Documenten‎ > ‎Namen in Asse‎ > ‎

Jozefien Van Mulders


Juffrouw Jozefien Van Mulders
Weldoenster van de Zwartzusters

door Joris Spanhove
(uit Ascania-tijdschrift 1984-2)

Dank zij de uitgebreide en degelijke stamboom door Jaak Ockeley over de familie Van Mulders gepubliceerd in Eigen Schoon - De Brabander konden we juffrouw Josephine Van Mulders situeren. We hebben haar naam verschillende keren in het archief van de Zwartzusters ontmoet.

Ze werd op 28 februari 1823 te Asse geboren in het gezin van Jozef Charles Van Mulders - Geertrui Fieremans. In zijn kostelijk boekje "Herbergen en Herbergleven in Asse" lokaliseert Jeroom Durnez "De Engel", herberg en afspanning, waar die familie woonde. De patisserie de Riemaecker op de hoek van de Nieuwstraat heette vroeger "De Engel"... Josephine had nog een zuster Anna die op 23-jarige leeftijd in 1848 stierf. Weldoende mensen noemt men wel een "engel"... De Zwartzusters mogen Jozefien noemen een engel uit de Engel... Ze had niet de allure van een cafégirl...

Jaak Ockeley noemt haar rentenierster. Ze zat er warmpjes in. Gans het familiaal bezit ging naar de enig overblijvende dochter over. Ze kon op haar renten leven. In zulke situatie loopt men altijd gevaar zich knusjes in een eigen leventje te installeren zonder uitzicht op noden van mensen. Josephine lijkt dit doorbroken te hebben. In haar eigenhandig geschreven testament van mei 1892 duidt ze Karel De Deken, haar neef en pastoor te Itterbeek, als enige erfgenaam aan. In het archief van de Zwartzusters ontdekt men echter de sporen van haar weldaden.

Het kan voor velen een vraag zijn: waar haalden de Zwartzusters, die op bepaalde ogenblikken tot veertig weeskinderen onderdak schonken, de middelen om die meisjes te onderhouden en aan eigen gemeenschap bestaanszekerheid te berzorgen. De statuten van de zusters vroegen uitdrukkelijk "alle de arme meyskens, die in het huys worden aanveerd sullen GRATIS en om Gods wil worden gevoed, gekleed en onderwesen". Gelijk alle kloosterlingen leefden de Zwartzusters onder gelofte van armoede, waardoor ze zich verplichtten tot gemeenschapsbezit.

Men leeft voor de gemeenschap, men leeft van de gemeenschap. De statuten van 1822 zeggen dit zeer kleurrijk : "Wij gebieden wel uytdruckelijk, dat hetgene ieder van de susters ontfangt, 't sij van den dienst der sieken, 't sij van giften, handgewin of jaerlijksch pensioen of uyt enig andere hoofde, niet en sal bewaert worden in elk sijn borseken, al waere het bij de Moeder selfs, maer wij willen, dat alles sonder enig uytneming geheelijk overgegeven sal worden aen de moeder om dit te besteden tot gemeyn noodsackelijkheyd en voordeel van den huyse, dewelke uyt het gemyn sal voorsien in ieders susters noodsaekelijkheyd en behoeven".
 
De statuten stippen zelf de middelen van bestaan van de zusters aan: ontvangsten bij de ziekendienst, giften, vergoeding voor handwerk en pensioenen... De dagboeken van het klooster spreken bijna op elke bladzijde van weldoeners en giften. Een van die grote weldoeners was juffrouw Jozefien Van Mulders. Jozefien kende de Zwartzusters. Dikwijls zag ze een zuster met een groep weeskinderen door het dorp wandelen, ze kon mis volgen in hun eerste kapel in 1852 gebouwd. Meerdere ingetreden meisjes uit Asse waren tijdgenoten van haar: Zuster Maria Van Crommenhelleboogh (1818), Zuster Catharina Van Horenbeeck (1825), Zuster Maria Van Overdijn (1828), Zuster Elisabet Van Der Slagmolen (1833).

Ze wenste geen dorre onvruchtbare tak te zijn in het samenleven met mensen. Ze vindt een uitweg voor haar caritatieve bewogenheid bij de Zwartzusters. Ze denkt hierbij ook aan dood en eeuwigheid. Ze wil haar bezit ook in de hemel beleggen. Ze wil goede werken doen, zo een stapel verdiensten verzamelen en haar hemel verdienen. Ze hoopt hierbij voort te leven in het gebed en de dankbare gedachtenis van weeskinderen en zusters. Ze heeft hierin de toen gangbare visie op het christelijk leven. Ondertussen vindt ze bij de Zwartzusters wat genegenheid, dankbaarheid en warmte. Deze hielden Josephine in ere.

