Rond de jaren 1850 werden onze streken aanhoudend geteisterd door oorlogsgeweld. Pastoor Egied Buggenhout sloeg dan met een derde van de Assenaren op de vlucht en stierf in 1582 in de vreemde. Asse bleef dan bijna zonder priester. Nu ontpopte Petrus zich tot een barmhartige Samaritaan. Documenten uit het gasthuis vertellen, hoe hij een zwangere vrouw opraapte, met zijn kruiwagen naar zijn huis in de Weversstraat bracht en haar daar een veertiental dagen kost en inwoon verschafte. Ze bracht bij hem haar kind ter wereld. Ook geen gewone gebeurtenis in een priesterwoonst. Hij riep er Geertrui Van Der Slaghmolen bij, een vrouvrouw gelijk men vroeger een vroedvrouw noemde en betaalde haar 16 stuivers, hij bestelde bij Jan Van Den Wijngaert, winkelier op de plaats van de huidige dekenij, boter, suiker en brood voor 16 stuivers en herbergier Herman Christiaens mocht 11 potten bier leveren voor 13 stuivers.
 
Ook de parochie Asse zonder pastoor sprong hij ter hulp. Met verwondering en bewondering zagen de schepenen, hoe hij zieken bezocht, zorgde voor mis en sakramenteel leven terwijl de deken noteerde, dat Petrus Buggenhout in Asse voor pastoor speelde, omdat men er geen betere vond. In die jaren was Petrus werkelijk een goede herder en let op, zonder er profijt uit te trekken. Hij was zo arm als Job en kende werkelijk armoede. De schepenen en de meier van Asse namen hun pen en schreven over Petrus een lovende brief naar het bisdom en maakten de financiële nood van deze priester bekend... In Asse werd dan een hoogstaande priester Van Berck benoemd. Hij stichtte in Asse een school waar ook kinderen uit Kobbegem klas volgden. Het bisdom ontfermde zich dan over Petrus en in 1594 werd hij vermeld als bedienaar van Kobbegem, die de last van pastoor De Nayere en Filip Van Rouberghe verlichtte. In die dagen werd er alleen op zondag maar één mis gelezen in Kobbegem en Bollebeek, Elke zondag op een van die parochies. Hoelang hij deze bediening waarnam, weten we niet. In het verslag van de deken in 1597 zien we pastoor de Nayere weerom optreden in Kobbegem.
 
Petrus keerde waarschijnlijk naar Asse terug. In 1604 melden de gasthuisrekeningen, dat zijn erfgenamen de cijns op zijn woonst in de Weversstraat betaalden. De deken en kerkmeesters kloegen over die man. De schepenen loofden die man. We laten het oordeel over aan de Barmhartige God.
 
JAN MARISSENS
 
In 1605 vertelt de deken in zijn verslag, dat hij bij zijn bezoek aan Kobbegem Jan Marissens vond, niet als bedienaar maar als echte pastoor van Kobbegem. Hij schudt zijn kop over die priester. Hij begrijpt niet, waarom hij in Kobbegem niet wil blijven. Hij heeft nog zelden een hoogstaander priester ontmoet, schrijft hij lovend. Hij is slechts enige maanden in Kobbegem gebleven en werd in 1606 opgevolgd door Arnold Van Der Goes.
 
ARNOLD VAN DER GOES
 
Wanneer de deken in 1606 Kobbegem bezoekt, ontmoet hij er pastoor Arnold Van Der Goes. Hij is pater Norbertijn, waarschijnlijk een Nederlander want hij trad binnen in de abdij van Middelburg, verhuisde later naar de abdij van Sint-Michiels in Antwerpen. Ook de abdij van Grimbergen komt bij deze priester ter sprake. Rond deze priester ontstonden in Kobbegem spanningen. Daarover horen we weinig de eerste twee jaren. In 1608 breken ze volop uit. Hij beschikte in Kobbegem over een woonst, waarschijnlijk een huis, dat voortkwam uit de goederen van de oude St.-Gorikskapelanij. Ook onder hem is er sprake van bedevaarten naar Maria Magdalena door geestesgestoorden en bezetenen. Tot troost en onthaal voor die mensen opende de pastoor een huis. Onder hem werden in 1608 de oude stenen van de verwoeste Sint-Gorikskerk voor 40 gulden verkocht. Het bisdom twijfelt of dit wel gebeurde met toestemming. Met dit geld werd de Magdalenakerk verder hersteld.
 
Op 6 mei 1608 kwam deken J. Bernaerts, tevens pastoor van Hekelgem, over Bollebeek naar Kobbegem op bezoek. Arnold Van Der Goes had hem daar reeds onthaald met de koster. Over het Ganzenbos werden ze met klokgelui in Kobbegem ontvangen. Kerkmeesters, armmeesters en meier (burgemeester) waren op hun post. De koster van Bollebeek, ook koster in Kobbegem, was ook van de partij. Meier ent koster klopten de deken op de schouder en vroegen een afzonderlijk gesprek. Dit gebeurde in stilte, ongezien. Ze bespraken dan met de deken de gedragingen van hun pastoor. Het moet ernstig geweest zijn. Om geen achterdocht te verwekken bleef de deken enkele dagen in Kobbegem. Zo zou de pastoor geen argwaan kunnen koesteren tegen bepaalde personen. De deken vertelde nu aan de pastoor, wat hij toevallig gehoord had. De pastoor keek verbaasd op en hij wees de voornaamste beschuldigingen als laster af en schreef ze toe aan de nijdigheid van bepaalde parochianen. De deken stelde daarom een verder onderzoek in, ook in Bollebeek. Overal hoorde hij hetzelfde maar, voegt hij er aan toe: "Alles lijkt uit dezelfde bron voort te komen: die van koster en meier".
 
