Documenten‎ > ‎Muziek in Asse‎ > ‎

De Breugelfanfare van Walfergem


door Karel Walschap.
(Uit Asse Vroeger en Nu, deel 1. Eugeen Van den Broeck, 1988)

Alhoewel Eugeen Van den Broeck niet alléén aan de basis lag van de Breugelfanfare, kunnen we toch gerust stellen dat het schier onmiddellijk ‘zijn’ fanfare geworden is en een levenswerk als het ware.
Inderdaad, het is een serieus stuk van zijn leven geweest. Van 1952 tot met zijn hartaanval in 1983, was hij zeer intens met deze vereniging bezig en nadien volgde hij nog van nabij het reilen en zeilen met een tikje weemoed, omdat hij er niet altijd meer bij kon zijn.

Dat de Breugelfanfare mede door Eugeen het licht zag in 1952, na de feestelijkheden van een gouden bruiloft in café ‘'t Kanon’ te Walfergem, weet onderwijl wel ieder­een. Wat de Breugelfanfare was, weet ook wel iedereen, want wie ze nog niet aan het werk zag, moet wel in een godvergeten hoek leven, en dan nog! Maar echt een definitie geven van de Breugelfanfare, dat kan zelfs Eugeen niet!
Het was geen echte folkloristische groep en ook geen fanfare, wel een kleurrijke bende mannen, vrouwen en kinderen in Breugheliaans kostuum, die ‘muziek’ maakte op namaakdoedelzakken, gesteund door accordeons en slagwerk, en die steeds de doelstelling nastreefde die Eugeen voorhield: ‘Plezier maken in eer en deugd en dat plezier overbrengen naar de mensen’.

Eerst was Eugeen ondervoorzitter, nadien jarenlang voor­zitter en nu erevoorzitter, maar steeds de onvermoeibare werker, de inventieve plannenmaker en de onmisbare ‘public relationsman’, die, mede doordat hij overal gekend was, ontelbare contracten aanbracht voor optredens in binnen- en buitenland. Want optreden heeft de Breughelfanfare werkelijk ongelooflijk veel gedaan.

Ik herinner mij nog zeer goed het prille begin, toen de groep nog niet gekostumeerd was en Eugeen mij aangenaam verraste met het in ere herstellen van een oud gebruik. Als eerste lid dat gedurende het bestaan van de Breugelfanfare in het huwelijk trad, zouden mijn kersverse echtgenote en ik natuurlijk een serenade krijgen. Maar Eugeen maakte er weer iets bijzonders van. Op de avond van de huwelijksdag en voor een groot aantal nieuwsgie­rige buren, deed hij de bruid, na het voorlezen van een aangepast rijm, een met stro gevulde oude broek in brand steken. Ondertussen speelden de mannen ‘en sourdine’ de dodenmars! Spijtig dat dit ‘verbranden van de Jonkmans­broek’ slechts éénmaal uit de vergeethoek werd gehaald!

Later, met de kostumering en in de periode van de grote stoeten verkoos Eugeen gekleed te gaan als Pieter Breughel en liep hij meestal achter de muzikanten met een stevige Breughelvrouw aan de arm. Hij moet zich toen, midden die kleurige groep, met bierton en taartdeur, gedragen door de vrouwen, wel degelijk een beetje Breughel de Oude gevoeld hebben. De vlag die vooraan gedragen werd, geflankeerd door Breughelkinderen, was vanzelfspre­kend ook door hem ontworpen. Ja, wanneer ze voltallig was, vormde de Breugelfanfare een kleine stoet op zichzelf.

Eugeen was de vriend van elk lid, maar ook de gedroomde leider. Hij wist zijn mannen aan te pakken, o.a. door zijn beruchte ‘parollekes’. Bij elke uitstap, voor het vertrek in de bus, zette hij de opdracht van die dag uiteen en riep op tot algemene inzet en bij aankomst bedankte hij allen en maakte hij hen reeds warm voor de volgende opdracht. Ook als de groep in een of ander café uitblies met natuurlijk een frisse pint, hoorde men, na verloop van tijd, Eugeens klassieke: ‘Mannen drinkt ulle pint uit, ge krijgt nog twee minuten-en-half!’. En inderdaad - het kon ook na vijf minuten zijn - maar mensen en materiaal stonden op tijd buiten, klaar om weer te vertrekken.

En zoals ik reeds zei, die uitstappen en optredens waren talrijk, dat kan ik U verzekeren. Daar waren eerst en vooral de plaatselijke activiteiten als serenades met aangepaste toespraak en originele geschenken bij huwelij­ken, jubilea, straatinwijdingen, openingen van cafés, enz.

