Documenten‎ > ‎Namen in Asse‎ > ‎

Eugeen Van den Broeck: geen gewoon journalist


door Karel De Decker
(Uit Asse Vroeger en Nu, deel 1. Eugeen Van den Broeck, 1988)

Wanneer wij de bibliografie van Eugeen Van den Broeck overschouwen - ondermeer die van de betreurde Luc Ebrard die in ‘Eugeen Van den Broeck 60’ werd afgedrukt - dan zien wij dat hij, net als de meesten van zijn tijdgenoten, in een jongerentijdschrift van start ging. Bij Eugeen gebeurde dat in de jaren '30, toen hij zowel de redacties van Lenteweelde en Zonneland (beide uitgege­ven te Averbode), als die van De Blauwvoet (Leuven), met zijn waarschijnlijk Brabants doortrilde teksten wist te begeesteren.

Hij publiceerde graag. Al waren de artikels die hij bracht, nooit academisch geladen, maar eerder heemkundig geschoeid. Hij publiceerde véél. Meestal deed hij dat onder zijn eigen naam of soms onder deze van zijn begrijpende echtgenote M., Mia Van Hulle, of Vanhulle. Hij schreef in De Bond als Heemschut; en in Het boerenfront als Joost of Joos van Broeckveld; ook gespeld Broekveld of Broeckveldt. Hij ging schuil achter Tor van Kesters, Eén van de drie, E. van Assche, Pelgrim, Wielewaal, Breugelman, Boer Jan en tenslotte Diktus van 't Perreveld, onder welk pseudoniem hij in 1954 z'n novelle 'Dolf de Zoutman' had laten verschijnen.

50 jaar geleden

Eugeen Van den Broeck wordt in januari 1938 door toedoen van zijn vriend Frans Lettens, bij hoofdredacteur Fons Martens van ‘Ons Volk’ gebracht, die hem als redacteur­illustrator aanneemt voor zijn weekblad, dat vanaf dat ogenblik in kleurendruk wordt uitgegeven.

En hij tekent. Hij ontwerpt de omslag en talrijke tekeningen voor Het Vlaamsche kerstboek 1938 en 1939. Hij verzorgt het illustratieve gedeelte van zowel Ons Volk als Ons Volkske, van 1938 af. Hij doet dat telkens in ietwat houterige stijl (hij is niet voor niks een loot uit een geslacht van houtbewerkers!), die typerend is, zowel voor zijn tekeningen als voor zijn later knipwerk. Hij gaat van meet af aan op reportage. Op 6 februari 1938 verschijnt zijn eerste bijdrage waarin hij de lijnarabesken van Jos Speybroeck behandelt. Eén maand later is hij bij de 60-jarige Emiel Hullebroeck te gast. En na Jos Speybroeck en Emiel Hullebroeck volgden in de loop der jaren: pater Verschueren van het woordenboek, Karel en later Willem Van Wynendaele, Pol Jacquemyns, Louis De Lentdecker, Bert Peleman, Gaston Durnez, Urbain Van de Voorde; in de streek rond Asse: kunstschilders Karel De Bauw, Frans Coppens uit Hekelgem, Tuur De Rybel uit Buggenhout, zijn broer Bert Van den Broeck uit Opwijk, Juul Keppens uit Lebbeke; verder Wies Moens, Jan en Paul Lindemans, Roger De Boeck, Minner; de Bond der Grote Gezinnen, V.O.S., en andere Vlaamse verenigingen; in zijn pensioenjaren zette hij zijn journalistieke bedrijvigheden voort in ‘De Galm’, ‘De Asschenaar’, ‘Konkreet’, ‘Ascania’, vooral met interviews bij jubileumparen, met boekbesprekingen, verslagen, rijmgedichten, enz..
Toch gaat zijn volle aandacht naar het toeristisch mooie Vlaanderen. Hij levert bijdragen over Diest, over 0.L.Vrouw ter Muyle te Liedekerke-Teralfene; over Heren­tals, Halle, Lo, Koersel; over Oudenburg, Vlassenbroek en Lummen; over het Torenhof te Kobbegem ... En ga zo maar door.

In totaal een 50-tal bijdragen, waarin men zijn liefde voor Vlaanderen en voor zijn Brabant haast met de ellebo­gen aanvoelt.

De tweede wereldoorlog.

Wij schrijven mei 1940. Eugeen Van den Broeck ‘beleeft’ z'n 30ste levensjaar. Hij wordt redacteur bij ‘Het Alge­meen Nieuws’. Hij zal daar tot september 1944 blijven. Niet als een politieke verslaggever, maar als volksver­liefde, die de rubriek voor de vrouw, de rubriek voor de jeugd en gedurende een zekere periode, de filmrubriek verzorgt. Hij schrijft ook andere artikels, meestal van heemkundige aard.