De deken had dan een ernstig gesprek met de pastoor. Hij raadde de pastoor aan voorzichtiger te zijn in die aangelegenheden. Zo de beschuldiging vals was, moest hij alles maar geduldig en offervaardig dragen en vooral er voor zorgen hierin niet te reageren. Uit het verslag van de deken kennen we de aard van de beschuldigingen niet. Het bisdom schrijft echter voor de deken in de rand van het verslag, dat de pastoor de omgang met die vrouw moet vermijden... Wij kunnen niet uitmaken of de aanklacht van koster en meier gerechtvaardigd was of als de pastoor slachtoffer werd van lasterpraatjes. Geraakte hij verbitterd, zette hij het zijn aanklagers betaald, luisterde hij niet naar de raad van de deken. We weten het niet. In alle geval werd hij in 1610 teruggeroepen naar zijn St.-Michielsabdij in Antwerpen.
 
MATHIAS BRANTS
 
In 1610 verschijnt in Kobbegem als pastoor Heer en meester Mathias Brants. Hij stamde uit het Nederlandse Sommeren, Hij droeg een theologische titel. Dat blijkt uit het woord meester of magister. In hem heeft Kobbegem een van zijn meest hoogstaande priesters gekend. Zijn grafsteen berust nog in het koor van de kerk. Het is een van de mooiste zerken van de 16 stenen, die in de kerk liggen. Bovenaan in een medaillon zijn 5 schilden uitgebeiteld in arduin. Wie deze wapens zou kunnen ontleden, zou heel wat te weten komen over de afstamming van deze priester. De tekst van de grafsteen luidt: 'Hier leydt begraven H. ende M. Mathias Brants Van Sommeren 28 jaer pastoor van Cobbegem ende van Bollenbeke houdt 61 jaer die dit leven ende last tsamen verliet den 21 Aug. 1638. Bidt God voor de siel'. Mathias Brants beschikte over geen eigen pastorij. Hij ging samen wonen bij de pastoor van Asse, Hendrik Calenus. Deze pastoor had in zijn huis op de Oude Markt van Asse een vijftal priesters rond zich verzameld. Zijn zuster zorgde voor het huishouden. Pastoor Brants betaalde daar kost en inwoon.
 
In het notitieboek van pastoor Calenus staan meerdere leningen, die hij deed aan pastoor Brants, die dus welstellend leek. In 1622 stichtte pastoor Calenus, dan ook landdeken van het district Aalst, waartoe Asse en Kobbegem behoorden, de eerste priesterconferentie van het land. Maandelijks kwamen deze priesters samen. Ze kregen een geestelijke onderrichting, bespraken hun pastoraal werk en vonden bij elkaar bemoediging en raad. Pastoor Brants werd dadelijk lid van deze conferenties. De priester is door zijn roeping een eenzaam mens. Hij moet zorgen voor elk maar niemand zorgt voor hem. Hij beschikt niet over de warmte van een eigen thuis. Pastoor Calenus voelde dit aan. Daarom omringde hij zich van priesters in eigen huis, richtte hij, eens deken geworden van Aalst, de priesterconferenties in. Zo vormde hij priesterteams, die bij elkaar steun en hulp vonden. Deze priesterconferenties bestaan tot nu toe.
 
Een bewijs van de grote bekwaamheid van pastoor Calenus is wel, dat hij na deken geworden te zijn van Brussel, benoemd werd tot bisschop van Roermond. In Asse was pastoor Brants ene van de intiemste medewerkers van Calenus. De secretaris van de priesterconferenties schreef bij zijn dood een korte levensschets over die man, die op 21 augustus 1638 stierf van de koorts. Hij was dan 61 jaar oud. De secretaris getuigt van hem : ".Hij was een minzaam en menslievend man, gezagvol en geëerd. Hij leefde voorbeeldig en vroom tussen zijn kudde". Een speciale zin in die levensschets trekt sterk de aandacht : "hij was een vermaard duivelbezweerder". Vroeger ontvingen de priesters een kleine wijding van duivelbezweerder. Praktisch oefenden ze nooit die functie uit.
 
In vroegere tijden, bij gebrek aan medische kennis, schreef men vele geestesstoornissen toe aan de werking van de duivel en sprak men van duivelse bezetenheid. De patrones van Kobbegem is de H. Maria Magdalena. Het evangelie van Sint Lucas, 8ste hoofdstuk zegt, dat uit haar 7 duivels werden uitgedreven. Later stond die heilige onder het kruis van de stervende Jezus en was ze de eerste, aan wie Christus verscheen en voor wie ze op de knieën viel en hem noemde "Rabboni - Goede Meester", Het is te begrijpen dat geestesgestoorden, die hun ziekte aan de duivel toeschreven, genezing zochten in Kobbegem bij St.-Magdalena.
 
