Documenten‎ > ‎Muziek in Asse‎ > ‎

't Vlekkenmuziek


't Vlekkenmuziek van Katerveirent

door René Lengeler
(uit tijdschrift Ascania 1993-1)
 
Hetgeen ik nu vertellen ga heeft, naar mijn gedacht, geschiedkundig niet veel waarde alhoewel men mij bevestigt dat de feiten niet liegen. 't Is allemaal echt waar.

Op een zaterdagavond zaten zij daar allemaal bijeen, de notabelen van Katerveirent. Zij hadden bij Wieman van Bello te scheren geweest en zij dronken alsof zij naar een feest mochten. 't Was kort na nieuwjaar en er was sprake van verloren maandag. Die dag werd zowat in alle steden gevierd en Menierken de Waal, waard van Het Wit Paard, dacht zo in zijn eigen dat dat hier op Katerveirent ook moest kunnen. Wat zou hij doen, een rondje geven of wachten tot de anderen, Jeanken en Lowie van de Wutten, Louis Nijf, Chalen Pastiels, Ritteman, Kreimer, Rik van Wales en Pië van Elzen er zouden van beginnen? Hij zou ne keer me steentjes smijten zie!

"Zeg mannen" begon hij, "als we nu eens met een stromuzieksken tot in de Nieuwstraat zouden gaan en enkele cafees aandoen, zo voor een zwanspartieken, dat zou nog eens plezant zijn zie". Chalen Pastiels was de eerste die beet: een stromuzieksken? Gij zijt gij niet goed zeker. Wij hebben muzikanten bij de vleet en in nood vragen wij er nog een paar bij. Laat eens zien: den Beir, Kadojt, Staaf van Keustes, Janneken van Wales, Wieman, Frans van Belloken van onze Staaf, Mil Mijeït, Noë van Jannes en dezen en degenen. Een heel fanfare begot en gij zoudt een stromuzieksken ineensteken".

"Jamaarja" zei Menierken "zover had ik het niet gedacht. Gij ziet dat onmiddellijk in 't groot. Wij zitten wij hier op Katerveirent zulle" en hij deed heel gemeend. "Als ge iets doet moet ge het goed doen" replikeerde Chalen en de anderen waren het daar volkomen mee eens, enkel Kreimer en Rik van Wales twijfelden een beetje. Zij waren maar keuterboerkens en zij dachten dat zij in hun zak zouden moeten schieten.

Zover was men nog niet maar zij zouden op Verloren Maandag een stichtingsvergadering beleggen. Ieder moest er maar eens over peinzen en zoveel mogelijk vrienden en kennissen aanspreken en hun vragen op deze vergadering aanwezig te zijn. En er moest een bestuur gekozen worden. Zij liepen al vooruit, zeer ver vooruit maar een ding was nu al zeker, zij hadden een wil en waar een wil is is een weg. Menierken dacht, hier zit muziek in en sluiks wenkte hij Mie die seffens met de pot lambik rond ging en elk eens inschonk op de goede afloop.

Zij kaarten na, babbelden honderd uit, dronken er nog eens op en vergaten dat zij goede papieren zouden moeten hebben om maandag terug op stap te mogen gaan. 't Was nog maar juist nieuwjaar geweest, een zondag in de week, en nu van zaterdag tot maandag weg, waar zou 't geld blijven vandaan komen. Menierken die had schoon proten, die verdiende geld gelijk slijk en gooide het te grabbel alsof hij er vies van was. Wat dachten die mannen wel. Zo redeneerden de vrouwen en spraken er ondereen over de zondag na het lof. Maar de maandag, in de vooravond, staken zij een paar ijverig gespaarde centen in het vestzakje van hun loebas. Hij kon toch niet uitgaan op de kap van een ander en zij hoopten vurig dat die sociteit er kwam, eender hoe, als er maar iets kwam waaraan de vrouwen ook iets hadden.

De mannen, leep als ze waren, hadden in geuren en kleuren uitgewijd over een fanfare en een bal en airekens 's zondags achternoens. Allee men zou van Katerveirent spreken. Er zou ontspanning komen, voor groot en klein, en nog veel meer.

't Werd een succes. Men verdrong zich bij Menierken om aan de toog en aan een pint te geraken. Menierken had zijn zoons en schoondochters ter hulp geroepen want het was erger nog dan met paasmaandag als 't kermis was. De inrichters hadden zich teruggetrokken in de keuken om beter te kunnen beraadslagen. Men noteerde de namen van de kandidaten en deze werden door Jors van de Wutten, die een mooi handschrift had, op een bord geschreven. Lowie Nijf vroeg stilte en verzocht de aanwezigen te stemmen door handopsteking. In feite was dat overbodig want het bestuur was al samengesteld en er was maar een kandidaat voor elke funktie, dus: voorzitter werd Lowie Gorlias, alias Menierken; schrijver Jors van de Wutten; penningmeester Lowie van de Wutten; muziekmeesters Noë van Jannes, den Beir en Chalen Pastiels. Drie muziekmeesters, dit was uitzonderlijk, in feite was den Beir de enige echte muziekmeester maar hij was ook Chef van de Gilde en van nog andere muziekmaatschappijen in naburige gemeenten.

