Documenten‎ > ‎Familie de Cotereau‎ > ‎

Rond de Cotereau's 2


Tussen 1979 en 1982 verscheen in het tijdschrift Ascania een reeks bijdragen over de familie de Coterau, de adellijke familie die meer dan 200 jaar de heerlijkheid van Asse in haar bezit had. Deze bijdragen worden hier gebundeld. We wijzen er de lezer op dat deze artikels een groeiproces vormden en dat sommige informatie in de vroegste artikels naderhand werd bijgesteld.
 
• 1 • Joris SPANHOVE & Paul DE BRUYN - Rond de Cotereau's - 1979 - 61-62, 62-64, 65-66, 69
• 2 • Jaak OCKELEY - De familie de Cotereau - 1979 - 93-107
• 3 • Paul DE BRUYN - Jan VI de Cotereau - 1979 - 108-109
• 4 • Joris SPANHOVE & Flor De Smedt - Erard de Cotereau-Maria van Renesse / Marie d'Argenteau / Provende - 1979 - 110-118
• 5 • Joris SPANHOVE - Rond de Cotereau (3) - 1980 - 26-29
• 6 • Paul DE BRUYN - Rond de Cotereau's (4) / Het stadhuis van Brussel - 1981 - 48-52
• 7 • Joris SPANHOVE - Feiten en anekdoten over de Cotereau's - 1982 - 41-48

• 4 • Erard de Cotereau-Maria van Renesse

We vonden meer gegevens over de grootouders van de edelvrouwe van Asse, Maria de Cotereau: Erard de Cotereau-Maria Van Renesse. Jules Blockmans zaliger publiceerde in het tijdschrift "Taxandria" (1970-1971) het notitieboek van Erard de Cotereau en de grafsteen van deze echtgenote.
 
De ouders
 
De vader van Erard was Philips de Cotereau, die stierf in 1549. Hij was gehuwd met de derde barones van Westmalle, Anna Van der Moeien (1505-1528). Langs haar kwamen de Cotereau's in het bezit van de heerlijkheid van Westmalle. In het kortstondig huwelijk van Philips de Cotereau werden twee kinderen geboren: Anna Margareta, die C. Skippers, heer van Eecke trouwde en Erard. Erard werd rond 1523 geboren. Moeder stierf reeds in 1528 en toen ook Peeter Van Der Moeien, vader van Anna Margareta in 1530 overleed, werd Erard door verhef van 20 augustus 1530 de vierde heer van Westmalle, Zoersel, Pulderbos.
 
Loopbaan
 
Als jonge man trad Erard in dienst van de legers van Keizer Karel. Hij maakte verschillende expeditietochten doorheen gans Europa mee en vergezelde Keizer Karel zelfs op zijn kruistocht tegen Tunis en Algiers. Hij werd dan tot ridder geslagen. Toen Keizer Karel in 1556 de Nederlanden overdroeg aan zijn broer, Ferdinand van Oostenrijk verliet Erard het leger, en vestigde zich definitief in Westmalle. Rond 1557 huwde hij met Maria van Renesse, geboren in 1539, dochter van Gerrit van Renesse, baljuw van Woerden, raadsheer van het hof van Utrecht en van Geertrui Van Haar. Nu werd hij een landsedelman.
 
Uit zijn huwelijk stamden 4 kinderen.
Philips-Robert (1558-1585)
Hendrik (1559-1633)
Jaak (1563-1590)
Erard-Robert (1564-1585)
 
Hendrik de Cotereau, die huwde met Katharina van Hal-male was de vader van de edelvrouwe van Asse: Maria de Cotereau.
 
Uit bovenvermeld notitieboekje kennen we heel wat over het verdere leven van Erard. Hij spreekt in deze aantekeningen over zijn grootouders Peeter Van Der Moeien en Leonard de Cotereau, gehuwd met Maria van Amerongen. Deze notities stippen zijn eigendommen, zijn uitgaven en inkomsten, zijn processen, zijn werken aan het kasteel van Westmalle, zijn pachters en jachtgebieden aan. We leren er ook iets in kennen over zijn ziekte. Vanaf 1569 vermeldt hij meerdere aanvallen van jicht of gelijk hij dit noemt "fliersijn". Hierbij voegden zich ook verschijnselen van graveel, lever en maagaandoeningen. Zijn zware dienst in het leger van Keizer Karel zal daar niet vreemd aan geweest zijn. Hij overleed in Westmalle op 27 november 1575 in de ouderdom van 52 jaar.
 