Verschillende keren in de dekanale verslagen is er sprake van zulke bedevaarten. Pastoor Van Der Goes beschikte zelfs over een huis om ze op te vangen. In de 28 jaar van zijn pastoorschap heeft pastoor Brants honderden van die mensen onthaald, getroost, bemoedigd en gezegend. Velen verlieten Kobbegem verlost en bevrijd door de barmhartige pastoor, die zich over hen ontfermde. Zo vertelt Jan Bernaerts, pastoor van Hekelgem en deken van Aalst, dat hij bij zijn bezoek in 1608 twee vrouwen van zijn parochie, Hekelgem, door de duivel bezeten in Kobbegem aantrof. Een van haar vond hij in de kerk. Een tweede kwam juist aan, toen hij wilde vertrekken. Deze gekwelde mensen bleven gemakkelijk negen dagen in Kobbegem. Dit stelde heel wat problemen van kost en inwoon. De koster beweerde, dat men daarvoor vroeger 10 gulden vroeg. De pastoor vond dit te veel en vooral achtte hij het onbillijk, dat de koster hiervan 5 gulden opstreek. Vermelden we nog, dat deken Calenus in Kobbegem in die jaren 80 personen vond, die hun paasplicht moesten vervullen. In die jaren ging men eerst na de 14 jaar te communie. Dit maakt het mogelijk het aantal inwoners van Kobbegem te schatten.
 
EGIDIUS VAN SCHOONENBERGHE
 
Op 3 september 1638 werd Egidius Van Schoonenberghe benoemd in opvolging van Mathias Brants. Hij werd aangesteld op 1 oktober 1638, Deze pastoor lijkt vooral de zin van de schrift te hebben gekend: we hebben op aarde geen blijvende woonplaats. In 1622 was hij pastoor van Mollem geworden. Hij stamde uit Dendermonde, deed degelijke studies en bekwam de titel van baccalaureus in de godgeleerdheid. Hij vertrok uit Mollem in een soort nederigheid om onderpastoor te worden in de O.L.Vrouwparochie van Laken. Toen Kobbegem in 1638 vrij kwam stelde hij zijn kandidatuur voor dit pastoorschap. Hij schoot geen wortel in Kobbegem. In 1641 verliet hij Kobbegem om plaats te nemen in de rij van de kanunniken van de kerk van Sint-Martinus van Aalst. Hij werd er hoofd van het kapittel. Het zuivere pastorale werk op een parochie lijkt hem niet te hebben gelegen.
 
WILLEM DE PAEPE
 
Deze pastoor was een Assenaar. Hij werd op 29 mei 1638 tot priester gewijd. Een drietal jaren oefende hij priesterwerk uit in Asse. Hij was er bedienaar van de kapelanij van St.-Katarina of van de zielen, die verplichtte tot enkele missen per week. Hij was ook verantwoordelijk voor de diensten in de kapel van Asse ter Heide. Hij was dus een soort onderpastoor in zijn geboortedorp. Op 17 juni 1641 werd hij benoemd tot pastoor van Kobbegem.
 
Het was een bekwame priester en droeg de titel van baccalaureus in de godgeleerdheid. Hij bleef 26 jaar pastoor van Kobbegem en stierf op 29 september 1667 in de ouderdom van 57 jaar. Het boek van de priesterconferenties getuigt van hem, dat hij een zeer gezellig man was, voorbeeldig in zijn omgang en vooral zeer ijverig in het onderrichten van de jeugd. Zijn mooie grafsteen, waarop het schild van de stam De Paepe, berust in het koor van de kerk met volgende inschriften: 'Hier leyt begraven den Eerwerdighen Heer ende Meester Guilielmus De Paepe priester ende pastor van Cobbeghem ende Bollebeck geweest den tyt van 26 jaeren oudt sijnde 57 jaeren ende is overleden den 29 September anno 1667 Biet voor de siel'.
 
Deze pastoor behoorde tot een vooraanstaande Brabantse familie, die in de 14de en 15de eeuw een voorname rol speelde in het politieke leven van Brussel. Zijn schild op de grafsteen spreekt daarover.
 
GASPAR FASSEEL
 
Bij het zoeken naar gegevens over deze priester kan men een glimlach niet onderdrukken. Men vindt zijn naam gespeld: Fasteel, Facseel, Flacseel, Tasseels. We nemen de spelling van de grafsteen, Fasseel. Deze priester, zwak van gezondheid, werd op 20 maart 1666 gewijd. Hij kreeg een lichtere parochie te bedienen te Kobbegem in 1668, Na een voorafgaand examen had deze baccalaureus in de godgeleerdheid deze parochie verkregen. Hij toonde zich in woord en voorbeeld een ware herder. Hij stierf reeds op 27 augustus 1676, In die 8 jaar van zijn herdersambt had hij zich bij zijn parochianen beminnelijk gemaakt. Bij zijn dood was hij amper 39 jaar oud. Hij was een zeer vroom, onderlegd en ijverig priester. Hij sukkelde echter zeer met een zwakke gezondheid. Hij zag hierin echter een vaderlijke schikking van Gods Voorzienigheid. Met groot geduld en christelijke overgave droeg hij ziekte en last. Zijn grafsteen bovenaan getekend met een kelk en onderaan met en doodshoofd berust in het koor van de kerk: "Hier leyt begraven den Eerweerdigen Heer ende Meester Jaspar Fasseel in sijn leven pastor van Cobbeghem ende Bollenbeke oudt 39 jaren die stert den 27 Augustus anno 1676 Bidt voer de Ziele".
 
