Documenten‎ > ‎Namen in Asse‎ > ‎

Katrien, een weeskind


Katrien, een weeskind

door Joris Spanhove
(uit Ascania-tijdschrift 1985-3)


In 1966 preekten we een retraite in Mariadal te Hoegaarden bij de zusters van de Vereniging met het H. Hart. Bij het leiden van een retraite bij zusters vragen we meestal verlof om hun memorieboeken en professieboeken te mogen inkijken. Er is daar gewoonlijk iets in te grasduinen over Asse. In de registers van Hoegaarden vonden we de namen van twee gezusters uit Asse ter Heide: Philomena en Catharina Van Der Cruyce. Toen we hierover navraag deden, zegde men ons, dat Philomena gestorven was, maar dat Catharina nog leefde: Zuster Arsenia. Dat moest een oud nonnetje zijn, want in het memorieboek stond ze genoteerd als geboren in 1877. Ik mocht ze opzoeken op haar kamertje. Ze zou er mee opgezet zijn iemand uit Asse te zien. Ze sprak over niets anders dan over het weeshuis, waar ze was opgevoed. Jeugdherinneringen blijven de mens het sterkst bij.

We stapten de trap op. Ik had pen en notaboekje bij. We kwamen in een kraaknet kamertje en daar zat zuster Arsenia in een biezen zetel ondersteund met kussens, het hoofd ietwat gebogen over de afgezakte linkerschouder. Een lief klein gezichtje, scherp, gerimpeld als een overwinterde appel. Daarin twee wazige ogen achter kleine ovalen brilleglazen gevat in een witmetalen montuur. Een zuster stelde half roepend voor: "een pater uit Asse komt u bezoeken". Ze keek op, er kwam wat licht in haar ogen: "Es dayen oeck van Assche". Het ijs was gebroken. We proberen haar leven te beschrijven aan de hand van de memorieboeken van de Zwartzusters, hun statuten. We weven daartussen haar herinneringen, haar verteltrant. Een hele brok leven, een hele flarde lief en leed. Alleen haar verspringen van de hak op de tak verminderen we wat.

Ja, ze was van d'Haey, Wie was haar pa? Pa, dat zegden we niet. We zeggen "voer". Soo Van Der Cruyce. Ze had hem niet gekend maar de mensen zegden allemaal, dat het zo een brave mens was. Zij was de jongste van 8 kinderen. Ze was van de 16 februari 1877. Ze was nog geen jaar oud toen vader aan het gezin ontviel : 5 januari 1878. Ze kon zich vader niet voorstellen en in die tijd hadden mensen lijk wij nog geen portretten, zelfs geen "doodsbelleken". Haar moeder was Marie Cassiman, zo een braaf en christelijk mens. Ze zag ons allemaal zo geerne. Er kwam wat late zonneglans over haar verweerd gelaat. Of ze nog familie had in Asse, wist zuster Arsenia niet. Moeder bleef alleen achter met 8 kinderen. Ze somt ze op: Jean, Antoinette, Lowie, Elisabeth, Philomene, Petrus en zij Catharina, de jongste. Van een van de acht ontsnapt haar de naam. Dit was misschien de jongen die vroegtijdig stierf.

