Documenten‎ > ‎Dorpen in Asse‎ > ‎

Geschiedenis Kobbegem


Kobbegem - een historische schets

door Jaak Ockeley
(uit Ascania-tijdschrift 1986-3)

De oudste vermelding van Cobbengem in archivalische bronnen dateert uit 1129 (1). Toen werd het patronaat van de kerk aan de Gentse Sint-Baafsabdij opgedragen (2). Het Kobbegems verleden klimt echter veel hoger op.

Naar Dr. Jan Lindemans in zijn studie: De Frankische kolonisatie in Brabant (3) heeft aangetoond, behoort Kobbegem tot die reeks van dorpen waar omstreeks 358-388 een Frankisch gezin zijn "haim" vestigde. Als we Paul Lindemans (4) en met hem de Gentse hoogleraar Adriaan Verhulst (5) mogen volgen, dan zou het Sint-Baafsdomein alhier, waarvan naast het Zellikse Bettegem ook de Kobbegemse Sint-Gorikwijk deel uitmaakt, aan het Gallo-Romeinse Setilliacum, d.i. het latere Zellik, zijn opgevolgd. Dr. Jan Verbesselt (6) is hiermee in zover akkoord dat de Franken zich daar vestigden waar de autochtone bevolking reeds landerijen had ontgonnen. Het gallo-romeinse Setilliacum situeert hij echter te Op-Zellik en niet te Bettegem. Maurits Gysseling dateert de -gem nederzettingen wel wat later. Hij is van oordeel dat deze toponiemen pas op het einde van de zesde en in de zevende en achtste eeuw zijn ontstaan (7).

Waar moet men de bakermat van het primitieve "Kubbingahaim" zoeken?

De primitieve zetel van het dorp Kobbegem moet gezocht worden in de laagte nabij de Maalbeek en wel daar waar zich nu het Torenhof bevindt. Volgens de Affligemse goederenlijst (8) komen te Kobbegem echter nog een aantal andere -ingaheem toponiemen voor, nl.: de Amelghemcouter, de Udelghemcouter, de Hemelghemcouter en de Redelghemcouter. De eerste drie zijn blijkbaar verschillende grafieën voor eenzelfde toponiem dat zich, volgens het Affligems kaartboek dd. 1722 (9), op de grensscheiding Kobbegem-Zellik-Relegem situeert. Aan Jan Lindemans is het opgevallen dat het hoofdbestanddeel Amel in deze hoek van Brabant herhaaldelijk voorkomt (10). Alles draait er rond het hof te Hamme, geboorteplaats van Sinte-Goedele, wiens moeder Amel-berga en wiens broer de geloofsprediker Amel-Bert, bisschop van Kamerijk was. Relegemkouter is moeilijker te situeren, al kan dit toponiem niet los gezien worden van het nabije Relegem. Het Frankisch element is dus groot, het getuigt van een vroege en intense landbouwuitbating in deze hoek.

Rond het primitieve Cobbenghem groepeerden zich een aantal afhankelijken waarvoor de "heer" van het hof binnen zijn domein een zogeheten eigenkerk of borchtkerk oprichtte (11). J. Verbesselt neemt aan dat deze hofkerk zeker dagtekent uit het einde van de 8ste of begin 9de eeuw, toen de meeste belangrijke hoeven zulk kerkje oprichten" (12). Sint-Gorik, bisschop van Kamerijk (+ 594) en geloofsprediker in de streek, werd er de patroonheilige.

Later zien we dat de Kobbegemse Sint-Gorikwijk en het aangrenzende Bettegem bezit zijn van de Gentse Sint-Baafsabdij (13). Van wie en wanneer deze abdij hier zo'n uitgestrekt latifundium wist te verwerven, blijft echter een open vraag. De bindingen met het Sinte-Goedelekapittel te Brussel - het komt in 1170 nog tussen in een betwisting omtrent het obsonium door Zellik en Kobbegem te betalen aan de bisschop van Kamerijk -, de Sinte-Goedeleweg die deels over Kobbegem gaat (15) en het Amelgemveld - oorspronkelijk ook bezit van Sint-Baafs (16) maar later aan Affligem gekomen - verwijzen naar de "Amalhari", die in het nabije Hamme en te Amelgem verbleven (17). Ook de Gentse Sint-Pietersabdij bezat in 694 op de grens Hamme-Kobbegem een curtile cum terris arabilis, silvis, pratis... dat ze wellicht van gouwgraaf Witger of diens zoon Sint-Amelbert, bisschop van Kamerijk en geloofsprediker, had verkregen (18). Hebben deze Merovingische grootgrondbezitters ook een deel van hun domein te Kobbegem aan de Sint-Baafsabdij afgestaan?