En dan de carnavalsoptochten en folkloristische stoeten in tal van Vlaamse en Waalse steden en zelfs in Nederland en Frankrijk. Dat eiste van Eugeen telkens een boel denk- en schrijfwerk voor zijn rijmen of knipwerk voor geschen­ken. De ‘paperassen’ liet hij aan zijn mannen over.

Als leider en verantwoordelijke heeft hij dikwijls water en bloed gezweet. Dat liet hij natuurlijk aan zijn mannen niet merken, maar menigmaal, wanneer ik hem 's avonds met de wagen naar huis bracht, vertrouwde hij me met een zucht toe: ‘De taak is weer volbracht en 't is weer goed afgelopen, maar Karel joeng, ik heb met de poepers gezeten zulle! Ne mens moet toch altijd afwachten hoeveel mannen er zullen aanwezig zijn en of ze het goed gaan doen. Sjonge, sjonge, ne mens trekt toch wat over zijne kop hé!’

Maar Eugeen kon ook zo fier zijn als een gieter op zijn ‘Fanfare’. Als hij zijn mensen kon voorstellen aan hoge pieten als indertijd de Britse ministers Bevan en Gaitskell, of de dochter van de Graaf van Parijs, gehuwd met een de Limburg Stirum van Huldenberg, of Koning Boudewijn en Fabiola! Ook bij buitengewone prestaties als open luchtspelen, door hem zelf geschreven (Ronsevaal, Walfergem, De Salamander te Buggenhout. Puurs. Bokrijk), kon hij trots zijn als een pauw. Hij aarzelde dan ook niet mensen in te schakelen zoals zijn schoonzoon Mandus De Vos, als zanger en acteur, en zijn broer Bert Van den Broeck, voor het grimeren.

Ook de vieringen van 10-, 25- en 30-jarig bestaan waren onvergetelijk. Het eerste jubileum ging door in de garage Van Riet te Walfergem, die voor de gelegenheid werd omgetoverd in theater- en balzaal. Er was een Breughelshow, twee dansorkesten en een sportshow met bekende sportmannen en sportjournalisten door Eugeen (natuurlijk) uitgenodigd.

Voor het 25-jarig bestaan kreeg Eugeen het voor mekaar een stoet met 27 groepen door de straten van Walfergem en Tenberg te laten trekken en ook op een paar dagen tijd, een tentoonstelling ‘25 jaar Breugelfanfare’ in elkaar te boksen, toen de verantwoordelijke hiervoor wegens ziekte uitviel.
En dan de ‘Breughelmissen’... De Breugelfanfare met haar mirlitons en accordeons in de kerk! Kon dat? De sympathieke pater Guido, pastoor van Walfergem-Tenberg, een fervent supporter van de Breugelfanfare, deed het voorstel om eens een Eucharistieviering op te luisteren. Eugeen stond een ogenblik perplex, maar dan ging zijn computer al aan het werk:

‘Waarom 'niet, Ons Heer houdt ook van plezier. We spelen aangepaste liedjes ... en we kunnen de kerk binnenmarcheren met ons lijfstuk ‘Hoor de muzikanten’ ... Zo gebeurde het en met succes! Een volle kerk applaudiseerde spontaan en Eugeen zei: ‘Tot volgend jaar!’ Het gevolg was een vijftal ‘Breughelmissen’ in de kerk van Walfergem en één op uitnodiging in de kapel van het rusthuis ‘Hingeheem’ te Asse.

Dat alles was natuurlijk in de bloeiperiode. Zo kende ook Eugeens Breugelfanfare haar hoogtepunt. U merkte het misschien dat hier in de verleden tijd is geschreven. Inderdaad, het ledenaantal dat vijftig tot zestig mannen, vrouwen en kinderen in Breughelkledij telde, kende een langzame teruggang, hier en daar wel een vernieuwing, maar geen verjonging, en mede door tegenslagen als ziekte (Eugeen zelf niet uitgesloten) en sterfgevallen werd eerst afgezien van deelname aan stoeten en optochten en later noodgedwongen overgegaan naar ‘Vriendenkring van de Breugelfanfare’.

Na 35 jaar bestaan (wat weinigen zouden durven voorspeld hebben), treedt de Breugelfanfare nog slechts heel sporadisch op met een beperkte groep, maar de vriendschap onder de overlevenden is nog sterk. Zij blijven samenko­men om Cecilia te vieren en te luisteren haar erevoorzitter Eugeen Van den Broeck, die de vroegere, grootse prestaties of plezante anekdotes met zichtbaar genoegen aanhaalt...
Zoals we in het begin reeds schreven, het was een heel serieus stuk uit Eugeens leven. Met een vleugje spijt en heimwee zegt hij zelf over ‘zijn’ Breugelfanfare: ‘Aan alles komt een eind. We gaan er niet om zuchten, het was schoon, het was goed...’.
 
Karel Walschap

Comments