Opmerkelijk dat in zijn notitieboekje geen sprake is van onthoofding te Utrecht van zijn schoonbroer Gerrit van Renesse onder Alva op 25 augustus 1568 en van zijn schoonbroer op 3 juli 1569. Er zijn wel een paar bladen uit het notitieboekje gescheurd. Misschien heeft hij om veiligheidsredenen de bladzijden over die pijnlijke gebeurtenissen verwijderd. Zijn vrouw Maria Van Renesse zou nog verder de beroerde periode van de godsdienstige troebelen meemaken. Rond 1580 bereikten die hun hoogtepunt bij ons. In Asse sloeg een gedeelte van de bevolking op de vlucht o.a. de pastoor Gillis Buggen-hout. Maria Van Renesse onthaalde dan op haar kasteel van Westmalle de dorpsbewoners, die bij haar toevlucht zochten. Ze stierf - 46 jaar oud - op 9 juli 1585.
 
Vlaams-Frans
 
De familie de Cotereau heeft 200 jaar de heerlijkheid van Asse in bezit gehad. Deze stam behoorde tot wat we zouden kunnen noemen de Brusselse tak. Deze was Franssprekend. Drie gekende grafstenen in Asse uit die familie bevatten Franse teksten: de graftombe van Maria d' Argenteau, die vroeger langs de linkerkant van het hoogkoor stond, het grafmonument van Katarina Van Brandenburg, dat vroeger langs de rechterkant van het hoogkoor stond, de grafsteen van Maria de Cotereau in de kapel van het gasthuis. Ook de grafsteen van Jan III de Cotereau, die begraven werd in het Kartuizerklooster van Scheut, droeg een Franse tekst. Van huis uit waren de Cotereau's, afkomstig uit Bourgondie, frankofonen. Frans was hun moedertaal. Velen van de Cotereau's verbleven te Jauche in Waals Brabant, de meeste huwden met Franssprekende adel.
 
De Antwerpse tak van de Cotereau's integreerde zich in het het Vlaamse land. Zo is het notieboekje van Erard de Coterean in het Nederlands opgesteld. Verschillende leden huwden met Noordnederlanders. Erard zelf was gehuwd met Maria van Renesse, uit de stam Zeeland-Utrecht van die familie. De edelvrouwe van Asse, Maria de Cotereau stamde uit Antwerpse tak van de Cotereau's. Van huis uit kende ze Nederlands. Het contract dat ze in 1647 afsloot met de gasthuiszusters is in het Nederlands opgesteld. Ze huwde echter met Willem I de Cotereau, een verre neef uit de Brusselse tak van de Cotereau's. Ze verbleef meestal in het Waalse Jauche. We kennen verschillende teksten uit haar dagboek. Deze zijn allen in het Frans opgesteld. Ze verfranste.
 
De graftombe
 
Het grafmonument van Erard de Cotereau en Maria Van Renesse bevond zich vroeger boven het graf in een speciaal aangebouwde grafkapel van de Sint-Maartenskerk van Westmalle. Bij de vernieling van de kerk werd ook deze grafsteen verwoest. Alleen een stuk van de randtekst: "generoso equiti D. Erardo de Coterean D. in Westmal, Soersel, Velpen, Meerbeeck", bleef bewaard. Door de zorgen van wijlen baron de Turck de Kersbeek werd dit overblijfsel ingemetst in de zijmuur boven de vloer van de huiskapel van het kasteel van Westmalle.
 
De afbeelding van dit grafmonument is echter bewaard. Erard ligt afgebeeld in biddende houding, de handen gevouwen, het hoofd op een kussen als een geharnaste ridder, omgord met het zwaard. Op zijn harnas merken we de tekening van meerdere schilden. Onder zijn voeten rust een liggende leeuw.
Marie van Renesse ligt ook in een biddende houding met gevouwen handen, gehuld in een wijde mantel. Haar omwikkeld hoofd ligt op een kussen. Onder haar voeten rust waarschijnlijk een hond, teken van echtelijke trouw. Tussen hen beiden zijn twee schilden aangebracht. Bovenaan het weelderig omkranste schild van Erard. In de omkransing merkt men pluimen,  dierenkoppen. Het schild zelf is een gedeeld schild waarin men het gekeperde wapen van de Cotereau's en de liggende dwarsbalken van Dammartin herkent. Rond de gekeperde balk van de Cotereau's vermoedt men de drie typische stappende hanen. Onderaan staat op een helm het schild van de familie Van Renesse. Een opgaande leeuw beheerst dit schilddek. De stappende hanen van de Cotereau's en de opgaande leeuw van Renesse, voorbode van een latere eenheid tussen haan en leeuw...
 