Lang voor 974 - in de restitutiebrief van keizer Otto II is nog alleen sprake van het recenter geusurpeerde Zellik (19) - werd het Kobbegems Sint-Baafsdomein ontvreemd. De ontreddering rond het midden van de 9de eeuw, ontstaan als gevolg van de invallen der Noormannen, bood daartoe de gelegenheid. Wie de usurpator van het Sint-Baafsdomein te Kobbegem was, is niet direct geweten. Te oordelen naar de rechtstoestand van het heerlijk domein in de 12de eeuw, waren het de voorzaten van de hertogen van Brabant met name de Brusselse gouwgraven. Als beschermheer van het kerkelijk domein hadden deze steeds begerig uitgekeken. Eens de gelegenheid daartoe legden zij er de hand op. Van restitutie was te Kobbegem geen sprake meer. Het Torenhof was een te belangrijk verdedigingspunt tegen de opdringerige Vlaamse buren (20).

De verdediging van dit donjon werd toevertrouwd aan leden van de familia ducis, nl. hun ministriales de de Bigardis (21). Rond 1187 hield een Sonitas de Kobbengem het van deze laatste in leen (22).

Geheel echter was het bezit van Sint-Baafs te Kobbegem niet verloren gegaan. Wat restte in het Sint-Goriksveld, de Breker en het Kobbegemveld vormde echter geen aaneengesloten geheel meer; het betrof alleen nog verspreide stukken (23). Spijts de usurpatie van een deel van zijn gronden heeft Sint-Baafs wel de parochiezorg en het tiendendomein weten te behouden. Wellicht komt dit omdat het bezit ervan was voorbehouden aan de "mensa conventualis" en niet aan de abt, wiens deel veel vlugger in lekenhanden terecht kwam. Dit vernemen we uit een oorkonde van 1129 (24) waarbij bisschop Bulchardus van Kamerijk op uitdrukkelijk verzoek van abt Wulfricus en het convent, het personaat omzet in een patronaat ten voordele van de gehele kloostergemeenschap.

Inmiddels had ook Affligem te Kobbegem vaste voet verkregen. Rond 1100 kocht deze abdij er van Arnold van Vilvoorde en van Arnold van Rode, voor 140 zilvermark, diens allodium (25). Een interessante aanwinst voor Affligem gezien dit goed alleen aan de realia onderworpen was en verder van niemand anders afhankelijk. Ook later verwierf Affligem er nog goederen. In 1344 bedroeg het abdijbezit in zijn geheel: 102 bunder en 2 dagwand, d.i. een kleine 130 ha of haast de helft van de totale oppervlakte van het dorp (26). Al deze goederen waren benoorden de Maalbeek gelegen; het gros vormde, ook in de 18de eeuw nog, een aaneen gesloten blok van meer dan 30 ha (27). Centrum van dit domein was een hof dat voor 1404 verwoest werd, maar terug werd opgebouwd om opnieuw voor 1530 te niet te gaan (28). Dit hof dat mogelijk reeds behoorde bij het allodium van Arnold van Vilvoorde, is wellicht te identificeren met het vooraan links in de huidige Brusselstraat gelegen pachthof met enorme dubbelkappige (tienden -?) schuur gekend als 't Hof van Bisschop. De Sint-Magdalenakerk, die hier onmiddellijk bij aanleunt, lijkt in oorsprong de kapel van dit hof te zijn geweest. Een toestand dus, die ietwat vergelijkbaar is met de Amelgemkapel in het nabije Brussegem (29). Rond dit hof schaarden zich een aantal laten; zij vormden zo de kern van een steeds maar groeiende woonpool die vroeg of laat zou rivaliseren met de oudere Sint-Gorikwijk.