Later werden deze artikels tegen hem uitgespeeld, ook al waren sommige menslievend van inhoud, dit in tegenspraak met de altijd ‘rechtvaardige rechters’ die hij na de bevrijding ontmoette.

Voorbeeld van zijn stijl is het artikel ‘Sint-Maarten, een geliefde volksheilige’ dat op 11 november 1940 in ‘Het Algemeen Nieuws’ verscheen en de aanleiding was dat Sint-Maarten tot patroon van ‘Winterhulp’ werd uitgeroepen. Eens de oorlog voorbij verschijnt hij in 1947 opnieuw op de redactie van ‘Ons Volk’, dit keer onder de leiding van Pol Heyns.

Hij heeft het daarin op 4 mei 1947 over zijn ‘Assche’. Hij schrijft later over Schoon Wemmel; over Kortrijk, de stad van de guldensporenslag; over Ronse, Alsemberg, Vlassenbroek en Wieze; over de steltenlopers van Merchtem; over Hekelgem, land van molens en abdijen, van zwierige zandtapijten en heerlijke vergezichten; over Moorsel, waar Sinte-Goedele kwam bidden; over de Sterre­zangers die hun ronde doen in Vlaanderen, en zoveel meer

Telkens, in een artikel, zien wij het begaan zijn met en het vergroeid zijn van Eugeen Van den Broeck met zijn volk en met zijn Vlaanderen. En dat hij de streek van Asse, die de zijne was en nog altijd is, op een eerder chauvinistische wijze in het merendeel van zijn artikels betrok, is een misschien niet gans normaal verschijnsel in de wereld van de journalistiek, al typeert het ergens de liefde die hij toedroeg tot zijn streek, die hij tot op de gevel van zijn woning toe in ‘heemschut’ wou bescher­men.

Onder de vleugels van Pol Heyns

Ik leerde hem kennen in oktober 1954, tijdens mijn eerste dagen bij de nv Periodica van de Standaardgroep. Eugeen diende, als naaste medewerker van de ons veel te vroeg ontvallen Pol Heyns, zijn dagen te vullen met het vertalen van breiwerken en het ontwarren van de inner­lijke moeilijkheden die zich ook destijds afspeelden in de harten van tal van Ons-Volklezeressen. Hij zorgde tevens voor de ‘Korte inhoud’ die wekelijks boven het ge­zinsfeuilleton van Ons Volk diende geplaatst. Hij las dan vluchtig de tijdens de voorbije week verschenen tekst, schreef in 't kort wat er in die bladzijden was voorgevallen en voegde die korte dingetjes gewoontege­trouw bij elkaar. Tot hij na maanden tot de ontdekking kwam dat er weken lang meer ‘korte inhoud’ dan ‘feuilleton’ was verschenen. Hij reageerde met een ‘sakkerse’, al stond hij nooit lang stil bij die dingen.

Thieu Croonenberghs (de rechtvaardige rechter in de TV-reeks ‘Beschuldigde, sta op’, vertelt in ‘Eugeen Van den Broeck 60’(1971) een en ander over de tijd die mijn kennismaking met de Standaardgroep en met Eugeen Van den Broeck voorafging.

Pol Heyns beschikte daar, naast een secretaresse, over Eugeen Van den Broeck, die de layout van de illustratie verzorgde en zich ondermeer bezighield met reportages enzovoort. Zo hielp, aldus Thieu Croonenberghs, deze kleine equipe de oude flamingantische illustratie, waar­aan Eugeen Van den Broeck reeds vroeger zijn medewerking had verleend, opnieuw op gang brengen. Zo heeft Eugeen ook de evolutie van het weekblad op de voet kunnen volgen. Oorspronkelijk opgevat als een uitgave voor een beperkte Vlaamse elite, werd het blad langzamerhand een echte familiale illustratie die reeds na enige jaren meer dan honderdduizend gezinnen bereikte.

Op eigen wieken

Na het overlijden van Pol Heyns heeft Eugeen Van den Broeck de krachttoer klaargespeeld om gedurende verschil­lende jaren en zonder noemenswaardige hulp, zowel de inhoud als de samenstelling van Ons Volk te verzekeren en zulks niettegenstaande het blad in omvang toenam. Hoe hij het heeft volgehouden, is voor mij nog een raadsel, aldus Thieu Croonenberghs.

Later kwam daar verandering in. Hij ‘regeerde’ tot hij op rust ging, over een staf van een viertal redactrices en over een gespecialiseerde ploeg van tekenaars en illustrators.