Met "voer" was de kostwinnaar weggevallen. Moeder bleef alleen achter met acht arme schaapkes. Geen sociale voorzieningen, geen kindergeld, geen pensioen, geen ziekenfonds. Alleen wat steun van de arme. "Arm Vlaanderen" schreef Pater Stracke. Voor moeder Marie werd dit een onhoudbare toestand. In de Weverstraat echter ontfermden zich al vijftig jaar de Zwartzusters over verlaten, verwaarloosde kinderen, over wezen en half wezen. Half wezen noemde men daar kinderen, die ofwel vader ofwel moeder hadden verloren. De statuten van die zusters daterend van 1822 zeggen: "Alle de arme meyskens, die in het huis worden aanveerd, sullen gratis en om Gods wille worden gevoed, gekleed, gehuysvest en onderwesen". De vroegere onderpastoor van Asse, Jan Baptist De Wit (Asse 1855-1902) kapelaan geworden van Asse ter Heide in 1864 en daarna eerste pastoor van Asse ter Heide, trok zich het lot van moeder Van Der Cruyce aan. Hij bewerkte, dat drie meisjes in het weeshuis werden opgenomen. Alle drie werden nonneken. Er komt weerom wat zonneglans op het gelaat van zuster Arsenia; ze noemt ze op: Elisabeth, die bij de zusters van Sint Vincentius in Opwijk voor froebelonderwijzeres mocht studeren en daar bleef haperen als zuster Celestine. Philomene die binnentrad bij de zusters van Mariadal als sceur converse... onder de naam van Caroline. En zij Katrien; later zuster Arsenia. Moeder hertrouwde niet. Ze stierf op 26 januari... Katrien herinnert zich het jaartal niet meer.

Ze was drie jaar oud toen ze in het weeshuis werd opgenomen. De oude statuten van het weeshuis zegden: "De moeder sal geen meyskens aanvaerden, die geen tien jaer sijn". Het leven doorbreekt echter dikwijls regels en kloostervoorschriften. Reeds in 1864 vroegen en verkregen de zusters van het aartsbisdom dispensatie om kinderen onder de tien jaar op te nemen. In een handschrift over het werk van de zusters schrijft zuster Germana: "Tot in 1951 hebben de zusters wezen en halve wezen en verlaten kinderen aanvaard van 3 tot 18 jaar". In 180 jaar werd heel wat gedokterd aan statuten en reglementen. Deze zijn er om leven en werk te ordenen, niet om te remmen. In de lijsten van de weeskinderen vonden we de drie gezusters Van Der Cruyce vermeld. Elisabet geboren op 15 december 1872 kwam in het weeshuis op 4 juli 1879. Philomene geboren op 15 oktober 1875 kwam ook binnen op 4 juli 1879. Katrientje bleef nog bij moeder. Ze was nog geen drie jaar. Ze werd bij de Zwartzusters opgenomen op 12 januari 1880.

En hoe was het bij de Zwartzusters? Goed, goed, goed van eten en drinken. Thuis op een strozak slapen en in het weeshuis op een wollen matras. We kregen van de zusters ook goede kleeren. Over de kleeren lazen we in de statuten van 1822: "Als er een meyske ontfangen wordt, sal sij aenstonts worden gekleed met de kleeders van het huys". Ze had ook nog les gekregen in het weeshuis. Ze noemt zuster Benedicta Van Droogenbroeck uit Opwijk. Deze trad in 1890 in bij de Zwartzusters. Op haar bidprentje lazen we deze aanspraak: "Ge weet, mijn lieve weesjes, hoe ik altijd met u geleefd heb en u alle heilzame lessen heb voorgehouden". De Zwartzusters hadden in eigen domein een tweetal klaslokalen. Men vindt hierover in de memorieboeken zinspelingen. Zo zeggen deze schriften voor het jaar 1892: "We hebben van Mechelen verlof gekregen om onze schuur op te trekken voor een school voor de weeskinderen. Het werk werd aangenomen door Jan Van Der Beken uit Assche voor 2000 fr. We kregen hiervan 1500 fr. van onze weldoenster juffrouw Jozefien Van Mulders".

In de statuten van 1822 vinden we volgende regelingen voor het onderwijs van de weesjes: "De moeder sal stellen een of twee susters, die sij de bekwaemste oordelen sal om de arme meyskens, die ten getalle van 25 in huys sullen mogen aenveerd worden te besorgen in de christelijke leering, in handwerk, in lesen en schrijven en in goede zeden". Men noemde die zusters de meesteressen. Zuster Arsenia herinnert zich nog enkele van die meesteressen. Zuster Emerence, in de wereld Jozefien van Buggenhout uit Merchtem. Deze trad in het klooster in 1888 en stierf in 1959. Op haar bidprentje leest men: "Beste Weeskinderen, in vroegre dagen was ik gelukkig voor uw opvoeding te mogen zorgen. Bid een wees gegroetje voor mij". Een tweede zuster citeert ze: zuster Henriette, nicht van Emerence, in de wereld Maria van Buggenhout uit Opwijk, ingetreden in 1889 en gestorven in 1957. Ze werd met de burgerlijke medalie, eerste klas vereerd.