Door haar ligging (30) tegenover het Torenhof was de Sint-Gorikskerk en haar omliggende woningen, veel meer bloot gesteld aan Vlaams krijgsgevaar dan de over de Maalbeek gelegen Sint-Magdalenawijk. Al tijdens de aanvallen van graaf Ferrante van Portugal in Brabant in 1213 en 1227 (31), maar vooral in juni 1356 (32), werd Sint-Gorik zwaar verwoest. Haar pastoor was toen verplicht met de sacramentariën een onderkomen te zoeken bij de kapelaan van de Sint-Magdalenakapel en van daaruit een tijdlang de parochiezorg van Kobbegem waar te nemen. Eens echter zijn bedehuis hersteld keerde de "curatus", onder druk van Sint-Baafs en de "heer" van het Torenhof, terug naar zijn vroegere residentie.

De capellanus van Sint-Magdalena deed echter niet zo gewillig afstand van de nieuw verworven parochierechten. Pas in 1443 (33) voer Sinte Jansdach midsomere (= 24 juni) werd voor het Hof van Kamerijk de zaak beslecht. Het moet een ernstige zaak gewest zijn vermits de bisschop van Kamerijk heeren Janne van Gavere zelf, samen met hertog Jan IV van Brabant alsdoen commen was tot Cobbegem (34).

Dat Sint-Gorik het nog haalde kwam vooral door de inspanningen van de heren van Kobbegem die het Torenhof bewoonden. Familietrots - was de Sint-Gorikskerk niet door hun rechtstreekse voorvaders de de Cobbenghem opgericht - lijkt, naast de wenselijkheid in hun onmiddellijke nabijheid te kunnen praktiseren, wel een rol te hebben gespeeld om een zo spoedig herstel van de verwoeste Sint-Gorikskerk te bewerkstelligen. Van de drie kapelanieën die in de 14de eeuw te Kobbegem bestonden, waren er twee door deze heren gefondeerd in de nabijgelegen Sint-Gorikskerk. De oudste, toegewijd aan Sint-Gorik, werd door hen toegekend, evenals deze van Sint-Agatha, in 1307 gesticht door Elisabeth de Cobbengem, de laatste telg van die naam (35), en haar man Walterus de Wineghem en die hiervoor, met toestemming van hun leenheer Arnold van Bijgaarde, vijf bunder leengoed schonken als dotatiegoed (36).

Het vermogen van deze heren van Kobbegem lijkt niet onaanzienlijk te zijn gewest. Volgens een denombrement van 1440, was de heerlijkheid van Kobbegem, een vol leen (37) van de hertogen van Brabant met 10 bunder land rond het hof en 8 bunder tegen het Rynsbroeck. Het hof te Vrijthout (onder Asse) met 18 bunder land en weide werd van hen in leen gehouden. Ook een cijnshof te Sint-Ulriks-Kapelle was van 't Hof te Kwaderebbe, d.i. de veertiende eeuwse naam voor het Torenhof, afhankelijk (38). De heren van het Torenhof beweerden naast de lagere en middele jurisdictie, die hen dus toestond boeten uit te spreken, ook de hogere rechtsmacht, d.i. het recht om doodvonnissen uit te spreken, te bezitten. De veroordeelden moesten zij echter uitleveren aan de heer van Bijgaarden, die ze op zijn beurt aan de amman van het kwartier Brussel overdroeg. Voor Kobbegem en de acht andere dorpen van de meierij Jette werden de doodvonnissen voltrokken te Zellik op het Galgeveld (39). In de tweede helft van de 15de eeuw kwam het Torenhof in het bezit van Robert de Cotereau, de 'held van Montléry' (40), die sinds 9 juli 1466 heer van het naburige Relegem was (41). Zijn vrouw Margriete Herdincx (+ Relegem 1496) was de zus van abt Goswien Herdincx van Affligem. Zo is het te begrijpen dat in 1487, bij een proces dat Robert de Cotereau tegen Sint-Baafs inspande over het begevingsrecht van de Sint-Gorikskapelanie, Affligem aan zijn zijde stond (42). In 1496 staat aangegeven dat zijn kleinzoon Leenaert Cotereau te Kobbegem houder was van een vol leen (43).