FREDERIK MERCIER
 
Deze priester is een "tussenloper". Hij werd op 31 augustus 1676 benoemd, niet als pastoor maar als desservitor of bedienaar van Kobbegem, Hij was ook pastoor van Zellik. Hij werkte slechts enkele maanden in Kobbegem.
 
NIKLAAS DESMAREZ
 
Op 4 april verliet Fr. Mercier, pastoor van Zellik en tegelijk bedienaar van Kobbegem, de parochie. Ondertussen was Niklaas Desmares op 20 maart 1677 tot pastoor benoemd. Hij was een Mechelaar. Op 20 september 1664 was hij tot priester gewijd. Hij werd eerst benoemd tot onderpastoor te Merchtem. Begin april 1677 kwam hij naar Kobbegem, Hij legde zijn ambt neer op 31 maart 1694 en keerde terug naar zijn vaderstad, waar hij nog kanunnik werd van de Onze Lieve Vrouwkerk. Hij stierf aldaar op 16 maart 1706.
 
Van pastoor Desmares is vooral bekend, dat hij de eerste pastorij van Kobbegem bouwde op de plaats van de nu vervallen pastorij. Van pastoor Fasseel weten we, dat hij niet beschikte over "huysinghe of wonste". Hij verkreeg van het bisdom een donderdag mis in te leggen. Men las vroeger niet dagelijks de mis in Kobbegem. Deze mis zou 27 gulden per Jaar opbrengen en kon gebruikt worden tot het bouwen van een pastorij. De ziekelijke pastoor Fasseel kon dit plan niet uitwerken. Pastoor Niklaas Desmares bouwde dit "curehuys" op kerkgrond in het begin van zijn pastoorsambt. Hij moest daartoe naast zijn eigen middelen nog 400 gulden lenen aan de kerkkas van Kobbegem en 200 aan de kas van Bollebeek. Zij die het eigendomsrecht van de huidige pastorij van Kobbegem willen bestuderen zullen van dit gegeven moeten vertrekken. Zo begrijpen we, dat pastoor Desmares en zijn opvolgers jaarlijks 28 gulden interest aan Kobbegem en 8 gulden aan Bollebeek moesten betalen.
 
Van het huishouden van de meeste pastoors weten we weinig. Pastoor Desmares echter noteert in het Kobbegems notitieboek: "Op 8 februari 1692 stierf mijn trouwe huishoudster, Agnes Bruyninckx. Ze was omtrent 57 jaar oud. Eerst had ze twintig jaar gediend bij mijn ouders in Mechelen, daarna 14 jaar bij mij in Kobbegem, Het was een vrome vrouw, doordrongen van geloof. Vol overgave legde ze stervend haar leven in Gods hand. Ik liet haar begraven voor het altaar van Onze-Lieve-Vrouw".
 
NIKLAAS NIJS
 
Een kort pastoorschap. Hij werd tot priester gewijd in maart 1692. Hij werd tot pastoor benoemd van Kobbegem op 7 mei 1694. Op een zekere manier verwisselde hij met pastoor Niklaas Desmares. Niklaas Nijs bezat een beneficie, dat jaarlijks 100 gulden opbracht en pastoor Desmares stond zijn pastorij af mits jaarlijkse betaling van 100 gulden gedurende gans zijn leven. Zo betaalden ze elkaar met gesloten beurs. Hij werd door zijn confraters van de dekenij op 5 juli 1694 opgenomen in de priesterconferenties. Na 3 maanden pastoorschap stierf hij op 12 augustus. Deze priester zegende geen enkel huwelijk in, deed geen enkele begrafenis en doopte slechts een kind in mei 1694 namelijk de kleine Martina van Baesrode.

PASTOORS VAN DE 18de EEUW
 
JAN VAN GOIRLE
 
Deze pastoor schrijft in het Kobbegems notitieboek, welk hij aanlegde, dat hij na de dood van pastoor Nijs van af 25 september 1694 de parochie van Kobbegem begon te bedienen. Eerst op 30 mei werd hij na een examen tot pastoor benoemd om in december aangesteld te worden. In 1695 werd hij toegelaten tot de priesterconferenties. Hij bleef 29 jaar pastoor van Kobbegem en stierf na een kortstondige ziekte van een drietal dagen op 17 juli 1724. Hij was dan 55 jaar oud. Hij stond bekend als een hartelijk man en ijverige priester. Hij hield van de luister van Gods huis waarvoor hij kostbare ornamenten aanschafte. Wie de geschiedenis van schilderijen en houtwerk in de kerk van Kobbegem wil nagaan, zal met dit gegeven rekening moeten houden. Zijn huishouden werd verzorgd door zijn zuster Catharina Van Goirle. In het dodenboek van Kobbegem schrijft hij zelf hierover: "Op 9 augustus 1723 stierf mijn goede zuster Catharina om 6 uur in de namiddag: een biddend mens. Ik liet ze begraven voor het altaar van St.-Gorik".
 