Zijn tijd was dus uitermate beperkt en daarom werd hij bijgestaan door de andere twee die ongetwijfeld goede eigenschappen hadden om een fanfare met succes te leiden. De een vulde de andere aan en ze deden hun uiterste best om alles in goede banen te houden.
Als bestuursleden fungeerden Lowie Nijf, Kreimer, Sjars, Ritteman, Rik van Wales en nog een paar anderen. De kogel was door de kerk. Het vlekkemuziek was geboren. Men koos als naam Sint -Hubertus maar deze werd spoedig omgedoopt in De Breidelzonen. Het teerfeest zou plaats hebben op Verloren Maandag, de maandag na Driekoningen. Muzikanten, leden en bestuur zouden samen met hun wederhelften aanzitten aan de feestdis.

Er volgde een daverend applaus waarna de kelen werden gesmeerd. Enkele muzikanten hadden hun "extrement" meegebracht, daar zou Menierken wel achtergezeten hebben, en weldra vulde de herberg zich met vrolijke deuntjes.

De vrouwen hadden hun kinderen wat vroeger slapengelegd en kwamen, nieuwsgierig als zij waren, hun man vervoegen. In de deuropening bleven zij verwonderd staan bij het zien van het vele volk en bij het horen van de meeslepende muziek. Zij voelden de kriebels in hun lijf en liepen hun echtgenoot tegemoet voor de eerste polka van De Breidelzonen. De eerste Verloren Maandag duurde tot in de kleine uurtjes en het zou de laatste niet zijn. Er bleef evenwel nog veel te doen.

De volgende weken ging het bestuur op stap om geld in te zamelen. Eerst bij de brouwers, de bierstekers en de herbergiers. Die zouden er het best bij varen. Dan bij de neringdoeners en tenslotte bij de gegoede burgerij. Zij ronselden muzikanten. Om het even welke klarinet, saxofoon, bugel of trombone trakteerden zij spontaan en tussen pot en pint overtuigden zij deze om toch ne keer naar de repetitie te komen.

Tegen pasen was het zover. Ze hadden al tweemaal gerepeteerd en op paasdinsdag zou de eerste uitstap plaats hebben ter gelegenheid van de plaatselijke kermis. Er waren zeventig spelemannen present. Zij bliezen zich de ziel uit het lijf en goten in de plaats een hele emmer bokskens binnen. Zij zorgden voor een onweerstaanbare publiciteit want bij elke volgende repetitie boden zich weer nieuwe muzikanten aan.

Bij Menierken zat men met problemen. Waar moesten al die mannen een plaats vinden? Er was gauw een oplossing gevonden. De grote kamer, grenzend aan de gelagzaal, werd ontruimd. Zij zou tot muziek- en feestzaal worden omgetoverd.

De Breidelzonen hadden een blitzstart. Ieder die het zich enigszins kon permitteren wou de muzikanten een pint betalen en omdat zij in verschillende herbergen "iets te goed hadden" waren zij zedelijk verplicht af en toe een uitstap te doen en dat bracht stemming in ons gehucht. De vrouwen nog geestdriftiger dan hun mannen-muzikanten en zij volgden elke optocht. Zekere dag werd de vereniging uitgenodigd een voetbalmatch op te luisteren op het veld van Daring Brussel, Daar zat Pieter van Menierken voor iets tussen. Hij had rond die tijd nogal wat karweitjes moeten opknappen op de terreinen van de club en vele malen, van de hevige dorst, de kantien bezocht en er zitten vertellen over de Breidelzonen en over hun schoon muziek tot het aan de oren kwam van een van de bestuursleden die niet aarzelde om de kondities te vragen. Die waren vlug vastgesteld.

"Ik ben de zoon van de president" zei Pieter "ge geeft wat ge wilt. Ge betaalt de verplaatsing en zorgt voor een pistoleken en enkele pinten". Het clubbestuur vond dat uitstekend en de volgende thuismatch stapten de Breidelzonen fier en gezwind het veld op. Den Beir had zich speciaal vrijgemaakt. Ze zouden die Brusselaarskens eens wat laten zien. "Mannen opgelet, allemaal tegelijk" en goed in de pas schreden zij het veld over, Swakken van Soë de Garde met het minuskuul plakaatje, waarop "De Breidelzonen", voorop. Hij deed het zo gewichtig, zo plechtig als een engeltje in de processie met meikermis.