In dat zelfde jaar telde Kobbegem, naast het Hof te Kwaderebbe, 15 belastbare woningen, één woning, bezit van Sint-Baafs en een andere eigendom van de Sint-Gorikskapelanie - beide bewoond door wereldlijke personen - en 6 huizen bewoond door armen. Dit zou in totaal zo'n 125 inwoners uitmaken (44). De achteruitgang met ongeveer 60 inwoners t.o.v. 1480 (45) was te wijten aan de verwoestingen aangericht door het Vlaamse leger in 1485 dat te velde trok tegen Maximiliaan en de weerwraak, in 1489, door de benden van hertog Albrecht van Saksen. Als de meeste dorpen in de omgeving beleefde Kobbegem op het einde van de 15de eeuw dus harde tijden (46). Kobbegem wist zich echter vlug te herpakken. In 1526 trof men in de gemeente al 26 belaste woningen, 5 pachthoven, 4 woningen in het bezit van geestelijke instellingen, 11 niet bemiddelde en 1 leegstaand huis of zowat 240 inwoners (47). Dit betekent op ruim een kwart eeuw tijd een aangroei van 76 %.

Vanaf de Cotereau's verblijven de heren van Kobbegem niet meer op het Torenhof, maar wel te Relegem, te Grimbergen op het kasteel Oyenbrugge, te Brussel of te Jauche. Meteen betekende dit het verval van de Sint-Gorikswijk en haar overvleugeling door de veiliger gelegen Sint-Magdalenawijk. Al in 1525 had deze laatste wijk de voorrang. In een pouillé van Kamerijk (48) uit dat jaar staat haar kerk op de eerste plaats: Cobbegen, patrona Maria Magdalena, colator abbas S. Bavonis... capellania b. Maria Virginis in ecclesia beati Gaugerici. Ander bewijs van de opkomst van Sint-Magdalena is de verfraaiing van diens kerkgebouw. Voor de korte beuk van twee traveeën, waarvan het oudste gedeelte dagtekende uit het einde van de 14de, begin 15de eeuw (49), trok Sint-Baafs, als grote tiendeheffer was ze daartoe verplicht, toen een laatgotische westertoren op (50).

Na de godsdiensttroebelen, waaronder zovele kerken in de omgeving (51) te lijden hadden, bleef ook het Sint-Gorikskerkje in puin liggen. Het zou niet meer heropgebouwd worden. Als herinnering liet het vicariaat van Mechelen aan het Sint-Geurickxkerkhof, in 1629, een ijzeren kruis plaatsen (52). Een afzonderlijke bedienaar was er ook niet meer; misschien was de laatste, evenals vele van zijn collega's uit de omgeving, gevlucht of bezweken aan de pest die hier omstreeks 1574 heerste (53). Voor geheel Kobbegem bleef er slechts één pastoor, die bovendien nog - en dit tot het begin van de 19de eeuw - deservitor te Bollebeek was (54).
 
In 1645 werd de Sint-Magdalenakerk door pastoor Willem de Paepe (55) vergroot met een noorder- en zuidertranseptarm. Landdeken Nicolaus de Walssche verklaarde in 1655 (56) dat hij er een prachtige preekstoel, drie klokken en twee biechtstoelen zag. Bovendien schildert Casper de Crayer voor het hoogaltaar een kruisafneming (57); in 1683 plaatste men een fraai rondbogig barokportaal (58).

Het ging de "prochie" vrij goed. In 1619 telde men 80 communicanten, d.i. ca. 150 inwoners. De hogere rechtsmacht was in handen van de heer van Oppem, de lagere hoorde Willem de Cotereau toe. Aan de bediening van pastoor was 225 gulden verbonden. Er was geen pastorie, wel een terrein. De kapelanie van Sint-Gorik, in bezit van Adriaan de Meyer, was eigenaar van 7 bunder en een woonstede die voor 74 gulden werd verhuurd. De heer van Kobbegem bezat het presentatierecht van de bedienaar, de proost van Sint-Baafs het begevingsrecht, aldus de overeenkomst van 19 maart 1490 (59).