Pastoor Van Goirle deed veel voor de versiering van de kerk. Ook de pastorij knapte hij op. Hij noteert, dat huis en hof dan 40 roeden 60 ellen oppervlakte bedroeg. Hij vond de pastorij sterk vervallen, ook door oorlogsgeweld. Honderden gulden besteedde hij aan de reparatie van het huis, de schuur, de stallen. Hij vergrootte de hof in de lengte, hij liet varkenskoten bouwen. Uit zijn relaas blijkt ook, dat er een wal in de hof van de pastorij lag, die hij heeft laten opvullen. Deze pastorij van Kobbegem, die rond 1792 door pastoor de Graux werd afgebroken om op dezelfde plaats de huidige pastorij te bouwen, vraagt en afzonderlijke studie. De naam van pastoor Van Goirle klinkt Nederlands. Wanneer we echter zijn uitgebreid relaas over de reparaties van zijn pastorij lezen staan we verwonderd over de tientallen Brabantse dialect woorden, waarmee hij zijn verhaal doorspekt. Ook de grafsteen van deze pastoor ligt in het koor van de kerk en is versierd met priesterkelk en doodskop in wit marmer. De tekst luidt : 'D.O.M. Memorie van den Eerweerdighen Heer ende Meester Joannes Van Goirle 29 jaeren pastoor van Cobbeghem ende Bollenbeke audt sijnde 55 jaeren sterft den 17 Juli 1724 Bidt voor de Siele'.
 
FRANS VAN DER ELST
 
Deze priester is weerom een "tussenloper". Hij was priester gewijd in december 1722. Hij droeg in Kobbegem niet de titel van pastoor maar alleen deze van voorlopige bedienaar. Onder die titel werd hij benoemd op 19 juli 1724. In 1725 was hij reeds vervangen door pastoor Van Der Beken. Later vinden we hem terug als pastoor van Gijzegem.
 
MARTINUS VAN DER BEKEN
 
Deze priester stamde uit Dessel. Zijn wijding dateert van 24 september 1707. Hij was te voren pastoor geweest in Korbeek-Dijle. Hij werd tot pastoor van Kobbegem benoemd op 22 mei 1725. Hij zou het maar twee jaar blijven want hij stierf op 18 juli 1727. Een kleine grafsteen van hem berust in het koor met het Latijnse opschrift: 'D.O.M. Hic jacet R.D. Martinas Van Der Beken pastor hujus parochiae. Precare ut requiescat in pace'. (Vertaling: hier ligt E.H. Martinus Van Der Beken, pastoor van deze parochie. Bidt opdat hij in vrede rust).
 
NIKLAAS VAN DEN EYNDE
 
Weerom een voorlopig bedienaar. Hij was in mei 1720 tot priester gewijd en op 19 juli 1727 werd hij aangeduid om Kobbegem voorlopig te bedienen. Hij verbleef geen jaar in Kobbegem.
 
ANTOON JANSSENS
 
Deze pastoor stamde uit Erpe en werd in september 1716 tot priester gewijd. Op 19 mei 1728 werd hij benoemd tot pastoor van Kobbegem, Te voren oefende hij deze functie uit in Nederzwalm. Hij overleed op 5 september 1746. We weten over deze priester weinig. Zijn registers berusten niet meer in Kobbegem maar zijn nog te vinden in het rijksarchief van Brussel, Volgens getuigenis van pastoor Wouters zou zijn grafsteen achter het koor liggen.
 
LAMBERT BERTRAND
 
Deze priester werd tijdelijk niet pastoor maar bedienaar van Kobbegem. Hij was priester gewijd in december 1743 en benoemd tot bedienaar van Kobbegem op 9 september 1746. Hij verbleef slechts enkele maanden in de parochie.
 
JAN BAPTIST DE BAETSELIER
 
Deze priester zou meer dan 40 jaar pastoor van Kobbegem blijven. Hij werd rond 1707 in Meldert geboren, werd priester in augustus 1732, Hij was opeenvolgend 6 jaar coadjutor of onderpastoor in Asse, en 7 jaar pastoor van Nieuwerkerken bij Aalst. Op 26 mei 1747 werd hij benoemd na examen tot pastoor van Kobbegem. Op 26 augustus 1782 vierde hij in Kobbegem zijn gouden priesterjubileum. Hij stierf op 22 maart 1789. Hij was dan door ouderdom en een langdurige ziekte gans ondermijnd. Het boek van de priesterconferenties beschrijft hem als een zeer onderlegd man. Hij was baccalaureus in de godgeleerdheid. Hij was een wijze raadsman, die zijn volk door woord en voorbeeld onderrichtte. In het portaal van de kerk ligt een uitgesleten grafsteen. Men kan nog de tekst "bidt voor de ziel" lezen. Dit is de zerk van pastoor De Baetselier.
 
MARTINUS VAN RANSBEECK
 
De ouderdom en ziekte van pastoor De Baetselier maakte dat het bisdom een coadjutor bij hem benoemde in zijn laatste levensjaren. Deze man kon de twee parochies Bollebeek en Kobbegem alleen niet meer bedienen. We kennen zo een drietal coadjutors. Van Ransbeeck Martinus was een Assenaar in mei 1781 tot priester gewijd. Hij werd op 18 maart 1784 tot coadjutor in Kobbegem benoemd, daarna werd hij onderpastoor van Mere.
 
PETRUS VAN HAECHT
 
Deze priester stamde uit Grimbergen. Hij was in mei 1781 gewijd. Hij was reeds coadjutor geweest in Dikkelvenne, toen hij in 1785 als coadjutor pastoor De Baetselier moest komen helpen.
 