Zij kregen applaus na elke mars en wisten van geen ophouden. Zij gingen zo in de muziek op dat zij het fluitsignaal van de arbiter niet hoorden en er een delegué aan de mouw van den Beir moest gaan trekken om hen van het plein te leiden zodat de match toch tijdig kon beginnen. Zij werden naar de kantien geloodsd, waar een lange tafel gedekt stond met pistolees en boterhammen belegd met verschillende soorten worst waarvan men bij ons, in de verre uithoek van Asse, het bestaan niet vermoedde.

Zij mochten boksken drinken van de Bavaro Beige zoveel zij lustten en zij kregen, voor hun vrouw of hun lief, elk een tablet "suikerlat" van de Victoria waarvan de eigenaar-directeur voorzitter was van de voetbalclub Daring Brussel.

Zij konden hun ogen niet geloven en waren zo verbauwereerd dat zij een groot deel van de eerste helft misten. Zij gaven er niet om. Bij de rust, als de spelers de kleedkamers opzochten en de trouwe supporters de kantien innamen, stapten zij opnieuw het plein op achter Swakken en den Beir. Zij deden zo hun best dat zij bij het verlaten van het veld luid werden toegejuicht al zou het feit dat de plaatselijke spelers al een komfortabele voorsprong hadden bijeen gestampt er ook niet vreemd aan hebben geweest. Niettemin achtten kenners het een formidabele prestatie.

Zwetend van de inspanning en van de zenuwen ging het terug richting kantien. Nu waren de tappers en diensters van de pinten geen meesters meer. Onze mannen vlogen erop lijk vliegen op siroop zo een dorst hadden zij van al dat geblaas, gekregen. De secretaris dacht dat het al welletjes was geweest en verzocht iedereen zijn plaats op de tribuun in te nemen; straks na de match zou er nog een extraatje volgen.

Zo gezegd zo gedaan. Zij gingen danig in het spel op. Zij moedigden vriend en tegenstander aan en wanneer er een goaltje werd gemaakt stootten zij, op hun trompetten, enkele vreugdetonen uit. Die avond zijn zij laat naar huis gekomen en de vrouwen die niet waren meegereisd waren verre van kontent. 't Zou niet meer voorvallen zeiden zij, zoiets kon men u maar een keer lappen. De Breidelzonen hadden op de Daring hun examen afgelegd. In die tijd was Brussel nog één groot dorp en die van Union en van Leopold hadden hun oren de kost gegeven en langs Pië en Pol waren zij te weten gekomen, waar zij terecht konden om dat muzieksken van ginder aan de uitkant van Asse uit te nodigen. En zo gebeurde het dat ze opnieuw naar Brussel mochten. Goed en goedkoop zei men in de hoofdstad. Voor ons niet gelaten dachten de Breidelzonen.

Het ging hun voor de wind. Zij maakten naam en faam. Overal vroeg men waar zij zulke bekwame muziekmeesters vandaan hadden. Alle drie van Katerveirent zeiden zij met onverholen fierheid. De herfst was begonnen en overal was men druk doende met het rooien van de late aardappels en het plukken van de hop. Er werd geploegd en gezaaid, de bieten werden ingekuild en de beesten van de weide gehaald. In de stal werden de dieren dikke grepen rapen voor geschoten en armvollen bietbladeren voor geworpen.

Menierken zat in de Walen, met de hele plukkersploeg. 't Zou de laatste keer zijn dit jaar. 't Was hoog tijd dat zij eraan begonnen want straks kwamen de herfststormen en die zouden de appels en peren, die uitzonderlijk goed gelukt waren dit jaar, niet sparen. Er werd koortsachtig gewerkt en kilo's steenperen, grauwvellen en kalvien werden naar beneden gehaald. In een recordtempo werd de boomgaard leeggeplukt en Menierken was tevreden. Als ze die zaterdagavond huiswaarts kwamen gereden was het beginnen regenen en waaien. Zij waren kletsnat als zij toekwamen en Menierken stelde voor dat iedereen eerst van kleren zou veranderen en dan komen aanzitten aan de lange tafel die, voor de gelegenheid, in de grote kamer was geplaatst.

Net en Mie hadden voor een grote ketel hutsepot gezorgd en hele kannen lambiek klaargezet. Menierken, die tovenaar, had voor muziek gezorgd. Hij had het zo geregeld dat er vanavond repetitie was en de beste muzikanten, zij die op het gehoor konden spelen had hij wat vroeger laten komen en die zouden dan de plukkers vergasten op enige mooie marsen, polka's en mazurka's. Menierken was ne leperd. Na het eten zou hij de mannen hun pree geven en zij zouden er een goed deel van ten beste geven, daar twijfelde hij niet aan. Als ze het bij hem niet opmaakten dan deden zij het elders, dus! Met de muzikanten waren enkele vrouwen meegekomen. Kwestie van op hun man te letten zeiden vuile tongen. Eigenlijk waren zij gekomen omdat zij er graag bij waren en thuis konden gemist worden. De inwonende ouders waren thuis om op de kinderen te passen en die waren allemaal in de kuip geweest en goed gewassen te slapen gelegd.

