Documenten‎ > ‎Familie de Cotereau‎ > ‎

Rond de Cotereau's 3


Tussen 1979 en 1982 verscheen in het tijdschrift Ascania een reeks bijdragen over de familie de Coterau, de adellijke familie die meer dan 200 jaar de heerlijkheid van Asse in haar bezit had. Deze bijdragen worden hier gebundeld. We wijzen er de lezer op dat deze artikels een groeiproces vormden en dat sommige informatie in de vroegste artikels naderhand werd bijgesteld.
 
• 1 • Joris SPANHOVE & Paul DE BRUYN - Rond de Cotereau's - 1979 - 61-62, 62-64, 65-66, 69
• 2 • Jaak OCKELEY - De familie de Cotereau - 1979 - 93-107
• 3 • Paul DE BRUYN - Jan VI de Cotereau - 1979 - 108-109
• 4 • Joris SPANHOVE & Flor De Smedt - Erard de Cotereau-Maria van Renesse / Marie d'Argenteau / Provende - 1979 - 110-118
• 5 • Joris SPANHOVE - Rond de Cotereau (3) - 1980 - 26-29
• 6 • Paul DE BRUYN - Rond de Cotereau's (4) / Het stadhuis van Brussel - 1981 - 48-52
• 7 • Joris SPANHOVE - Feiten en anekdoten over de Cotereau's - 1982 - 41-48

• 5 •  Rond de Cotereau's (3)

Het portret
 
Bijgaande afbeelding stelt de laatste markiezin van Asse Catharina Louisa De Cotereau voor. Met haar sterven de Cotereau's voor Asse uit. Dit schilderij is in het bezit van de huidige markies van Asse.

Bovenaan prijkt het gekroonde door twee leeuwen geschraagde schild van de familie de Cotereau met keper en drie stappende hanen. Een stuk perkament vertelt hierbij, wie het portret voorstelt: "Dame Cathérine, Louise de Cotereau-Puissieux, marquise hériditaire d'Assche ".
 
Ze wordt voorgesteld in de typische rococodracht van rond 1750. Hoe oud verschijnt ze op dit portret? Misschien 40 jaar? Wie schat de leeftijd van een vrouw?
 
Ze draagt geen lange gekrulde haren maar een modekapsel op een bandbreedte, afgesneden, golvend gekruld, in het midden gescheiden; een soort jongenskop. Een juweel tintelt in het hoofdhaar, een lange zware oorknop hangt naast de wang. Haar smal hoofd verrijst boven een breed ovaal décolleté, een anjer steekt boven haar smal nauwsluitend keurslijf uit. Ze is flink gekorseteerd. Brede mouwen omgeven de armen opge-snoerd met een armband. De rok afgebiesd, sluit nauw rond de lenden en waait zwaaiend breed open. Een hermelijnen mantel hangt breed open over haar rug.
 
Een statige waardige dame. Ze lijkt weggelopen uit een Franse hofhouding van die tijd. Welk denken en voelen schuilt achter dit ernstig gelaat? Wij danken Paul de Bruyn, die ons een foto van dit portret bezorgde.
 
De stam
 
Cathérine Louise de Cotereau was dochter van Jan de Cotereau, die na de dood van zijn broer Willem II de Cotereau op 15 december 1711 bij verhef van 15 oktober 1712 markies van Asse werd. De dochter van Willem II, Maria Anthonia de Cotereau betwistte hem deze titel. Het voornaamste punt van betwisting lijkt geweest te zijn: moet de titel overerven langs de mannelijke lijn? Twee maanden later werd in een proces Maria Antonia de wettige markiezin van Asse bij verhef van 31 december 1712. Jan zelf stierf te Brussel in het "hotel d'Assche" op 25 augustus 1725, 59 jaar oud. Zijn dode lichaam werd bijgezet in de grafkelder van de Cotereau's in het hoogkoor van de kerk van Asse. Paul De Bruyn publiceerde in Ascania 1979 blz. 109 het portret van deze markies. Dit schilderij is in zijn bezit.
 
Jan de Cotereau was gehuwd met Joanna Theresia van Leefdaal. Catherine Louise stamde als enige dochter uit dit gezin. Toen haar tante Maria Antonia de Cotereau in 1729 overleed zonder nakomelingen kwam het markiezaat van Asse in handen van haar nicht, dochter van Jan, Catherine Louisa de Cotereau. Zij huwde als laatste afstammelinge van de Cotereau's in Asse op 22 juni 1726 met Filip Frans Jozef Taye, markies van Wemmel. Zo stierven de Cotereau's uit in Asse en kwam het markiezaat over de Taye's in de familie Van Der Noot terecht. In haar testament van 23 januari 1794 maakte Catherina Louisa haar bezittingen over aan haar kleinzoon Maximiliaan Louis Van Der Noot.
 
