Documenten‎ > ‎Namen in Asse‎ > ‎

Het geheim van Karel de Bauw


door Gaston Durnez
(uit Ascania-tijdschrift  1965-2)

toespraak op 21 november 1964 bij de opening van de tentoonstelling Karel de Bauw te Schellebelle


Niet zonder enige schroom maar toch met diep genoegen, kan ik u vanavond het geheim van Karel de Bauw onthullen. Ik heb het deze week bij hem thuis in een begenadigd ogenblik zelf ontdekt. Wij zaten samen naar zijn jongste schilderijen te zien en wij zwegen een beetje omdat wij elkaar te veel te zeggen hadden. Mijn hart reed op een kermismolen als ik de forse portretten van mensen uit mijn jonge jaren herkende, lachende of nadenkende boeren, pintendrinkende of pijprokende arbeiders, -maar altijd mannen van 't goed leven, Brabanders van kop tot teen, al zag ik alleen de kop. En dan die paarden! Zij trokken met drie en vier tegelijk, zo straf, zo kloek, dat ik ze moest bij de teugel grijpen of ze kwamen met bietenkar en al uit de lijst gestormd, de woonkamer binnen. Wij keken naar de kleuren die blonken alsof er vuur in werd gestookt. Het rood van de wangen en van de halsdoeken maakte mij goedgezind, de sneeuw van de winterlandschappen gaf mij een warm gevoel. Toen wist ik ineens waarom. Karel de Bauw maakt zijn verf klaar met bier. Ik heb het hem gezegd. Hij bloosde en legde onmiddellijk bekentenissen af. Met geus, glimlachte hij. Dit verklaart alles.

Ik had er eigenlijk al veel eerder moeten aan denken. U moet er eens op letten hoeveel koppen er bij hem een pint in de hand hebben, als ik het zo mag zeggen. En zelfs als hij geen drinkebroer schildert, zelfs als hij een stille filosoof uitbeeldt, een ernstige heer, dan nog ziet ge dat het mensen zijn die de vreugde van een Brabantse dronk kennen en begrijpen, mensen die wéten waarom de dichter sprak over "Geus en humanisme". En de paarden maken daar geen uitzondering op. Zij glimmen van die sterke, innerlijke feestelijkheid, die in Brabant zo'n onverbrekelijke band vormt tussen boerenpaarden en brouwerijpaarden, zodat ge ze nog moeilijk uit mekaar kunt houden. Iedere schuur waar ze voorbijschonken, kan familie zijn van een brouwerijschuur. Elke boerderij ligt verzadigd in de plooien van het landschap en het veld zelf gloeit van geheime stokerij.

Mijn broer Jeroom heeft verleden jaar een boek uitgegeven over "Herbergen en Herbergleven te Asse". Na veel documentatie te hebben verwerkt, is hij in een helder ogenblik tot de conclusie
 gekomen, dat Asse percentsgewijze het grootste aantal herbergen van het land telt. Voor elke 15 gezinnen is er één café. En vroeger waren er nog veel meer, zucht hij, bedroefd omdat hij te laat is geboren. Ik heb in dat boek van mijn broer 24 verschillende uitdrukkingen geteld om van iemand op z'n Asses te zeggen dat hij dronken is - en het woord dronken zelf is er niet eens bijgerekend. Er bestaan in de gemeente 30 verschillende benamingen voor een zatladder en ik meen te weten dat er binnenkort al een tweede, vermeerderde druk van het boek moet verschijnen. De kerken en herbergen staan bij ons zo dicht bij elkaar, dat de mystiek zich wel eens van deur vergist. Is er één taal waarin "kapelletje" synoniem is van herberg, zoals bij ons?

Karel de Bauw is in Asse, op de Kalkoven, in één van dat recordaantal geboren en getogen, hij heeft er zijn eerste tekeningen gemaakt op de achterkant van gele notarisaffiches en zijn eerste succes geoogst bij de zondagse klanten van de tapkast. Hij leerde er een levenslustig Brabants kennen, mensen die met volle teugen van het leven kunnen genieten na het werk op de vette grond van hellingen en dellingen. Brabanders, échte Brabanders, zijn feestelijke harbalorifa-zingers, al schijnen zij voor vreemdelingen minder luidruchtig dan de "Vlaanderaars". Vooral dan de West-Vlamingen, die zelfs dramatisch zijn als ze leute maken. De Brabanders zingen, maar ze doen er hun tanden niet voor van mekaar.

Hun humor, zei Wies Moens, komt van achter het bolwerk van hun tanden. En hij voegde eraan toe: "Wie uit het vlakke Scheldeland bij Dendermonde overwipt in het zacht heuvelend Brabants kwartier, dat even voorbij Opwijk begint, heeft de indruk dat hij uit een weekdags in een zondags gebied terechtkomt". Wies Moens zag de Scheldekant als een landschap waarin alles hem sprak van strijd, verweer en labeur. Dat bracht het geweld van de stroom daar mee. West-Brabant zag hij jubilanter, met blonder en tintelend licht en minder zwoegende wolken.

Een zondags gebied...