Thieu Croonenberghs is van oordeel dat Eugeen Van den Broeck, die gedurende vele jaren met het leven van ‘Ons Volk’ verbonden is geweest, er zijn stempel heeft op gedrukt en dat het succes ervan voor een groot gedeelte aan hem te danken was.

Ik schrijf wel ‘was’, om reden dat Ons Volk in 1976, na het faillissement van de totale Standaardgroep werd opgedoekt. Enkel voor de titel van Ons Volk had Het Rijk der Vrouw oog. Zowel de redactieploeg als de mensen van de drukkerij die voor de technische realisatie verant­woordelijk waren, liet men tijdens die zonnige zomer vallen.

Eugeen Van den Broeck, die me tijdens de jaren '60 en ook nadien de gelegenheid bood me via de kolommen van ‘Ons Volk’ journalistiek te ontplooien, heeft met spijt in het hart de dood van ‘zijn blad’ meegemaakt.

Hij kwam tijdens de Standaard-periode met de meeste journalisten van de krant in contact.
Pol Jacquemyns noemde hem ‘de altijd blijmoedige werker, de gulhartige collega, de overtuigd uitbundige jonge man.‘

Hij werd door de redactie van Ons Volk en van De Standaard, naar het zeggen van Thieu Croonenberghs, als een van de meest sympathieke, enthousiaste en bekwame collega's beschouwd. Hij was de man die zich, naar zeggen van Gaston Durnez, op het hoogtepunt van de Tweede Wereldoorlog, toen velen armoe leden, in z'n journalis­tiek werk tegen de woekeraars kantte door wier toedoen de kleine man werd uitgebuit.

Hij is, zo gezien, altijd een journalist apart geweest. Zijn naam is intens verbonden aan het stripverhaal ‘De zwarte van Mijnheer De Wit’, dat over de repressie handelt. Het verscheen van 9 tot 30 april 1947 in ‘Het Nieuwsblad’. Het scenario was van Pol Heyns. Het verhaal werd door Willy Vandersteen in potlood, lichtjes en stijlloos, getekend en door Eugeen Van den Broeck in inkt gezet. Het is een stripverhaal dat geschiedenis zou moeten maken. Toen ik Willy Vandersteen over de wordingsgeschiedenis van dit tekenverhaal sprak, zei deze dat hij zich niet alles herinnerde ... Eugeen herinnert het zich maar al te goed.

Medewerking aan Het Boerenfront

Eugeen Van den Broeck verzorgde van 1954 tot 1964 onder de schuilnaam Heemschut, een bladzijde voor de Jeugd in ‘De Bond’, het weekblad voor het grote gezin. Uit die vaste medewerking groeide het drievoudig ‘Werk- en Spelboek voor de Jeugd’.

Hij leverde tal van bijdragen voor ‘De Koornbloem’, landbouwweekblad en orgaan van de S.M. Redt u zelven, Aalst, en voor ‘Het Boerenfront’ van Louis Van Kerckhoven.

Eugeen Van den Broeck leerde in 1938, vlak voor de jongste wereldoorlog, op de nv Periodica te Brussel, waar ‘Het Boerenfront’ werd gedrukt, de toenmalige hoofd­redacteur Marcel Reynders kennen, die hem in 1947 vroeg om ieder jaar, voor het Kerst- en Nieuwjaarsnummer van zijn weekblad, een artikel of een Kerstverhaal te schrij­ven. Wat Eugeen tot 1965 en ook later na 1967 deed.

Hij schreef in ‘Het Boerenfront’ nooit over de landbouwtechniek, noch over de boeren op de akker, maar over de boerenadel en over de kunst bij de boer, de buurtschap en de boerenhulp.

Hij vertelde Louis Van Kerckhoven over zijn vader, die wagenmaker was. Deze had ‘Avans! Meer Avans!’ als levensregel. Hij erfde van hem de handigheid om over handige dingen te schrijven. Hij had het ook over zijn moeder, die erg spraakzaam en diep godsdienstig was, en van wie hij de liefde tot de medemens, tot de boer en de buur heeft geërfd.

Eugeen Van den Broeck is inmiddels, na al die jaren, een halve eeuw lang, de ongewone ‘journalist’ gebleven. Hij is van zijn Opwijkse jeugdjaren uit, via de hoplochtingen, de bossen, de beken, de hoeven, de stallen en de schuren, in die andere wereld terechtgekomen, die ‘heemschut’ noemt, en die hij samen met z'n vrouw Maria, nog jaren wil ‘beleven’.

Karel De Decker
Willebroek, 17 juli 1988