JAN BAPTIST HUYBRECHTS
 
Deze priester uit Erps wordt in 1787 als coadjutor in Kobbegem vermeld. Men vindt deze priester, gewijd in juni 1773, ook soms als onderpastoor vermeld. PETRUS BENEDICTUS DE BAETSELIER Hij was een bloedverwant van pastoor Jan Baptist de Baetselier. Hij ook stamde uit Meldert. Hij was tot priester gewijd op 14 december 1749. Tussen 1759-63 vindt men hem als onderpastoor bij zijn oom pastoor in Kobbegem. Hij kende Kobbegem. In 1763 was hij pastoor benoemd te Bekkerzeel. Twee dagen na de dood van zijn oom werd hij ook nog bedienaar van Kobbegem. Die functie oefende hij echter maar een paar maanden uit want op 23 mei 1789 werd Gilbert De Graux tot pastoor benoemd en kon hij terug alleen voor zijn parochie Bekkerzeel zorgen.
 
DE PASTOORS VAN DE 19de EEUW
 
GILBERT DE GRAUX
 
Deze pastoor stamde uit Kontich, soms vindt men ook Duffel als zijn geboortedorp aangeduid. Vader was Niklaas Jozef Emmanuel De Graux, moeder Dymphna Ambrosia Lenaerts. Hij werd priester gewijd te Mechelen op 25 mei 1771. Na zijn priesterwijding werd hij een zestal jaren onderpastoor te Aarschot en ten dien tijde daar ook 3 jaar kanunnik en vervolgens 12 jaar deken van het kapittel van Aarschot. Op 23 mei 1789 werd hij tot pastoor van Kobbegem-Bollebeek benoemd.
 
Op 2 september werd hij door zijn confraters te Asse vergaderd, in de priesterconferentie opgenomen.
Deze pastoor maakte de misschien moeilijkste periode die Kobbegem kende mee. Onder de Franse Overheersing werd de kerk gesloten, het kruis van de toren gesmeten, de klokken weggehaald, de registers van de parochie aangeslagen door Jan Baptist van Hoorenbeeck, zodat we nu in Kobbegem nog de oudste registers van 1596 missen. De Graux zelf moest zich verbergen om niet aangehouden te worden als priester die de eed van trouw aan de republiek weigerde af te leggen. Verkleed doolde hij door zijn twee parochies. Hij las mis en bedeelde de sacramenten in het geheim op verschillende hofsteden van Kobbegem en Bollebeek. Vooral op het hof de Koeweide, nu pachthof De Rijck, vond hij onderdak. Over die troebele tijden bestaat een relaas, dat we publiceerden in Eigen Schoon-De Brabander 1964, blz, 433-437. Ook in het parochieblad van Kobbegem 1986 lieten we dit relaas in stukjes publiceren. De tijd van Napoleon bracht wat verademing voor deze priester.
 
Wegens onenigheid in de parochie over de toelage aan de pastoor toe te bedelen, vertrok hij als pastoor in 1812 naar Hamme maar bleef de titel van pastoor van Kobbegem tot 1815 bewaren. Hij bediende dan beide plaatsen. In 1803 moest hij zich ook als pastoor tijdelijk over Relegem ontfermen. Drie doopsels van kinderen uit Relegem staan zo in het doopboek van Kobbegem vermeld. Niettegenstaande de spanning tussen hem en de parochie Kobbegem over de te ontvangen toelage, zorgde hij vóór zijn dood op 27 mei 1833 om een jaargetijde voor hem en zijn ouders op 27 mei op te dragen, te stichten. Hij bezorgde aan Kobbegem en Bollebeek daartoe een hypotheek op het huis St.-Hubertus in Wachtebeke. Van de jaarlijkse intrest dienden de missen te worden opgedragen.
 
Van pastoor De Graux is in Kobbegem het meest bekend dat hij de oude vervallen pastorij van pastoor Desmares liet afbreken en de huidige pastorij in 1791-1792 liet bouwen juist voor de Franse Overheersing. De pastorij kostte de voor die tijd grote som van 6410 gulden. Hij moest hierbij 5000 gulden lenen, die geleidelijk moesten afbetaald worden tot het jaar 1833. Dit alles gebeurde met toestemming van het bisdom en de Oostenrijkse keizer Jozef. In 1795 echter werd hier de Franse wet van kracht, dat alle kerkelijke goederen staatseigendom werden. Pastoor De Graux had deze wet kunnen omzeilen door de eed van trouw aan de republiek af te leggen.
 
Hij wilde zich daartoe niet lenen. Hij dook onder. In 1802 - Napoleon was aan de macht gekomen -- werden die Franse wetten gemilderd. De pastorijen die nog niet verkocht waren, werden terug ter beschikking van de pastoor gesteld. Zo verwierf pastoor De Graux terug zijn pastoraal huis. We vinden dan ook in de verdere geschiedenis van de pastorij haar altijd vermeld als kerkgoed. De verzekering voor dit goed werd altijd door de kerk betaald, in de lijsten van de kerkgoederen staat pastorij en hof telkens als kerkgoed vermeld. Ook het kadaster stelt de pastorij en haar hof op naam van de kerk. Hierop zal men in Kobbegem moeten steunen om de pastorij definitief als kerkgoed te doen erkennen.
 