Geschillen
 
Catherina Louisa de Cotereau bezat een sterke stamfierheid. Dit blijkt uit haar geschillen met de kerk van Asse. Toen pastoor Ringler in 1766 de vloer van het hoogkoor, geschonden door oorlogsgeweld en vooral door de vele begrafenissen in het koor wilde vernieuwen, vond hij de markiezin van Asse op zijn weg.
De grafsteen van de familie de Cotereau, die midden in het hoogkoor lag, was geschonden. Hij lag omtrent 3 duim, 8 cm. boven de vloer verheven. Die geschonden grafsteen ontsierde het koor en was wegens zijn hoogte hinderlijk.
 
Catherina de Cotereau liet een nieuwe steen in marmer maken met het vroegere opschrift en daarbijgevoegd de vermelding: "hersteld door de edelvrouwe Catherina de Cotereau, weduwe van Filip Taye, markies van Wemmel in het jaar 1766".
 
Het is deze zerksteen die nu nog in het hoogkoor van Asse ligt. De mond van deze kelder was naar het schip van de kerk gericht. Om de kelder te bereiken moest men drie stenen tussen zerk en kommuniebank verwijderen om de kist met behulp van balken neer te laten. Het bouwen van een algemene kelder voor de koorlijken en het verwijderen van de praalgraven van de familie de Cotereau uit het hoogkoor liep uit op een proces tussen de markiezin, pastoor Ringler en de weduwe van Frans Jozef Verspecht, Carolina Antonia Van Meerbeeck.
 
De markiezin beweerde dat de Cotereau's het exclusief begrafenisrecht in het hoogkoor bezaten. Pastoor Ringler weerlegde dit door er op te wijzen, dat bij de vaststelling van de rechten van de heren tot Asse in 1440 er geen sprake was van dit uitsluitend recht, dat in 1633 door de wereldlijke en geestelijke overheid zonder onderscheid de tarief van begrafenis op het hoogkoor was vastgesteld op 8 gulden en levering van 20 pond was, dat tientallen personen reeds begraven werden zonder protest in het hoogkoor. Dit geschil brak uit na de dood op 22 maart 1766 van Frans Jozef Verspecht. Hij werd begraven in het hoogkoor maar 6 maanden later werd zijn lichaam verwijderd, omdat pastoor Ringler een gezamenlijke kelder had laten bouwen in het hoogkoor voor allen die wensten daar begraven te worden. Frans Jozef Verspecht werd in die kelder bijgezet. Toen begon de markiezin een proces tegen de weduwe Verspecht en pastoor Ringler. Dit sleepte aan tot 1770. Toen zag de markiezin af van haar eis, omdat ze geen bewijzen kon leveren voor haar zogezegd uitsluitend recht.
 
Pastoor Ringler schreef hierover op 8 mei 1770 een licht triomfantelijke brief naar het aartsbisdom:
"Zijne excellentie weet, dat de Vrouwe markiezin van Wemmel, ook markiezin van Asse sedert 4 jaar, een proces aanhangig heeft gemaakt voor de Raad van Brabant. Ze beweerde het uitsluitend begrafenisrecht op het hoogkoor van onze kerk te bezitten. Niemand mocht zo zonder haar toelating op het hoogkoor begraven worden. Ze steunde op het feit, dat de markies van Asse hier de hoge rechtsmacht bezit. Die zaak is eindelijk in ons voordeel beslecht. De Vrouwe markiezin heeft op 30 april wettelijk afgezien van haar proces. Ze zag in, dat haar zogezegd recht niet kon bewezen worden. Ze zag daarom af van verdere rechtsvervolging. Zo is de zaak afgehandeld en kan ze verder niet meer opgeroepen worden. Ze moet alle onkosten betalen. Zo is het recht van onze kerk onaangetast bewaard. Dit rechtsbezit, dat hier volgens mensenheugenis altijd heeft bestaan, is nu nog steviger gegrond en bevestigd ".
 
Een tweede geschil handelde over de verwijdering van de mausolea van de familie de Cotereau die langs de zijkanten van het hoogkoor stonden. Deze grafmonumenten waren in de loop der tijden vooral door het oorlogsgeweld van 1684 lelijk toegetakeld. Ze waren wegens hun hoogte ook hinderlijk voor het hoogkoor. Pastoor Ringler wilde ze daarom verwijderen. Catharina verbood "den zercksteen van haer familie te amoveren". De Raad van Brabant ontving hierover haar request in 1766. We kennen het verloop van dit geschil niet. De grafzerken werden echter toch verwijderd en geplaatst aan de ingang van de kerk, waar ze voorzeker bij de vergroting van de kerk in 1865 ook verdwenen.
 
Joris Spanhove msc.
Comments