Dit eigen schoolsysteem werd geleidelijk afgebouwd naarmate de klasmogelijkheden in Asse vermeerderden en onderwijswetten verscherpten. In 1885 hadden de zusters van Sint Vincentius van Gijzegem het vrij onderwijs voor meisjes lagere graad in het "college" overgenomen. In een memorieboek van de zusters van Gijzegem lezen we: "Hier dient hulde gebracht aan de belangeloze verkleefdheid van de zusters van het gasthuis en ook, de Eerw. Moeder van de Zwartzusters heeft onze zusters veel geholpen, want in een nieuwe stichting ontbreekt veel". Stilaan begonnen de weesmeisjes de klassen te volgen op het "college" en na 1929 ook op de Belvédère. Dit contract met andere kinderen in schoolverband was gunstig voor het weeshuis. Het zette vensters open voor serreplantjes.

Iedere week maakten de kinderen een wandeling in Asse, zeer dikwijls naar Kruisborreken. De weeskinderen vormden in de processie een speciale groep, die de tekenen van Christus lijden droeg. Samen met de zusters verzorgden de weeskinderen de zang in de mis. Heel wat mensen kwamen 's zondags naar deze rustige kapel. Die herinnering was zuster Arsenia sterk bijgebleven. Ze zinspeelde hierbij op het groot muzikaal talent van zuster Elisabet, in de wereld Florence Van Den Broeck uit Dendermonde. Haar doodsprentje zegt van haar: "gedurende 71 jaar heeft ze de orgeltonen samen met lofzangen doen klinken". Het memorieboek getuigt over haar: "Ze was beroemd om haar muzikale talenten, muzieklessen, zanguitvoeringen met de weeskinderen". Bij het nemen van aantekeningen onder het gesprek met zuster Arsenia, viel sterk op, hoe de herinneringen tussen 10-17 jaar zeer levendig gebleven waren.

De muzikale zuster Elisabeth trad eerst in 1891 in het klooster. Katrien was dan 14 jaar. Van de zang schakelt zuster Arsenia over naar de kapel. Ze herinnert zich nog goed, dat ze eerst mis hoorde en zong in de oude kapel gebouwd in 1852. Die oude kapel is nog goed herkenbaar: de portiek, de nis, het topgeveltje en op het dak een koepeltorentje naast de huidige kapel. Nu is die kapel omgebouwd tot appartement voor juffrouw Jeanine Taelemans. Wat zuster Arsenia sterk is bijgebleven is de bouw van de nieuwe kapel in 1894. Pastoor-deken Leyten kwam op 5 juli 1894 de eerste steen leggen. Die plechtigheid werd opgeluisterd met zang door de weeskinderen en er stonden 5 heren aan het altaar o.a. priester Van Innis. Vooral de consecratie van de kapel door Kardinaal Goossens lijkt op haar grote indruk te hebben gemaakt. Ze gebeurde op 16 september 1895. De plechtigheid duurde 4 uur en we moesten drie, vier keer zingend in processie buitengaan... ik was dan 11 jaar. Ze vergist zich. Ze was dan 17 jaar.