MATHIAS DE VLEM1NCK
 
Opmerkelijk hoe weinig gegevens we vinden over de pastoors van de 19de en 20ste eeuw. Hun geschiedenis moet praktisch nog geschreven worden. Hij was geboortig van Heikruis (26 februari 1781) en werd 30 november 1815 pastoor van Kobbegem. Op 3 november 1815 schrijft hij in het doopboek: "volgende doopsels werden door mij genoterd". Het dodenboek vermeldt, dat hij op 3 juli 1824 stierf om 3 uur in de namiddag. Hij was dan 44 jaar oud.
 
JAN BAPTIST WOUTERS
 
Deze pastoor stamde uit Londerzeel waar hij werd geboren 19 juli 1795. Hij volgde M. De Vleminck op 9.11.1824 als pastoor in Kobbegem op. Voordien was hij onderpastoor in Sterrebeek. Hij was een accuraat boekhouder. Hij noteert uit de burgerlijke registers enkele doopsels en huwelijken, die in de tussenruimte van de opvolging niet in de parochiale registers waren opgeschreven. Hij snuffelde ook veel in het vroeger parochiaal archief en noteerde er allerlei gegevens uit in zijn notitieboek. Het is door hem, dat we heel wat weten over het vroegere Kobbegem. In 1S40 zorgde hij voor een nieuwe klok gegoten door James Bastien. Op 22.3.1849 gaf hij ontslag en stierf te Lippelo op 11 februari 1855.
 
JACOBUS DE BOECK
 
Deze pastoor die 22.3.1849 pastoor Wouters opvolgde, stamde uit Steenhuffel waar hij op 3 februari 1805 werd geboren. Te voren was hij onderpastoor geweest in Hekelgem en daarna onderpastoor te Asse, waar hij verantwoordelijk was voor de kerk van Asse ter Heide. Hij lijkt de eerste priester geweest te zijn die in Asse ter Heide zelf resideerde. Op 27.12.1871 nam hij ontslag en verhuisde op 26 december naar Tienen.
 
EGIED EDWARD VERHAVERT
 
Hij kwam uit Meise uit het gezin J.B. Verhavert en Maria Stuckens. Daar werd hij geboren op 27 maart 1836. Zijn eerste post was Asse van 1861 tot 1872. Hij stond daar bekend als een lieve man. In Asse vonden we in het archief een grapje over die man. Hij had als confrater onderpastoor Filip Lucas. Deken Danis gaf katechismus en stelde de vraag: "Wie heeft het eerst een onwaardige communie gedaan?". De ondervraagde iongen bleef het antwoord schuldig. Een snuggere knaap fluisterde hem in het oor: "De verrader Judas". De woorden waren niet helder overgekomen en het antwoord klonk: "Verhavert en Lucas". Op 25 januari 1872 werd hij benoemd tot pastoor van Kobbegem. Het notitieboek zegt van hem: "een doorbraaf en mild man". Hij stierf plots op 27 februari 1899 om 9 u. 's avonds. De kerk van Kobbegem bewaart nog drie souvenirs van die priester. Bij zijn zilveren pastoorsjubileum in 1897 schonk de parochiekerk hem de prachtige ceremonie stok, waarboven het zilveren beeld van Sint-Gorik prijkt. Hij schonk uit dankbaarheid het glasraam van Sint-Barbara boven de doopvont in 1896, Op het kerkhof aan de kant van het St-Goriksaltaar staat nu nog zijn grafzerk.
 
DE PASTOORS VAN DE 20ste EEUW
 
PETRUS DE NEEF
 
Oudere Kobbegemnaren herinneren zich nog deze pastoor. Hij werd op 26 november 1850 in Ternat geboren. Na zijn priesterwijding werd hij op 10 mei 1878 onderpastoor te Orsmaal-Gussenhoven. Op 27 april 1899 werd hij tot pastoor van Kobbegem benoemd. Pastoor De Neef bleef 25 jaar pastoor tot 1924. Hij maakte hier de miserie mee van de eerste wereldoorlog. Vier Kobbegemnaren sneuvelden dan en 15 andere jonge mannen werden voor legerdienst opgeroepen. Pastoor De Neef was op het einde van zijn leven ziekelijk en sukkelachtig. Hij was afgeleefd. Hij deed vaak beroep op de paters van Walfergem om hem te vervangen. Daar vertellen de oudere paters, dat toen een vrouwtje van Kobbegem haar Paternoster nog bij hem wilde laten wijden en ze herhaaldelijk naar die Paternoster kwam vragen, de pastoor vergoelijkte: "ik ben met de wijding bezig".
 
Van 1920 tot 1923 zien we pater Hilaire Vermeiren, de latere missionaris en aartsbisschop van Mbandaka in Zaïre de doopsels toedienen en de huwelijken inzegenen. Deze pater verwekte in Kobbegem roepingen. Onder zijn leiding trad zuster Catherina De Bisschop als zuster Godelieve in het klooster der dochters van onze Lieve Vrouw van het H. Hart en vond pater Jules De Knop de weg naar het missieseminarie van Walfergem. Na pater Vermeiren kreeg de pastoor een vaste coadjutor in de persoon van J.B. Ducoulombier. Deze stond de pastoor bij van 1923 tot 1924. Hij vertrok 30.9.1924 op rust naar Schepdaal samen met zijn nicht die in Kobbegem zorgde voor zijn huishouden.
 