De stal was gedaan, de beesten gemolken en gevoederd en zo konden zij zich met een gerust gemoed overgeven aan een beetje welgekomen ontspanning. Als de potten leeg waren en alle puttekens gevuld werd de tafel opzij geschoven en de stoelen werden "rinkrond" de kamer gezet. Chalen Pastiels, muziekmeester van dienst, hief de hand op als teken dat men zou beginnen. "Allemaal tegelijk. Bert jong zijdegij nog niet gereed?". Bert greep vlug de koperen scheel in de ene hand, de trommelstok in de andere en gaf een tik op het deksel. Hij was klaar. Er blies nog een op zijn embouchuur om het overtollige vocht uit zijn instrument te drijven en "een, twee, drie", zij waren weg. Niet voor lang want Chalen klopte met zijn dirigeerstokje driftig op de pupiter. Mil Mijeït blies er weer duchtig naast. Men schold zijn kop vol. De volgende keer was het veel beter. Het was duidelijk te merken dat Mil vergat te blazen en maar deed alsof. Zonder één valse noot werd het walsje met een zwier en perfect samenspel afgewerkt. Chalen was opgetogen.

Ernaast, in de gelagzaal konden de vrouwen zich niet inhouden. Zij omarmden malkander en draaiden erop los, rechts en averechts, soms een stoel meesleurend die dan kletterend op de grond viel. Zij hadden niet al te veel plaats en tolden rond in een ritme dat enkele malen de muziek vooruitsnelde. Jonge deernen, wild en welig als kalveren die eerst op de wei komen, draaiden zonder remmen, botsten tegen andere koppels aan en kapten met de hielen van hun schoentjes tegen de knoesels van meer gematigde dansers. Er werd gescholden en "aai" geroepen maar men gunde de jonge meisjes een pleziertje. Zij hadden anders niets en het gebeurde hier allemaal in eer en deugd. "Zij misdoen zij toch niemand iets hé" meende Mie.

In een hoek van de grote kamer was het voltallig bestuur van de Breidelzonen, aan een tafel, bijeen gaan zitten. Lowie Nijf nam het woord : "hoe zit dat nu voor Verloren Maandag, komt er iets van in huis ?" vroeg hij. "Ja het is tijd dat wij eraan beginnen" wist Jors van de Wutten en wat Jors zei was evangelie. Hij was een bezadigd man en geleerd. Hij was bovenal rechtvaardig en zeker niet hoogmoedig.

Met zijn positie zou hij gemakkelijk met die heren van Asse kunnen meedoen en die van Katerveirent van uit de hoogte bekijken, zulke waren er nog. Maar neen, Jors was en bleef van Katerveirent. Dronk een pintje met de mensen van hier, met eender wie, hij maakte geen onderscheid. 's Zondags speelde hij kaart, op de bak of op de meet al naar gelang. Wel ging hij tijdig naar huis. De tijd was er om ge-respecteerd te worden zei hij en al begreep men dat niet altijd, men vond het fijn gezegd en men gaf hem gelijk.

Dus, Jors had gezegd dat men er moest aan beginnen en men vatte onmiddellijk de koe bij de horens. Er werd besproken welke herbergen men met een bezoek zou vereren en men moest Menierken er meer dan eens opwijzen dat hij de concurrentie ook eens aan haar trekken moest laten komen. "Jaja, maar wat doen zij voor ons" opperde Menierken en hij had nog geen ongelijk ook.

Er werd besloten een feestkomiteit op te richten. Dit zou moeten instaan voor het samenbrengen van de nodige financies. De vorige bezoeken die zij hadden afgelegd hadden hun toegelaten van wal te te steken. Nu ging het om het voortbestaan. Men zou beginen met een bezoek te brengen aan de meer dan twintig stamineebazen. Neen, neen niet op een avond maar meer gespreid over een paar weken. Laat ons zeggen dat tegen Allerheiligen alles moest klaar zijn.

De herbergiers werden verzocht erelid te worden en een jaarlijkse bijdrage te betalen. Als tegenprestatie zou de fanfare langskomen op Verloren Maandag en bij andere gelegenheden. Zij zouden een aireken spelen en een pintje drinken. Het moet gezegd worden dat de overgrote meerderheid de bijdrage neertelde, zonder haperen, en dat slechts enkele pesewevers niet meededen. Die moesten later niet meer afkomen, zij hadden de gelegenheid gekregen.
De cafébazen zouden op hun beurt van de brouwers zoveel mogelijk centen trachten los te krijgen. Er het maximum uit te halen.