In 1638 telde Kobbegem 152 inwoners, in 1660 ca. 220. Na de pest jaren 1667-68 bleven er omtrent 200 over (60). In september 1683 legden de Fransen het dorp 2270 gulden oorlogsbelasting op. Kobbegem kon deze niet voldoen en uit angst voor plundering vluchtte de bevolking het dorp uit. Toen de mensen na zes weken terugkeerden bleef er van hun oogst niets meer over. Een paar maanden later was het hen nochtans mogelijk 439 rinsgulden, de brandschatting in januari 1684 door de Franse markies de Boufflers opgelegd, af te kopen (61).

Naar het oordeel van de schepenen - ze beoogden zeker belastingsvermindering bij de Staten van Brabant te bekomen - bood het dorp in 1686, een vrij treurige aanblik. Het telde 29 armtierige huizen, waaronder 4 a 5 pachthoven, 9 huisgezinnen leefden van de tafel van de H.-Geest. De grond was er slecht en kleiachtig, de vijver bracht weinig op; men telde er 113 bunder land in bezit van kerkelijke instellingen (Affligem, het bisdom Gent, Groenendaal, Koudenberg e.a.), 46 bunder leengoed en 71 bunder cijnsland. Twee derde van de tienden kwamen ten goede aan de pastoor, het overige viel aan het bisdom Gent, aan de abdij Groot-Bijgaarden en andere instellingen. Toch had men er in 1686 ook een brouwerij - gelegen op dezelfde plaats als deze nu uitgebaat door de familie de Keersmaeker -, een winkel en twee herbergen, waaronder één waar kon overnacht worden (62). Een molen was er toen nog niet. Deze werd pas in 1780, op de Molenberg bij de grens met Brussegem, opgericht door Jan van den Driessche (63).

Van 1600 tot omstreeks 1830 bleef het Torenhof eigendom van de familie de Cotereau en hun afstammelingen de markiezen van der Noot d'Assche (64). Het betrof hier echter alleen een grondrecht, omdat, sinds 1607, de hoge jurisdictie over Kobbegem, door de vorst, samen met deze van Zellik was verpand. Van toen tot de val van het Oude Regiem bestond er voor deze dorpen slechts één schepenbank en hadden ze een gemeenschappelijk zegel waarop we lezen: "Sigillum scabinorum de Sellick et Cobbegom", In het veld werden naast elkaar Sint-Baaf en Sint-Gorik afgebeeld (65).

Ten einde een evenrediger verdeling van de grondbelasting te bekomen, hadden de schepenen, in 1683, door Peeter van Damme Kobbegem laten opmeten. Het dorp had toen een oppervlakte van twee honder twee en tachentich bunders, drij dachwanden, acht entnegentich roeden (66). In 1731 lieten zij dit Joos de Deken nog eens overdoen. Deze bracht alles samen in een mooi in leer gebonden Meting- en Caertboeck (67). Kobbegem telde toen 38 hofsteden, 250 percelen bouwland en 2 hoplochten, 24 weiden, 5 bossen en 2 vijvers; de oppervlakte van de gehele gemeente bedroeg omgerekend in moderne maat 366 ha 95 a 61 ca (68). De aanleg van een nieuwe steenweg Brussel-Gent, in 1704, los door de Breker, deed het dorpscentrum van Kobbegem niet aan en heeft, tot in de eerste helft van de 20ste eeuw, geen invloed gehad op de economische ontwikkeling van de gemeente. Toen telde Kobbegem slechts een 130 inwoners. In 1731 was dit getal tot ca. 190 gestegen, in 1755 telde men er 188, in 1786 een 245 en in 't jaar VIII: 264 (69) inwoners.

In 1755 telde men te Kobbegem vier gezinshoofden wiens beroep onder de dienstensector hoorde, nl. de pastoor, de onderpastoor, de 'dienaer van justitie' en de koster; drie tot de ambachtelijke groep: één kleermaker, één rademaker en één smid; één winkelier hoorde bij de groep handel. De primaire sector groepeerde acht pachters, waaronder één ook clynen Brouwer ende herbergier was, en 18 kossaarden. Wellicht verdienden de negen dagloners hierbij hun kost (70).

