Documenten‎ > ‎Dorpen in Asse‎ > ‎

Geschiedenis Bekkerzeel


Het ontstaan van het dorp Bekkerzeel
 
door Jan De Kerck, m.s.c.
(uit Ascania-tijdschrift 1978-1)

Zonder tegenspraak kunnen we zeggen dat Bekkerzeel een "villa-dorp" is, dit wil zeggen een dorp waar kasteel en kerk onafscheidelijk met elkaar zijn verbonden.
 
Voortgaande op het -zele toponiem gaat deze "villa" zeker terug tot de Frankische periode. Dr. Jan Lindemans heeft aangetoond dat de inplanting van de -zele namen in het begin van de 7de eeuw heeft plaatsgehad. Deze -zele nederzettingen behoren tot een tweede invasie van Frankische boeren. Te Bekkerzeel vestigde deze Frankische herenboer zich in de winkel van de Schapenbaan, dit is de oude Romeinse baan van Asse naar Elewijt en de weg die naar Bijgaarden leidt.
 
Op dit terrein is dan deze nederzetting ontstaan en uitgegroeid. In het begin zal het niet veel meer geweest zijn dan een boerendoening, opgetrokken in hout en in leem. Later zal dat dan uitgegroeid zijn tot een min of meer versterkte verblijfplaats in duurzaam materiaal, dat de naam kreeg van "castellum" of kasteel. Op dit domein huisden natuurlijk allerlei meiden en knechten (men sprak wel eens over "laten"), kortom onderhorigen die met hun gezin meehielpen aan de ontginning van de gronden.
 
In het begin zal men de voornaamste bron van inkomsten gezocht hebben in de schapenteelt, want het moerassig terrein kon moeilijk voor iets anders in aanmerking komen. Maar achteraf zal men zeker overgegaan zijn naar het ontginnen van hogergelegen landbouwterreinen, en ook van de gronden langs de baan naar Bijgaarden-Brussel.
 
In deze tijd was het normaal, dat bij een kasteel ook een kerk werd gebouwd. De priester die aan deze kerk verbonden werd, moest dan instaan voor de zielzorg niet alleen van de heer, maar ook van al de onderhorigen welke met dit terrein verbonden waren. Doch dan moest de stichter van zo een parochie er voor zorgen, dat én kerk én bedienaar over voldoende inkomsten beschikten. Daarvoor werden de "tienden-rechten" voorzien.
 
De parochie Bekkerzeel
 
Oorspronkelijk maakte de parochie Bekkerzeel deel uit van de moederparochie Asse. Het bewijs daarvoor wordt ons geleverd door het tiendebezit van Affligem, van de pastoor en de kerk van Asse op de Boterberg langsheen de grens met Asse. Bekkerzeel werd zelf een zelfstandige parochie in de Xde-XIde eeuw.
 
Bij deze gelegenheid moet dan ook de wijk "Boterberg" binnen de grenzen van de Bekkerzeelse parochie betrokken zijn geraakt. Maar Boterberg was reeds vroeger van Asse uit ontgonnen geworden. De bewoners die hier de gronden bewerkten, moesten de tienden afdragen aan de kerk van Asse. Daar kon de nieuwe parochie Bekkerzeel geen beroep op doen.
 
In de buurt van Boterberg lagen nog andere akkers, op Breedhout en op de Breker, aan de Kobbegemse grens. Deze velden vielen onder de rechtsmacht van de Sint-Baafsabdij van Gent. Reeds in die tijd beschikte deze abdij over een grote hoeve, het Hof te Bettegem onder Zellik. Van hieruit was reeds vanaf de 10de eeuw de ontginning aangevat van de gronden aan de noordergrens van het huidige Bekkerzeel. Meerdere akkers waren denkelijk toen al toegewezen aan pachters of boeren van Boterberg. Zo is het dan uit te leggen, dat de grens tussen Kobbegem en Bekkerzeel zo getekend wordt door hoeken en uitsprongen, die in feite niets anders aanwijzen dan de scheiding van de verschillende verpachte landerijen.
 