"Het zal nodig zijn" meende Jors. "Wij zijn al met rond de honderd muzikanten, vanwaar ze gekomen zijn weet ik niet. Feit is zeker dat al die mannen moeten eten en drinken. Ik weet wel, voor niets gaan de katten, toch moet men er rekening mee houden dat er zaad in 't baksken moet zijn". Jors dacht aan alles. Hij kon het goed zeggen. Met weinig woorden en iedereen begreep hem. Zelfs Swakken van Lowiekes die zijn mond niet kon houden als iemand sprak. "Hehehe, Jors die weet het allemaal" dacht hij toch te moeten zeggen. Jors schonk er geen aandacht aan maar Noë van Jannes verzocht Swakken te zwijgen en te luisteren en als hij persé iets te zeggen had zijn hand op te steken en het woord te vragen lijk men dat in echte verenigingen deed. "Chutchut" deed Jors "wij zijn wij een echte vereniging".
 
Men zou het erop wagen de gegoede burgerij aan te spreken en steun te vragen en er tegen een fikse bijdrage ereleden van maken. Er werd besloten volgende week opnieuw te vergaderen en de resulttaten van de eerste contacten te evalueren. Van die volgende vergadering werd jaren later nog gesproken. Soms nu nog, als het te pas komt, al zijn de acteurs van toen allemaal al lang overleden.

Een paar dagen voor de bijeenkomst werd er uitgestrooid dat de bestuursleden, als dank voor hun inspanning, zouden vergast worden op een lekkere konijnensoupee. Konijn, 't is niet om te stoefen, maar nergens op de wereld kon men konijn zo lekker klaarmaken als op Katerveirent. Dat kwam omdat de meeste meisjes hier op het kasteel van de Morette hadden gediend en er hadden leren koken als in de beste eethuizen. Daarbij kwam nog dat er hier konijnen bij de vleet waren. Ten andere, er waren hier verschillende boswachters als Soë de Garde, Ree Kalot en Oscar, en waar boswachters waren, de een vult de andere aan, ook stropers. Er waren publieke stropers, gekend maar moeilijk te betrappen. Er waren ook anonieme brakkeniers die geregeld hun provisie meebrachten van 't veld. Ge moest oppassen voor mannen die overandere dag beerden. Mijne kop af als er geen langoor in het beervat, op hun kruiwagen lag, als zij terugkwamen van hun akker.

't Zou dus een lekker maal worden en sommige bestuursleden waren met hun hoofd meer bij het konijn als bij het thema van de vergadering. Zij die meestal te laat kwamen waren lang voor de vergadering begon aanwezig en hun mond schoot vol water als zij het aroma van de stoofpot in de neus kregen. Zij bestelden een potteken lambik om in de lijn te blijven want seffens zou het maal begeleid worden, daar was geen twijfel aan, door lekkere schuimende, ongeëvenaarde geuze d'Assche van Rie van Rikskes. De tafel werd gedekt, ieder was present en werd verzocht aan te schuiven. De borden werden volgeschept. de glazen gevuld en er werd "smakelijk eten" toegewenst. Het geroezemoes viel stil en het bestuur stortte zich op de borden alsof zij dagen niet gegeten hadden.

Er kwamen geen messen bij te pas. De vork werd slechts in uiterste nood gebruikt. Het brood, dat hooggestapeld op borden lag, dopte men overvloedig in de geurige gekruide saus. De geuze, die als marinade had gediend, smaakte lekker door maar men proefde ook de suiker en het scheutje azijn, het laurierblad en de tijm, de peper en het zout. Het was een eenvoudig en toch zo verrukkelijk gerecht. Een délice zou men in Frankrijk zeggen. "Tast maar toe" zei Net "er is van alles genoeg. Nog wat brood Lowie? Een schepje konijn? Als er iemand nog wat wil drinken?". Zij was ongewoon vrijgevig en uitermate inschikkelijk. Zij was veel te vriendelijk maar zij merkten het niet en zij knikten met hun hoofden en wensten nog van alles wat.

Gelukkig waren zij op tijd begonnen want anders zou er van vergaderen niet veel meer in huis zijn gekomen. Voldaan als zij waren en moe van het smullen werkten zij zonder discussie de punten van de agenda af. Het bleek dat hun plan succes had en de voorzitter betaalde nog een rondje van puur contentement. Daarna zou hij de zaak sluiten want het was al vele avonden laat geweest en hij moest 's anderendaags vroeg uit de veren. Als heel het gezelschap buiten was en nakaarte over de voortreffelijke avond riep hij door de halfopen deur "miauw, miauw ne goeie kater is nog zo slecht niet hé mannen".