Joris Spanhove
Marie d'Argenteau

Op 12 oktober 1555 stierf Marie d'Argenteau, de eerste echtgenote van Jan IV de Cotereau, heer tot Asse. Haar ter ere liet haar echtgenoot in het hoogkoor van de kerk van Asse een luisterrijk grafmonument oprichten. Het bevond zich aan de noordzijde van het koor links van het altaar. Oorspronkelijk stelde het alleen de persoon van Maria d'Argenteau geknield voor, gekleed in wijde lange mantel. Men vindt over dit monument een uitgebreide studie in het boek van J. Spanhove: "De Grafstenen binnen de kerk van Asse" (Ascania, blz. 175).
 
Sedertdien signaleerde P. Cyprianus Coppens ons, dat er zich in de Bibliothèque Nationale de Paris een handschrift bestond met als titel: "Epitaphes de Brabant contenans en livres 1889 armoiries" (Fonds Francais n° 5234). Dit rijkelijk versierd handschrift dateert uit de 16de eeuw. Op folio 181 recto bevinden zich de wapenschilden met een korte beschrijving van het oorspronkelijk grafmonument van Maria d'Argenteau. We lieten een foto van die bladzijde maken en publiceren dit stuk hier.
 
De tekst tussen de schilden luidt:
 
1. Au village d'ascq entre Bruxelles et Alost y a en l'église une tombe eslevéé, qui est au coeur au coste senestre de l'autel. C'est une femme en genoulx vestue d'ung long manteau avecq ses armes et en hault sont ses seize cartiers et au tympan d'en hault sont les armes tymbrées comme voyez et en bas en la fache de la tombe est eest escript.
 
2. Suae amantissimae conjugi Mariae d'Argentau, clari equitis Joannis d'Argenteau, Dochem et Winnoni Domini filiae, clarus eques Joannes Coutereau, baro Jaceanus, de Wideu et in Asscha Dominus posuit. Obiit XII octobris anno 1555.
 
(Vertaling: Jan de Cotereau, baron van Jauche, heer van Widooie en heer tot Asse liet (dit gedenkteken) oprichten voor zijn welbeminde echtgenote Maria d'Argenteau, dochter van de doorluchtige ridder Joannes d'Argenteau, heer van Dochen en Winnen. Ze stierf op 12 oktober 1555).
 
Naast deze tekst links de wapenen van de Cotereau's en aanverwanten. Rechts de wapenschilden van de familie d'Argenteau en aanverwanten. Tussen de twee teksten in treffen we het wapenschild van de familie de Cotereau met de bekende zilveren keper en drie stappende gouden hanen, roodgebekt, gekamd, gebaard en gepoot. Daaronder het gedeelde schild van de families de Cotereau en d Argenteau.
Links van de tekst van boven naar onder bevinden zich de schilden van De Cotereau, Bayart, Wideu, Steenhout, Berchem, Herdinckx, Jauche, Asse-Grimbergen.
 
Rechts, van boven naar onder, de schilden van de familie d'Argenteau, Rochefort, Juppelu, Gerberlay, Rivière, De Sarais, Fany, Ronchely. Specialisten in wapenschilden kunnen ze nader beschrijven en specialisten van de geschiedenis van de familie de Cotereau kunnen de verschillende schilden in die familie situeren.
 
Een soortgelijke beschrijving van het grafmonument van Maria d'Argenteau werd ook gepubliceerd door de Comte d'Arschot Schoonhoven in "Epitaphier de la familie d'Arschot" (Arlon 1913 blz. 8: Assche, Eglise paroissiale). De gegevens hiervan werden ontleend aan de "Recueil d'Epitaphes Bettens" (Handschrift Koninklijke Biblioteek, Fonds Goerhals, Brussel nr. 1511 blz. 215).
 
Het grafmonument van Maria d'Argenteau werd tussen de jaren 1555, haar sterfjaar, en 1559 in de kerk van Asse opgericht. In de tekst immers op de voet van de graftombe wordt Jan de Cotereau alleen als Heer TOT Asse vermeld. We weten dat hij in 1559 ook Heer VAN Asse werd.
 
In 1639 werd dit mausoleum "vermaeckt". Maria de Cotereau, Vrouwe van Asse, liet dan ter nagedachtenis aan haar schoonouders voor 150 gulden deze graftombe vernieuwen. De Brusselse beeldhouwer Theodoor Janssens plaatste dan naast de knielende Maria d'Argenteau de tweede echtgenote van Jan IV de Cotereau († 1561) Katarina Van Brandenburg († 1621) en in dezelfde ruimte liet hij ook Jan IV de Cotereau knielen. Tussen de knielende edelvrouwen en de Heer van Asse beeldhouwde hij een steigerend paard in toom gehouden door een schildknaap, die op de arm het schild van het huis van Asse (Grimbergen) droeg en in de hand de standaard van Brabant.
 
