Documenten‎ > ‎Dorpen in Asse‎ > ‎

Torenhof Kobbegem


Het jaar 1920 op het Torenhof
 
door Louis Schoukens
(uit Ascania-tijdschrift  1986-3)
 

Waarom nu precies dit jaar, zul je je afvragen... Och, zo maar, 't kon even goed 1925 geweest zijn.

En toch, de pijnen van de oorlog waren nog niet vergeten en de grote evolutie in de landbouwtechniek stond nog in zijn kinderschoenen... zeg maar, lag nog in het verschiet.

Frans Schoukens, mijn grootvader, de pachter van toen, was in 1904 van uit Schepdaal in Kobbegem aangekomen waar hij van de Brugse familie Otto de Mentock het Torenhof in pacht nam. Het ouderlijk bedrijf dat hij in Schepdaal had overgenomen was hem te klein geworden. Met zijn vrouw Catherina Smet uit Bekkerzeel, en vijf kinderen Felicie, Irma, Celine, Georges en Jan was de start helemaal niet gemakkelijk. In 1920 was de kroost met Leonie, Maurits, Maria, René, Alice en Ida aangegroeid tot elf en mocht men zeggen dat de familie Schoukens wel goed ingeburgerd was.

Mijn inlichtingen heb ik zo een beetje overal ingewonnen, maar mijn oudste oom Georges Schoukens en mijn meter tante Celine waren wel de interessantste bronnen.

Het leven was hard, heel hard. Er moest gewerkt worden, maar als je ze hoort vertellen hoor je toch, tussen de regels door, dat er tijdens en na de lange werkdagen ook heel veel plezier werd gemaakt.

De boerderij had een oppervlakte van ongeveer 50 ha, waarvan 13 ha weideland. Het was dan ook nodig dat zeven werkpaarden steeds paraat stonden, om, vooral tijdens de drukke periodes, het land te bewerken. De winter was voor de paarden meestal een rustperiode. Ze moesten dan juist maar zorgen dat het veevoeder, zoals rapen en bieten, naar de hoeve werden gebracht. Er waren trouwens op het Torenhof jaar in jaar uit zowat 20 melkkoeien, waarbij dan nog de jonge runderen moeten gerekend worden.

De boer met zijn gezin kon dit allemaal niet alleen aan en had hulp nodig van buitenuit. Enkele mensen uit de buurt als Juleken van Karlooës, Nolle van der Steen, Jules Sablon en Fernand van Dokes kwamen een hand toesteken. In die tijd waren sociale lasten, vooral op een boerenhof, nog volledig uit den boze en wie kwam werken kon op verschillende manieren vergoed worden. Een zestal boeren kwam, wanneer het nodig was, op het veld werken. Ofwel was het om met de paarden te ploegen, te eggen, bieten, hooi en oogst naar huis te halen en zo meer, ofwel was het om, met de hand, bieten te rooien, te oogsten, te maaien ... Kortom, er was zovel te doen.

Deze mensen werden meestal voor hun werk vergoed door de paarden en het materiaal van de hoeve te gebruiken om hun eigen grond te bewerken.

De stallen en de dieren werden onderhouden door twee stalknechten Soeë en Jef. Deze koeters, zoals ze in de volksmond werden genoemd, waren mannen die van buiten Kobbegem kwamen en op het hof verbleven met kost en inwoon. De koeien werden driemaal daags gemolken door de oudste dochters van 't Torenhof tante Felicie, tante Irma en tante Celine. Zij werden daarbij geholpen door Nelle van Karlooës en Stefanie van Vinkes, twee vrouwen uit de buurt.

De boerin kwam zelden in de stallen of op het erf. Zij had haar handen vol met het huishouden en werd hierbij geholpen door Net van Scheiper, de meid die uitsluitend binnenshuis werk deed. Er moest immers veel gekuist, hersteld en vooral gekookt worden. Een gezin van 13, met nu en dan enkele helpers, aan tafel kon heel wat verorberen.