Naar het schijnt zijn sommige bestuursleden ongesteld thuisgekomen, wie het waren was 's anderendaags makkelijk uit te maken want men kon hun sporen volgen van aan 't lokaal tot aan hun deur. Van konijn eten op een vergadering werd nooit meer gewaagd, over de poets, die toen gebakken werd aan die mannen van het bestuur, wel! Verloren Maandag naderde met rasse schreden. Hoe dichter de dag bij kwam, hoe nerveuzer men werd en hoe banger dat men niet klaar komen zou. Ten lange laatste werd er beslist, om alle deelnemers te kunnen spijzen, een rund te slachten, Mengsken de beenhouwer uit Ternat zou zich over de zaak ontfermen. Hij raadde aan met de buren en kennissen te onderhandelen omtrent de overname van eventuele vleesoverschotten. Bestuursleden liepen de huizen af en weldra bleek dat haast iedereen bereid was, als er vlees over was, een deel over te pakken.

In de schuur van Menierken werd plaats gemaakt. Daar werd de vaars geslacht en aan een balk opgehangen. Vleesblokken werden aangesjouwd en er stond een lange tafel waarop het uitgesneden vlees werd opengelegd. Soort bij soort. Mongsken schatte hoeveel soepvlees en gebraad hij nodig had en vroeg die porties naar de kelder te brengen. Grote stukken werden aan haken opgehangen. Wat overbleef werd gewogen en in pakjes van een kilo gedaan. Het klein vlees werd gemalen en saucissen van gedraaid of samen met ingewanden en kop gekookt en pastei van gemaakt. De staart zou voor de soep dienen.

Op Verloren Maandag, goed op tijd, was iedereen daar. Elke muzikant kreeg een koppel droge worsten; kwestie van geen flauwten te krijgen. Jef van Latter, de komiek van de fanfare, liep nog gauw naar de koer. "'t Is precies of ik zit met 't loemerschijt" grinnikte hij en bedoelde daarmee dat hij zo nerveus liep als een bruidegom de dag van zijn trouw. De grote chef was ook present en Noë en Chalen speelden voor de gelegenheid klarinet en bugel. Zij waren de solisten en aan hun zou heel de rest zich optrekken.

Zij stonden er allen goed uitgeborsteld bij. Elk op zijn plaats, één lange, uitgestrekte groep. Stipt op tijd vertrokken zij. Swatten en den Beir voorop, daarachter de trommelaars, de houtblazers en het koper. Helemaal aan het einde, gedurig uit de pas lopend, leden en bestuur. Een schone groep. Echt waar.
Den Beir had zijn hand opgestoken en de, op voorhand aangeduide, mars trappelde de lucht in. Het was een militaire mars. Die hield er de pas in en stond er borg voor dat zij tijdig de tienurenmis zouden halen die speciaal, voor hun teerfeest, bij de heer Deken van Asse was besteld.

Aan Pië 'n Heuzel viel de muziek stil. De snedige mars had veel geterd. Den Beir liet ze even op hun positieven komen maar aan Clemans van Pastielses draaide hij zich om en stak, achteruitlopend, zijn hand in de hoogte als teken dat het volgende stuk aan de beurt kwam. Hij deed met de lippen en met de hand één, twee, drie en daar gingen ze weer. Zij stapten nu op gelijke baan en de zwier zat er terug in. De kaken bliezen bol, de schouders wiegden op de maat van de muziek en de instrumenten bewogen ritmisch van links naar rechts. In de kerk hielden zij zich koest, alhoewel zij zich vreselijk verveelden en zij sloegen een kruis van verlichting wanneer de priester het einde van de mis aankondigde.

Als ze buiten kwamen snakten ze allen naar een flinke pint bier maar omdat die van de "steenweg" hadden geweigerd een bijdrage te betalen, was er beslist dat de eerste halte zou plaats hebben aan de melkerij, bij Kamiel en Matje. Dus, ieder op zijn plaats zei den Beir en begeleid door de muziek stapten zij op, richting Katerveirent.

Nu was er geen haast meer bij. Aan elk bevriend café werd halt gehouden. Bij het binnengaan kreeg men een speelkaart in de hand gestopt en deze gaf recht op een drankje. Af en toe wou een der jonge muzikanten de virtuoos uithangen en een der nieuwste successen ten gehore brengen. Dat ging niet altijd even gemakkelijk en vaak was hij gelukkig te kunnen rekenen op de steun van een kameraad die dan ongevraagd inviel.