In 1747 werd, na een voorafgaand examen, Jan Baptist de Baetselier uit Meldert tot pastoor van Kobbegem aangesteld. Hij zou haast 42 jaar lang met wijze raad zijn gelovigen leiden (71). Kort na 1765 zorgde hij er voor dat het oude koor der kerk, waarvan het dak zwaar was beschadigd en de muren gescheurd (72), door een classicistisch koor van twee traveeën zou vervangen worden (73). Zijn opvolger Gilbert Frans de Graux maakte de Besloten tijd mee. Voor meer dan elf maanden dook hij onder op 't Klein Hof te Bollebeek, nadien ergens in het Brusselse (74). Na het concordaat (1802) vormden Kobbegem, Bollebeek en Relegem één parochie. Na 1808 werd Kobbegem door pastoor de Graux die na moeilijkheden met zijn parochianen naar Hamme was overgestapt, van daar uit bediend. Pas op 28 september 1825 werd Kobbegem weer een zelfstandige parochie (75).

Gans de negentiende eeuw en ook de eerste helft van de twintigste, bleef Kobbegem een rustig landbouwersdorp. Nadat een aantal landerijen van het Torenhof verkocht waren rees daar, in de zestiger jaren van deze eeuw, een industriezone uit de grond die bij deze van het naburige Zellik aansluit. In 1831 telde Kobbegem 310 inwoners; bij de telling van 1846 woonden er 323 mensen. Samen vormden deze 57 gezinnen; 39 kinderen ontvingen onderwijs en 22 huishoudens moesten door de armen ondersteund worden (76). Het dorp telde toen 310,62 ha. landbouwgrond, 3 ha 76 a tuinen, 26,49 ha weiden, 1,15 ha boomgaard, 4,11 ha hoplocht, 8,12 ha bos, 1,11 ha vijver, 1,68 ha gebouwde oppervlakte, 10 a kerkhof, 9,38 ha grote wegen, 31 a beken, 49 huizen (77).

In 1875 woonden er 361 personen, in 1900 een 365, had men 64 gezinnen en 66 huizen (78). In 1915 was het aantal inwoners tot 429 gestegen, in 1930 telde men er nog 417 en in 1932 nog 422.

Volgens de telling van 1970 bestond de totale beroepsbevolking van Kobbegem uit 147 mannen en 56 vrouwen. 20 daarvan behoorden tot de primaire of agrarische sector, 75 tot de secundaire of industrie-sector en 108 tot de tertiaire of dienstverlenende sector. Meer dan 10 procent van de werkende bevolking is werkforens. Kobbegem behoort hierdoor tot de subgroep "kleine industriecentra en gemeenten met belangrijke werkfuncties". De werkgelegenheidscoëfficiënt bedraagt er meer dan 100, d.w.z. dat er meer werkgelegenheid voorhanden is dan dat er arbeiders beschikbaar zijn en dat er dus een aantal werknemers zijn uit andere gemeenten die te Kobbegem een arbeidsplaats innemen. Deze situatie is te verklaren door een aantal ondernemingen die te Kobbegem zijn gevestigd die een betrekkelijk groot aantal personen tewerkstellen: NV Haseldonckx, Brekerlaan 40 met 319, BVBA Van Hove, Brekerlaan 45 met 113, C 6 A, Brekerlaan 41 met 77, NV Le Grinnell, Bettegemlaan l met 63, BVBA Ziegler, Bettegemlaan 17 met 52 en Brouwerij De Keersmaeker met 34 werknemers (79).

Op 1 januari 1977 fusioneerde Kobbegem met Asse, Bekkerzeel, Mollem, Relegem en Zellik. Op de laatste dag van zijn zelfstandig bestaan telde het landelijke Kobbegem 633 inwoners; daarmee maakte het dorp slechts 2,46 % uit van de totale bevolking van de fusiegemeente Asse (80).


Jaak Ockeley
 
(voor de bronnenvermeldingen in dit artikel verwijzen we naar het Ascania-nummer 1986-3)
Comments