Zo begrijpen we, dat sommige auteurs dit monument beschouwden als het mausoleum van Jan IV de Cotereau. Deze had echter zijn tombe midden in het koor van de kerk. Dit monument werd bij de verwoesting van de kerk in 1684 zwaar gehavend - wegens zijn hoogte - 4,50 meter omtrent - was het hinderlijk voor de goddelijke diensten en wegens de beschadiging werkte het ontsierend. Toen pastoor Ringler in 1766 de vloer van het koor vernieuwde, werd dit monument waarschijnlijk naar het voorportaal van de kerk overgebracht, waar het voorzeker bij de vergroting van de kerk in 1865 verdween.
Wie de wapenschilden uit het handschrift van Parijs vergelijkt met deze van de graftombe in 1639 vernieuwd, merkt, dat hier ook veranderingen werden aangebracht. De familiesituatie was sedert 1559 gewijzigd.
 
We vermelden hierbij dat behalve de grafsteen van Jan IV de Cotereau in het midden van het koor, er langs de zuidkant van het koor rechtover het grafmonument van Maria d' Argenteau ook een mausoleum voor Katarina Van Brandenburg werd opgericht. Dit monument stond in 1766 nog in het hoogkoor. Immers, in een verweerschrift van pastoor Ringler en de familie Verspecht tegen Katarina de Cotereau, markiezin van Asse, die het alleenrecht van begraving in het hoogkoor voor de familie de Cotereau opeiste, worden alle grafstenen, die in 1766 in het hoogkoor lagen, vermeld. We vinden dan geen vermelding meer van het grafmonument van Maria d'Argenteau maar wel van dit van Katarina van Brandenburg. In nummer 114 en 115 van het verweerschrift staat te lezen: "Word gedesigneert eene tombe staende in de hooghe choor - wort gedesigneert de superscriptie op dese tombe ende luydende als volght:
 
"Ci repose noble et généreuse Dame Catharine, Baronne de Brandenbourgh, dame de Gentinnes et styenockersele, vesve de feu messire Jean de Cotereau, chevalier Baron de Jauche, Seigneur d'Assche, Wijdeu, Stayne, en son vivant Lieutenant des fiefs de sa majesté Catholique en Brabant, ayant vescu en sa viduité 59 ans, trépassa Ie 12 janvier 1621, agée de 85 ans. Priez Dieu pour son ame".
 
Waarschijnlijk werd dit monument ook rond 1766 uit het koor verwijderd en misschien ook bij het portaal van de kerk geplaatst. Waarschijnlijk werd het ook bij de vergroting van de kerk in 1865 verwijderd. We beschikken over geen afbeeldingen van het grafmonument van Katarina Van Brandenburg.
 
Joris Spanhove msc.

Provende

In dit nummer, waarin zoals trouwens in het vorige ook het geval is, aandacht besteed wordt aan de familie de Cotereau, willen wij ook een schepenakte geven uit 1484 waarin duidelijk tot uiting komt dat de heer van Asse het voorrecht had te beschikken over de provenden van het gasthuis. Het kwam hem toe de provenieren te benoemen. De tekst spreekt voor zichzelf:
 
"Wij scepenen van der poirth ende tsheeren van Assche doen cont dat heden commen is voer ons Joncker Jan cote-reau als heere van Assche ende heeft ghegeven ende verleent om de minne goids ende vuyt beeden van goeden vrienden, peeteren coevoet diemen heet toresteram, henrickx sone, de provende vanden gasthuse van Assche vacerende ende verschenen sijnde bij de doot van katlinen riselberchs, die provenniersse was in den selven gasthuse wekken peeteren, de voirscreven heer van Assche heeft ghepresenteert ende ghelevert den meesteren ende provisoeren des voirscreven gasthuus te weten Andriese van der slachmoelen ende woutere de boyst, die den selven peeteren hebben aenge-nomen, hem stellende in der possessen ende ghebruken der voirscreven provenden, doen voirt de voirscreven peeter sinen eedt bij stanninge tsmeyers des voirscreven heere van assche, goet ende getrouwe provenier te sine in den voirscreven gasthuse, den meesteren ende provisoeren des selfs gasthuys onderho...ich ende ghehoersaem te wesen ende altgene te doene dat een goet provenier Jenden selven gasthuse sculdich is te doene-
 
Ghedaen opten XXIII dach van meye anno XIIII C LXXXIIII.
 
Present: jan moyesone ende slachmolen scepenen, zeger de winter clerck ".
 
Flor de Smedt
Comments