De bende vorderde langzaam, de dorst was gelest en men dronk alleen nog uit gewoonte, een automatisme. Hier en daar werd er een zichtbaar moe. Een andere begon te brabbelen. "Precies op zijn tong geraakt" zei Kadojt die aan een behoorlijk ritme de saucijsjes aan het doorspoelen was.
Als ze eindelijk aan de Zot van Greives de hoek omkwamen riepen Triene Maar en Roze van Wales uit: ze zijn daar!". De soep werd op het vuur geschoven en Rik van Wales, Kreimer en Ritteman die de oven stookten en het vlees braadden, reukelden in de oven de laatste kolen opzij en plaatsten met een zekere handigheid de grote, gietijzeren kookpotten, die zij her en der geleend hadden, in het midden van de witgloeiende oven. Zij zaten een grote marmiet met aardappelen op een komfoor dat zij al een hele tijd brandend hadden gehouden.

Nu zou het rap gaan. Op een parleflink zaten zij aan tafel. Precies uitgehongerde wolven. De soeplepels schransten in de borden, zij slurpten als zwijnen van de romige tomatensoep met ballekens en staken hun telloren uit om nog een paar scheppen te krijgen. Feitelijk deden zij de kokkinnen alle eer aan en als hun buiken aan zwellen toe waren stopten zij, eraan denkend dat er nog meer lekkers zou volgen. Zij veegden met de rug van hun hand hun kin schoon en staken in afwachting een sigaret op. Op zulk een dag mocht hun mond niet stil staan. De sigaret was ternauwernood opgepaft als terrienen vol dampende, met peterselie bestrooide, aardappelen werden doorgegeven.

Daar buitenmensen doorgaans nogal wat patatten kunnen eten waren de schotels in een oogwenk geledigd. De schalen met groenten deden de ronde; erwtjes met worteltjes en schorseneren met dikke witte saus. De vleesschotels kwamen het laatst. De diensters hadden geen handen genoeg. Zij liepen af en aan en wrongen zich met hun jonge lijven kronkelend een weg tussen de dicht bij elkaar geplaatste stoelen. Ieder moest een plaats hebben. De meisjes werden aangeraakt, bij de arm genomen of op het achterwerk getikt allemaal als teken dat er iets nodig was. De getrouwde mannen waren het ergst en tastten soms verder dan nodig maar deden alsof zij zich misgrepen en vroegen met het gewoonste gezicht van de wereld naar nog een extra portie. Als iedereen bediend was liet men het bier aanrukken.

Er werd flink doorgespoeld en dat had voor gevolg dat de meesten spoedig naar achter moesten. Zij ontlasten zich op alle mogelijke en onmogelijke plaatsen. De gevel werd druipnat en het leek alsof men er, met plekken, emmersvol water had tegenaan gegoten. Zij kwamen in groepjes taterend terug binnen, namen hun plaats in en lieten hun glas vullen om snel daarna al naar de gevel terug te keren. Rikske Pijk ging zo vaak dat hij het overbodig achtte zijn broek nog dicht te knopen wat bij Kadojt de opmerking ontlokte "Rikske uw schoen staat open" en Rikske keek onnozel naar zijn voeten en zei "'t is niet waar jong".

Het werd al laat, de vrouwen werden ongeduldig en Menierken meende dat er nu een aireken mocht gespeeld worden. De chef verzamelde zijn airekensmannen en Bert met de groscaisse en weldra, na dat zij hun instrumenten op elkaar hadden afgestemd, huppelde de muziek door de herbergruimte en de dansers huppelden mee.

Katerveirent en De Breidelzonen, een attractie op zijn eigen. Een culturele opwelling die samen met Menierken is gestorven.

René LENGELER
Breydelzonen
Enkele bijkomende gegevens over 't Vlekkenmuziek


In Ascania, 1993, nr. 1, verscheen het ontstaan van 't Vlekkenmuziek van Katerveirent, door René Lengeler. Dit vlot gebracht verhaal maakte ons duidelijk dat men toen geen T.V. of auto nodig had om plezier te maken. Ze zorgden er zelf wel voor. Enkele vermeldingen over deze vereniging zijn interessant. Vooreerst iets over de bijnaam: Vlekkenmuziek of ketelmuziek werd vroeger gebruikt om boze geesten en duivels te verdrijven. Later werd het, zij het dan in negatieve zin, gebruikt bij huwelijksmoeilijkheden :
- als één van beide partners verzaakte aan de huwelijksgelofte en met een ander trouwde.
- bij ruzie tussen man en vrouw voor de scheiding een feit was geworden.

In Brussegem zong men :
"'k zou wel eens willen weten waarom men altijd slaat
op emmers en ketels te midden van de straat" (1)

Als men het over Vlekkenmuziek heeft en dan zeker wanneer het een muziekvereniging betreft, bedoelt men eerder een groep muzikanten die de leute voorop stellen en zich minder bekommeren over hoogstaande muziekuitvoeringen.