We halen hier enkele staaltjes aan van de edelmoedigheid en mildheid waarmee Josephine aan het weeshuis steun verleende.

In het jaar 1890 gaf juffrouw Van Mulders aan het weeshuis 1000 frank. Hiervoor moest in de kapel op elke eerste vrijdag van de maand een mis voor haar en haar familie worden opgedragen. De zusters zetten deze voor die tijd belangrijke som om in een obligatie "Royaume de Belgique of Dette Beige". Ze stipuleerden hierbij dat mocht deze obligatie door brand, verwoesting, diefstal verloren gaan, het klooster geen verdere verplichtingen meer had.

Op 3 augustus 1891 kochten de zusters het huis van Josephine Van Mulders met gesloten beurs voor 15.000 frank, te vereffenen na haar dood. Waarschijnlijk regelden de zusters deze zaak met pastoor Karel De Deken, enige erfgenaam van de juffrouw. Van welk huis is hier sprake? Is dit misschien het huis op de hoek, van de Kattestraat, waar pastoor Corluy in 1952 als directeur van de Zwartzusters stierf?

Op 1 juli 1891 ontvingen de zusters nog 600 frank. Daarvoor zouden ze voor haar bidden na haar dood gelijk voor overleden medezusters: elke zuster zou 60 "rozenooikens of paternosters" lezen, 30 H. Missen bijwonen, driemaal ter heilige tafel naderen en tweemaal het groot officie voor de overledenen bidden. Een jaargetijde laten doen waarbij de zusters de mis bijwonen en de communie opdragen voor lafenis van haar ziel.

De Zwartzusters hadden een speciale school voor hun weeskinderen. Een weerklank daarvan horen we in hun dagboek : "We hebben toelating ontvangen van de aartsbisschop op 12 maart 1892 om onze schuur op te trekken tot school voor onze weesjes. Dit werk werd aangenomen door Jan Van Der Beken uit Asse voor 2.000 frank". Hier duikt weer de naam op van Juffrouw Josephine: "We hebben daartoe 1.500 frank ontvangen van Joufv. Van Mulders Josephine". Dit zijn zwaar doorwegende steungelden. Hoe dikwijls zal Josephine in het weeshuis links en rechts in kleinere mate niet gesteund hebben!?

Op 25 maart 1892 schonk Josephine de voor die tijd enorme som van 10.000 frank voor de bouw van een nieuwe kapel. De zusters beloofden hierbij met de kinderen maandelijks een H. mis bij te wonen voor haar ouders, haar zuster Anna, en voor haar zelf. Zieke zusters werden hiervan ontslagen. Dit alles uit wederliefde voor alles wat Josephine voor onze Zwartzusters heeft gedaan.

Velen nemen een levensverzekering. Josephine nam een hemelverzekering. Twee maanden later op 3 juni 1892 stierf deze weldoenster.

Bij haar laatste gift van 10.000 frank staat vermeld dat ze bestemd was voor de nieuwe kapel. Tot het jaar 1851 hadden de Zwartzusters alleen een bidkapel binnenshuis. Ze gingen gewoonlijk mis horen in de kapel van de Gasthuiszusters. In 1851 bouwden ze hun eerste kapel ook toegankelijk voor het volk. Het koepeltorentje, dat nu nog boven hun kapel uitsteekt, dateert van die tijd. Op 20 juni 1894 legde deken Leyten, tevens bestuurder van de Zwartzusters, de eerste steen voor een ruimer bedehuis, de huidige kapel met het spitse Gotische torentje. Die nieuwe kapel kostte in 1894 40.000 frank. Behalve juffrouw Josephine worden nog bij de weldoeners van de kapel genoemd pachter Heymans met een gift van 2.000 frank en pachter Vermeeren met een steun van 10.000 frank. Van Dokter Emiel Cooremans zeggen de zusters, dat hij zeer veel heeft aangebracht voor de bouw van de nieuwe kapel.

Bij de planning van de zusters voor die bouw konden ze steunen op de raad en de controle van deken Leyten. Voor wat de financiering betrof, schrijven ze in kinderlijk vertrouwen: "Er zal gebouwd worden met het geld van liefdadige mensen, die Sint Jozef ons gezonden heeft". Zo konden de Zwartzusters in hun "huys van weldadigheyd" rekenen op de kostwinnaar van het gezin van Nazaret, Sint Jozef en de vele weldoeners als "jouffrouwe" Josephine Van Mulders,

J. Spanhove msc.