VICTOR LEONARD JANSSENS
 
Hij werd geboren te Heist op den Berg 13.1.1879 en priester gewijd 28.5.1904. Hij werd 30.10.1924 tot pastoor van Kobbegem benoemd. Te voren had hij flink werk geleverd als onderpastoor van St.-Remi in Brussel (1904-1924). Zijn moeder en zuster deden zijn huishouden. Hij was zenuwziek en leed vooral aan hoogte- en ruimtevrees. Zo durfde hij bijna geen communie uitreiken. Hij vond veel hulp bij de paters van Walfergem. Na zeven jaar werd hij op 6.2.1931 door het bisdom op rust gesteld en vertrok naar Hallaar.
 
JAN FILIP EECKELAERS
 
Hij werd geboren in Tisselt op 29.8.1872 en priester gewijd 24.9.1898. Op 26.9.1898 werd hij onderpastoor in St.-Jan Brussel en pastoor te Kobbegem op 6.2.1931. Opmerkelijk hoe weinig gegevens we vinden over onze laatste pastoors. In deze tijd van drukwerken heeft men die zorg niet meer van vroeger om dokunienten bij te houden, die voor later geschiedenis vertellen. Jan Eeckelaers diende op 16 februari 1931 zijn eerste doopsel toe in Kobbegem en zijn laatste staat genoteerd op l januari 1952. Vele Kobbegemnaren zullen zich nog goed deze kleine, gestuikte pastoor herinneren. Het was een hartelijke, sympathieke priester in de weer voor zijn parochie. We zagen hem vroeger meermalen in de apostolische school van Asse. Dan kwam hij wel eens tussen het jong volkje en leerde hen vermakelijke trucs en spelletjes. Hij stierf in Tisselt op 9.2.1956.
 
PIETER JOZEF FRANS VAN HOOF
 
Hij stamde uit Borgerhout, waar hij werd geboren op 5.9.1909. Priester werd hij 15.6.1935, onderpastoor op 26.5,1937 en pastoor te Kobbegem 2.3.1952. Uit de parochiale registers blijkt, dat hij zijn eerste doopsel toediende op 11 mei 1952 en zijn laatste op 24. juni 1956. Hij is dus slechts een viertal jaren pastoor van Kobbegem geweest. Op 24,6.1956 werd hij pastoor te Ransbeek en is sinds 1976 aalmoezenier te Gutsenhoven. Hij lijkt een ziekelijk man geweest te zijn.
 
VICTOR RENAAT VAN DEN HOOF
 
Deze pastoor komt uit Sint-Kwintens-Lennik. Hij werd er geboren op 16 september 1912. Zijn priesterwijding dateert van 11 juni 1938. Hij was eerst onderpastoor in St.-Genesius-Rode. Die benoeming dateert van 24 oktober 193S. Hij werd tot pastoor van Kobbegem benoemd op 5 augustus 1956. Hij verliet Kobbegem op 20.1.1968 om op rust te gaan in Liedekerke.
 
ANDRE DE BRUYCKER
 
Hij werd te Oostende geboren op 27 februari 1923, liep college (oude humaniora) in zijn vaderstad, kreeg het habijt van Benedictijn te Affligem als Dom Marcus op 5 september 1942. Hij werd te Affligem door Mgr. Cento, nuntius, op 29 augustus 1948 tot priester gewijd. Het was een talentvolle jonge priester, die in de abdij de geschiedenis van de Filosofie doceerde en van 1950 af ook godsdienstleraar werd aan de technische school van Aalst. In 1968 liet hij zich uit de abdij van Affligem exclaustreren en werd hij op 26 maart 1971 opgenomen tussen de priesters van het bisdom Mechelen. Op 17 maart 1968 werd hij door de abt van Affligem geïnstalleerd als pastoor van Kobbegem. Dit priesterwerk in Kobbegem waren voor hem overuren want hij bleef als voornaamste taak behouden het leraarschap in Aalst. Hij was een joviaal man, bekend om zijn fijne zondagspreken. Hij verliet Kobbegem als pastoor in 1985 om terug te keren naar zijn vaderstad Oostende, waar hij nog voor allerlei diensten op parochies inspringt. Daar de oude pastorij zeer vervallen was, betrok hij een huurhuis in Kobbegem.
 
JORIS SPANHOVE
 
Stamt uit Sleidinge 19.2.1913. Hij trad binnen bij de missionarissen van het H. Hart in 1931, werd te Leuven tot priester gewijd in 1938 en na verschillende functies in zijn congregatie te hebben uitgeoefend, kwam hij in 1985 op rust terug naar zijn eerste standplaats Asse. Toen Kobbegern zonder priester bleef na het vertrek van pastoor De Bruycker, aanvaardde hij nog Kobbegem te bedienen en werd daartoe benoemd door het bisdom op 22 november 1985. Onder hem werd in de schoot van de KVLV een Magdalenakoor gesticht, dat nu de zaterdagavondmis opluistert. Daar de oude pastorij niet beschikbaar is, verricht hij zijn dienst van uit zijn klooster van Walfergem-Asse.
 
Dit artikel geeft een overzicht van de geschiedenis van de parochie Kobbegem en van het leven van zijn pastoors. Het wekelijks parochieblad biedt gelegenheid om deze vaak onvolledige gegevens in kleine sprokkelingen aan te vullen. Geschiedenis is nooit af.
 
J. Spanhove, m.s.c.