De muziekmaatschappij van Sint-Hubertus heeft verschillende jaren bestaan, doch dan voornamelijk onder de benaming van Breydelzonen. Waarom de naamverandering hebben we niet kunnen achterhalen. We vonden evenmin bij René Lengeler een verklaring, enkel de vermelding van het feit.
We vonden een vermelding in de Gazet van Assche dd. 2 februari 1921 waarbij de deelname werd bevestigd aan het vlaggefeest van de oudstrijders van Mollem, samen met nog andere muziekverenigingen en een aantal oudstrijdersbonden. Opmerkelijk hierbij is dat het vrijwillige pompierskorps van Asse vermeld wordt met een fanfare. Een tweede feit is dat de Breydelzonen aangeduid worden als een fanfare.

Op 8 en 15 januari 1922 werd een luisterrijk concert gegeven door de Breydelzonen in de ruime zaal van de weduwe Pollet (de Zot) (2). We kunnen aan dit muziek een liefdesverhaal koppelen. Juul van Tee (Juul Van den Bossche, gehuwd met Dorothea De Bauw), stamineebaas uit de Nieuwstraat, verhaalde bij de viering van zijn gouden huwelijksjubileum dat hij zijn vrouw leerde kennen op een verloren maandag te Koutertaveern.

"Het was vollen bak bij Meneerken. Er werd gedanst op de tonen van het flekkenmuziek, zoiets gelijk de "Sloebers" uit de Statiestraat. We zijn blijven dansen en daarna blijven verkeren".
Ter gelegenheid van de kermis van Ternat (met Sinksen) in 1925 was er op zondag een muziekfestival gepland. Zeven muzieken namen hier aan deel:
- Uit Sint-Katharina-Lombeek : De waren vrienden (40 man) en de Eendracht (35 muzikanten)
- Uit Wambeek: Sint-Remigius (38 man) en Sint-Rochus (29 man)
- Uit Asse : De Breydelzonen met 17 muzikanten
- Uit Sint-Ulriks-Kapelle: Kunst en Vrede (36 man)
- Uit Ternat: Euterpe met 58 spelende leden. Stoetsgewijze ging men naar de Marktplaats waarna iedere muziekmaatschappij een concert ten gehore bracht op de kiosk.

Op 23 mei 1927 was het feest in Asbeek, ter gelegenheid van de diamanten bruiloft van Petrus Wambacq en Maria Boom. Naast de Katholieke Gilde, de Kristelijke Werkmansbond (Sint-Jozef) en de Harmonie waren ook de Breydelzonen present om de jubilarissen een serenade te brengen.
Vele wijkkermissen werden toenmaals nog in ere gehouden.
 
Op half oogst 1927 was het Kwaadgat (6) - Muurveld - kermis. Een lustige bedoening als men het programma overloopt: om 1.30 uur uitdeling geschenken aan de kinderen van de wijk beneden de 10 jaar; om 3 uur: appelken bijten bij Petrus Sanders; om 4 uur: fleschken vullen bij Alphons Renmans; om 5 uur: patattenkoers per velo bij Frans Coppens; om 6 uur: grote mastklimming en om 7 uur intrede der muziekmaatschappij de Breydelzonen... 's Avonds prachtige verlichting der huizen en straten (7).

Twee muziekmeesters zijn gekend :
- Karel Van den Bossche (8) (° Asse 16.06.1868), woonde op de Rampelberg nr. 50 (9) en was de schoonbroer van Liz van Waint - herberg in 't Kelderken op Koutertaveerne.
- Jan Verbeeren (10) (° Asse 05.02.1870), gehuwd met Anne-Marie De Witte. Hij woonde ook te Koutertaveerne, Tereenhoren nr. 33 (11).

Jean De Brandt


1. R. MERTENS, 'Huwelijksgebruiken', in E.S.B., 1974, p. 172.
2. Gazet van Assche, d.d. 25 december 1921. De herberg bij De Zot vonden we niet terug bij Jeroom Durnez; in zijn werkje over Koudertaveern vermeldt Lengeler het als een herberg op Koudertaveern, meerdere jaren gesloten en vooral bekend omdat er regelmatig kon gedanst worden.
3. De Galm, d.d. 14 oktober 1978.
4. Gazet van Assche, d.d. 7 juni 1925.
5. Gazet van Assche, d.d. 29 mei 1927.
6. Thans Arsenaalstraat.
7. G.V.A., 31 juli 1927.
8. Fr. GOOSSENS, As' kermis, p. 80.
9. Bevolkingsboeken 1900, deel 8, p. 1834.
10. R. DE ROP, 100 jaar Katholieke Gilde te Asse, p. 153.
11. Bevolkingsboeken 1900, deel 5, p. 1036.
Comments