Er zijn al 25 jaar voorbij sinds Moens zijn hartelijke ontboezeming schreef en een goede 50 sinds Karel de Bauw thuis over de vloer kroop en de witte zandtekeningen uitwiste. Er zijn ook in West-Brabant al enkele weekdagen op de kalender komen staan. Betonwegen rukken gesloten gemeenschappen open en maken de heuvelen minder stijl. Villa's gaan op de tenen van de bossen staan en doen de bomen bang achteruitspringen. Aan zwarte rookpluimen bengelen fabrieksschouwen. Wie paarden wil zien, kan al lang niet meer in alle boerderijen terecht. Een drie- en een vierspan op één rij? Daar reed men voor naar Bellingen, zelfs als men koning was, maar nu ziet men ze zelfs daar al niet meer. De stevige, natuurlijke volkstypes leven nog, maar ze trekken zich wat van de wegen terug, in hun eigen kringetje. Ze hebben leren lezen en schrijven en er zijn er al die 's avonds naar de televisie kijken en daar zo stil bij zitten dat zelfs de goudvissen er een schrik van pakken. En het bier, het bier, lieve mensen! Er bestaan al herbergen die geus in kleine flesjes met een blikken hoedje opdienen. Ja, er zijn al cafés waar men geen geus, en zeker geen lambiek van 't vak, meer kan krijgen !

Het ongerepte, het aartsvaderlijke, het Brabant-van-buiten bestaat nog, maar het ligt niet meer zo fris en bloot voor onze ogen, wij moeten er soms naar zoeken en als wij het vinden, spreken wij al dat fatale woord "openluchtmuseum". Stilaan worden wij van bewoners, toeristen in eigen land. En drinken coca.

Karel de Bauw niet. Hij gunt de werkdagen geen kans. Hij is een échte zondagsschilder, dat wil zeggen: een schilder van de zevende dag. Zelfs de gewoonste kuismorgen is voor hem een zondag. Als hij ergens zijn penseel te voorschijn haalt, slaat het koperwerk vonken, de bloempotten dansen in de rij en het licht speelt orgel in een pint bier..

Tussen de schilders van de grauwe maandag en de kleurloze dinsdag, de kunstenaars van het uitgeregende tv-spel en de vrijdagse vis, doet het deugd nog eens een schilder te ontmoeten die op zijn zondags is gekleed. Karel de Bauw kent de werkdagen ook, maar hij idealiseert ze. Een rood sjaaltje rond de hals van de oogstboer wordt een kermisvlag, een ongeschoren baard onderstreept de roes of het roos van de kaken. In het landschap trekt hij de elektriciteitspalen met wortel en al uit en sloopt de villa's. Hij mengt in zijn verf de kleuren van nu en van zijn jeugdjaren. De wereld en de mensen zijn lelijker, hij bekijkt ze door het venster van de levendige herberg waarin hij kind is geweest. Het Brabant dat hij schildert, is bezig te veranderen - en tot onze vreugde en onze weemoed legt hij er de kleuren van de herinnering op. Herinnering die alles weer mooier maakt.

Karel de Bauw is een selfmade man. Op zichzelf noem ik dat geen eretitel. De cultus daarvan is ook al voorbij. Er zijn tegenwoordig al enige universitairen die bekwaam zijn en ik ken zelfs een selfmade man die nergens voor deugt. Karel de Bauw heeft zich hardnekkig in lange jaren studiewerk bekwaamd. Eenmaal op zijn eigen weg gekomen, is hij, met de koppigheid van een man die heeft leren vechten voor zijn taak, onverstoorbaar doorgemarcheerd. Tot zijn leertijd zou men kunnen rekenen: zijn vroegere anekdotische genrestukken, waarin hij, gezeten in een landelijk decor, gemoedelijk vertelde a la Claes en Timmermans, minder als de buurman Walschap. De Bauw was nooit wrang of scherp, hij was blij omdat hij zien kon. Zijn landschappen vormden de overgang naar groter werk. Hij idealiseerde zijn streek met een lichtend heimwee, of maakte er een kermis van, maar geen wilde: een kermis van iemand die zijn pint naar het licht houdt en daar gelukkig om is. In de techniek bleef hij een voortzetter van het precieze realisme, dat bijvoorbeeld aan een de Braeckeleer kon doen denken. Hij was ook niet bang, documentair werk te leveren. Een album met reproducties van bepaalde, talrijke schilderijen, zou een beeld oproepen van het landelijke West-Brabant zoals men het vooral tussen de twee wereldoorlogen nog kon vinden. Zulk album zou een belangrijke heemkundige betekenis hebben.

Gaandeweg is de Bauw forser gaan schilderen. Hij bereikte een vlotte kracht en een virtuositeit met kleuren, die het mogelijk maakten om anekdotisch genrestukje, de vertelling, meer te verlaten en zich tot het voornaamste te gaan beperken. En de vreugde om die kracht werkte hij uit in een lange reeks van taferelen met paarden en vooral in de portretten.

Op de schilderijen van de jongste twee jaar, waaruit hier op de tentoonstelling een keuze is te zien, heeft hij de koppen meer in close-up genomen, groter en aandachtiger dan ooit. "De kop is alles" zegt hij. Het levensverhaal zit niet in de gebaren van de mens, maar in de rimpels van zijn gelaat en de glans van zijn ogen. Het werk van de Bauw is er mannelijker en essentiëler door geworden.

Brabant, het zondagse Brabant, kijkt ons nu nog beter aan. Het trekt aan de glazen handboom en wij heffen onze pint en klinken op zijn heuvelen, zijn mensen en zijn dierbare schilder

Gaston Durnez