De zusters hielden ook de toekomst van de weeskinderen in het oog. Daarom leerden ze lezen en schrijven, bekwaamden ze zich in handwerk en kregen ze kans naar gelang hun bekwaamheid om verder te studeren. Juffrouw Taelemans, waarvan boven sprake, was van haar 2 jaar bij de Zwartzusters. Ze neemt nu een brok van hun werk over. Het weeshuis was dus niet alleen een huis van opvang, het was ook een huis van doorgang. De statuten van 1822 zeggen hierover: "als de Meyskens weggaen met consent van de Moeder, naer sich wel te hebben gedraegen, dan sal men haer laten henen gaen wel gekleed van den hoofde tot de voeten met kleeders van den huyse ten waer sy verkosen nog langer te blijven tot den ouderdom van 24 jaeren". Men keek uit naar een goed werk, een goede post. Heel wat burgerfamilies wendden zich tot de Zwartzusters om daar tussen de weeskinderen een meid te vinden. Van de familie Van Innis staat in het memorieboek van de zusters geschreven, dat ze heel wat sieraden aan de kapel schonken, omdat ze altijd van hen een dienstmeid hadden gekregen. Men oriënteerde de meisjes ook vaak naar winkeldienst Sommigen keerden ook naar hun familie terug. Nu waren ze geen last meer maar hulp. Bij het bepalen van de toekomst speelde de directeur en de biechtvader een grote rol. Men consulteerde hem. De statuten van 1822 zeggen daarover: "de moeder sal den gewoonelijken bightvader versoeken te willen aerbeyden om de dogter eenen voordeeligen dinst te besorgen of winckel volgens haere bekwaemheyd".

Niet alleen dienstmeiden en winkeljuffers groeiden uit de weeskinderen. Sommigen die de nodige talenten hadden studeerden verder. Zo werd de zuster van Katrien fröbelonderwijzeres aan de normaalschool van Opwijk. Zuster Arsenia zelf kreeg kans om fröbelonderwijzeres te worden. Men zond haar rond haar 17 jaar naar de "dames de Sint André" in Brugge. Ze bleef er echter maar enkele weken. Ze werd ginder aangetast door een ernstige oogkwaal, die haar met blindheid bedreigde. Ze staakte haar studies en kwam terug naar het weeshuis. Ze heeft nog geprobeerd in de treden bij de zusters van Sint Vincentius te Opwijk. Moeder verzette zich echter. Men keek dan uit naar een goede post en die vond ze in Asse bij twee Franssprekende juffrouwen in de Stationstraat. Ze spelt de namen juffrouw Cobbaut en Madame Tillière. Ja, ze kent veel mensen uit Asse. De juffrouwen Pregaldino en juffrouw Jozefien van Mulders, die de weeskinderen bedachten met allerlei versnaperingen. Ze was in Asse goed gezien, want toen ze naar het klooster van Hoegaarden vertrok, moest ze eerst komen dineren bij notaris Crick. Door de dienst heeft ze ook een mondje Frans geleerd. Rond haar 21 jaar, zegt ze, werd ze geopereerd aan haar ogen. De zusters hebben alles betaald en daarna was ze gans genezen van haar oogkwaal.

Hoe ze bij de zusters van Hoegaarden terecht kwam? Ze had in Asse veel priesters gekend: deken Leyten en de pastoor van d'Haey De Wit. Deken Leyten werd in 1894 ook nog directeur van de Zwartzusters. Petrus Wauters, de direkteur tot dan toe, was dan 84 jaar en een versleten man. Zuster Celestine Van Buggenhout, de overste, was zeer ziekelijk. Men had dan kop en kracht nodig en het bisdom vond deze voor die typische congregatie van Asse in deken Leyten. Hij kreeg tot dit doel een derde onderpastoor: Frans Tuerlinckx (1894-1904). De deken nam de leiding van de zusters op zich. Onderpastoors Tuerlinckx, Willems, Corluy die voor het geestelijk welzijn van de meisjes verantwoordelijk waren worden soms aalmoezeniers genoemd. Een weeshuis bestuurd door zusters heeft ook vaders nodig. De aalmoezeniers waren voor die kinderen vaderfiguren. Directeur en biechtvader speelden in leven en werk van de zusters een voorname rol. Men sprak dan nog niet van emancipatie van de vrouw.