Deze vrouwen werden betaald en hun loon schommelde tussen 1 tot 4 frank per dag. Mijn oom, Georges van 't Torenhof, voegde er gekscherend aan toe dat de lambik van 't vat dikwijls geel werd getapt en dat heel wat mensen daarom graag kwamen helpen. Die goede drank bleek een doeltreffend lokmiddel te zijn. Van "den uitkomen" tot "den bamis" begon een dag om 6 uur. De paarden vertrokken naar het veld en keerden terug om 10.30 uur. Dat was een heilige regel op het Torenhof. De baas was verliefd op zijn paarden en zij moesten 's middags de nodige tijd hebben om uit te blazen en haver en klaver te eten. Om 1 uur werd er terug ingespannen om dan om 6 uur de dag te beëindigen.
 
De hoofdgewassen waren doorgaans tarwe, haver, voederbieten en rapen. Heel veel rapen, want dat was nog altijd het lievelingsgerecht van de melkkoe die dan graag een liter melk meer gaf. Een drukke bedoening in de winter was het dorsen. Heel de schuur werd dan ingenomen door een puffende stoomdorsmolen, in die tijd een gevaarte en een grote stap vooruit, en al de mensen die twee dagen lang zakken graan naar de zolder droegen, het kaf naar de kafzolder brachten en het stro moesten tasten. Ieder had zijn job, er werd wel afgewisseld maar er konden geen handen genoeg zijn. Of er dan moest gekookt worden, moet hier gezegd worden. Savooienstemp met spek of karbonaden met aardappelen stonden op het menu en niemand zei dat hij het niet mocht.

Wanneer in de winter de poort van het erf werd gesloten, bleef de familie over en zette zich rond de grote Leuvense stoof. De pap was gegeten en de paternoster werd - elke avond - door de boer voorgebeden en al of niet devoot beantwoord. Daarna werd er nog wat gelezen, gebreid en genaaid door de vrouwen en verteld. Er werd heel veel verteld en de soms akelige spookverhalen ontbraken zeker niet in het programma. Er was nog veel bijgeloof in de dorpen, 't was allemaal maar uitgevonden en weten van horen zeggen, maar toch geloofde iedereen erin op zijn eigen manier. Vooral de hoeveknechten, die van elders kwamen, en dan voor een tijd op 't Torenhof kwamen inwonen, waren specialisten in de vertelkunst en stuurden sommigen bibberend van schrik naar hun bed.
 
Het verhaal over de paardestalknecht die in de donkere nacht al de paarden hoort lawaai maken, alsof ze los staan, de lantaarn aansteekt en ze allen netjes ziet gebonden staan en dit 3 nachten lang, is lang in het geheugen gebleven.

De lente is daar, 't leven verandert. De weiden worden groen, de kalveren worden geboren, gedaan de lange donkere winteravonden.

Het werk begint terug op het veld. Er wordt geploegd en gezaaid en een fijne zomer kondigt zich aan met terug hetzelfde programma. Hooien en maaien, het graan zal weer goed geven. Eerst is er nog kermis, een hoogtepunt in het dorp. Drie danstenten met orgel zorgen voor vermaak, maar eerst allen in de processie. Daarna wordt er gedronken en gedanst, 6 cent voor ne platten lambik en 3 cent voor een stripken, een lambik in een kleiner glas.

De gewone zomeravonden gingen de zonen soms eens naar 't café in de buurt, maar dikwijls bleven ze ook gewoon thuis. Er werd gebabbeld en gelachen in de graskant voor de hoeve, waar de jonge mannen uit de geburen hen kwamen vervoegen, de pot lambik in 't midden.

Een feestdag op 't hof was de dag als de laatste wagen oogst werd binnengereden. Dan smelten de boerkes van vreugd en plezier. Inderdaad, dan werd er niet gedronken maar gezopen... 't kon niet op. Boterhammen met hesp en heel veel bier waren beter dan den besten diner. 't Verwondert dan ook niet dat zo een 16 tonnen van 250 liter per jaar werden afgedronken, reken maar eens uit.

Als je het zo ziet, 't boerenleven was hard maar plezant. Op die manier werken kun je alleen maar als er vriendschap is onder de mensen. Soms konden ze ruw zijn, wrokkig en brutaal, maar 't duurde nooit lang of 't was niet gemeend. Stress, in die tijd? Wat was dat voor iets! Wij denken soms dat we alles hebben maar zij allen, in die tijd, hadden ook veel, misschien meer, 't was juist maar anders.

Louis Schoukens

Comments