De statuten van 1822 zeggen: "de moeder sal geen meyskens aanveerden sonder den raed van den gewoonelijken bightvader te vragen". Zo kende Katrien heel wat priesters. Ze haalt namen aan: Lombaerts, De Wael, Van Herstraeten en Van Der Stappen. Van die laatste zei ze: "juist heilige Aloy-siussen". Onderpastoor Van Der Stappen kende ze speciaal. Hij werd in 1908 pastoor van Hakendover na 20 jaar dienst in Asse. Vroeger hadden de parochiepriesters grote invloed op het ontluiken en oriënteren van roepingen. Katrien Van Der Cruyce schreef het aan onderpastoor Van Der Stappen toe, dat ze evenals haar zuster Philomene bij de zusters van de Vereniging met het H. Hart te Hoegaarden belandde. Op bezoek bij Philomene in 1896 ingetreden, nam ze een definitief besluit. We zochten gegevens over Philomene in het professieboek in Hoegaarden van de zusters op. Ze werd te Asse op 11 oktober geboren, ontving het kloosterkleed in Hoegaarden op 19 april 1896, deed haar eerste professie op 20 april 1900 en haar eeuwige professie op 5 mei 1903. Ze stierf te Hoegaarden als "soeur converse" op 14 mei 1954. Katrien volgde Philomene in 1899. Ze stipt fier aan: we zijn met 45 weeskinderen geweest en met 18 traden we in het klooster. Moeder nam vrede met de beslissing van Catharina. Ze had nu drie nonnekes en als ze in het klooster zijn, hebt ge er weinig zorgen in. Ze zijn braaf en goed geplaceerd. Deken Leyten was echter zo opgetogen niet met deze beslissing. Katrien was de jongste. Ze ging moeder vaak helpen vooral met de naad. Wie ging voor Marie zorgen?

Zuster Katrien Van den Cruyce, rechts met een kroontje. Naast haar haar zuster.




















De vroegere oogziekte van Katrien stemde de zusters in Hoegaarden wat wantrouwig. Ze werd maar voor een jaar op proef aanvaard. Ze doorstond de proef. De grote data van haar kloosterleven waren: Intrede op 1 september 1899 onder de naam van Zuster Arsenia. Tijdelijke geloften op 21 november 1901. Eeuwige geloften op 27 september 1905. Ze bracht 51 jaar door in het klooster van Halle. Ze zorgde voor de refterdienst en de zieke kinderen. Haar grote vriend was de deken van Halle. Alle dagen las ze voor hem een Paternoster. Ze heeft ook enige jaren in het Waalse Nijvel verbleven. Ook voor refterdienSint En nu was ze terug in Hoegaarden, versleten, Luierikske. Ze kloeg over wat koppijn maar voor de rest niet al te veel last Ze deed nog alle dagen haar geestelijke lezing uit Don Bosco in het Frans.


Dat woord Frans bracht haar gelijk elke Belg op de communautaire toer. Ik ben geen flamingant en ook geen franskiljon. Ik ben een Belg. In België zijn er twee talen. Als ge die niet kent komt ge nievers. Ik ken mijn twee talen. Dat is bra gemakkelijk. Ze kunnen u niets wijs maken als ze in uw presentie Frans spreken. Ja, Katrien zal Frans gekend hebben... een paar woordjes bij de zusters in de lessen, een paar zinnen in de Stationstraat bij de dames Cobbaut en Tillière, verblijf in een school met Frans als voertaal in Halle, refterdienst in Nijvel. Katrien Van Der Cruyce, alias soeur Arsène, sprak haar Frans lijk haar Vlaams.

Bij mijn terugkeer in Asse moest ik de complimenten doen bij de zusters in het weeshuis. Ze schreef ieder jaar met Nieuwjaar nog een kaartje naar de zusters en die zegden dat ze bijna de enige was die dat deed. Ze citeerde hierbij het evangelie niet over 10 melaatsen door Christus genezen en waarvan maar een naar Hem terugkeerde om te zeggen: merci.

We vroegen in Hoegaarden inlichtingen over het verdere leven van zuster Arsenia na 1966. We ontvingen het doodsbericht "rustig overgegaan naar God op 16 juni 1969 in het 93ste jaar van haar leeftijd en het 67ste van haar religieuze professie".

In Ascania tracht men Eigen Brabants Schoon te bewaren. Daarom deze bijdrage.

Joris Spanhove