Met de Benedictijnermonniken van Sint-Baafs zal men dan wellicht tot een akkoord zijn geraakt om de tienden van deze akkers toe te wijzen aan de nieuwe parochie van Bekkerzeel. Hetzelfde gebeurde ook met de gronden die van uit het Hof te Bettegem ontgonnen waren, rechts en links van de oude Schapenstraat (thans gekend als Kortemanstraat). Men sprak toen reeds van de "Lambrechtswaarde", onder Bekkerzeel-Zellik, en van de "Bijgaardse waarde" onder Zellik en Bijgaarden. De "Waarboom" was van oudsher het middelpunt in de scheiding van die akkerlanden. Al vroeg bleek dat de kerk van Bekkerzeel de tienden mocht opstrijken in de Lambrechtswaarde, en ook op de velden langs de weg naar Bijgaarden. De Sint-Bavokerk van Zellik bevond zich in dezelfde situatie, en betrok van oudsher de tienden op de akkers die gelegen waren op de "Lookouter" en op het "Roekhout" onder de parochie van Bijgaarden.
 
Een verwijzing naar die aloude rechten vinden we in het "Manuale" van pastoor Van Nechel die in de jaren 1754 het volgende heeft opgetekend:
"Op de woensdag van de Kruisdagen gaat de kruisprocessie naar Groot-Bijgaarden tot aan de (Sint-Jozefs-)kapel. Daar wordt dan de H. Mis opgedragen, waar ook de pastoor van Bijgaarden en de pastoor van Zellik, samen met hun parochianen aan deelnemen...".
Ook de pastoor van Zellik had heel wat tienden-rechten op het grondgebied van Bijgaarden. Het was logisch dat bij gelegenheid van de plechtige gebeden voor de vruchten der aarde, iedere belanghebbende mee deelnam aan die gezamenlijke gebeden. De parochie Bekkerzeel was vroeger dus veel uitgestrekter dan nu.
 
Onder het beheer van het klooster te Bijgaarden
 
Omstreeks 1120-23 kwamen de H. Wivina en haar gezellin zich in een kluis binnen de grenzen van de uitgestrekte parochie Bekkerzeel vestigen. Volgens de oudste geschiedenisbronnen was deze Wivina in Vlaanderen geboren uit een adellijk geslacht. Zij ontvluchtte de wereld. Samen met Emwara, een dienares en gezellin, zocht zij de wegen van God. Zo kwam ze terecht bij de abt van Affligem, Fulgentius, die haar onder zijn bescherming nam. Hij verwees haar naar onze streken in de buurt van Brussel. En ongeveer op de plaats waar we nu, op de uiterste grenzen van Bijgaarden, Dilbeek en St.- Ulriks-Kapelle, de Wivinakapel aantreffen, begonnen beide een kluizenaarsleven. Feitelijk woonden ze op het grondgebied van de parochie Bekkerzeel. Voor hun godsdienstplichten waren ze aangewezen op de kerk van deze plaats. Op raad van abt Franco, die na de dood van Fulgentius deze had opgevolgd, bouwden zij met takken en leem, een voorlopige bidplaats en een paar kloostercellen. Andere vrome maagden kwamen zich bij haar aansluiten, en zo ontstond een geregelde communiteit onder de leiding van de jeugdige Wivina, volgens de regel van Sint Benedictus, en onder toezicht van de abt van Affligem.
 
Ten einde niet ondergeschikt te blijven aan de Bekkerzeelse pastoor werd door Burchard, bisschop van Kamerijk (1119-1131) het patronaat van de kerk te Bekkerzeel overgedragen aan het oratorium d.i. de latere abdij Bijgaarden. Aldus bekwam de kloostergemeenschap o.a. het aanstellingsrecht van de Bekkerzeelse bedienaar en het recht van er tienden te innen, maar ook de last van de kerk te onderhouden.
 
Deze overdracht is niet zonder tegenstand gebeurd van Amalricus de Beckensele, bezitter van de nabijgelegen kasteelhoeve, wiens voorvaders zo niet de stichters van de parochie, dan toch hierbij nauw betrokken waren geweest. Hoe belangrijk dit personage was blijkt uit de stichtingsoorkonde van de abdij Affligem (1086), waar zijn naam op de tweede plaats komt in de rij der voorname getuigen. Hij heeft zelfs voorrang op die van Walterus de Asca, de heer van Asse. Nochtans dergelijke altaaroverdracht is niets ongewoons. Hetzelfde was ook geschied met Asse in 1098 waarvan het patronaat aan de binnen diens parochiegrenzen in 1083 begonnen abdij Affligem werd geschonken.
 
De overdracht van Bekkerzeel aan Bijgaarden had natuurlijk wel de goedkeuring gekregen van de hertog van Brabant, Godfried met de Baard, die echter nog enkele tijd wachtte, eer hij in officiële termen, aan de kloostergemeente het uitgestrekte "desertum" (woestenij) van Bijgaarden overmaakte, iets wat gebeurde in 1133.
 
Pas in de tweede helft van de 12de eeuw ontstond de St.-Egidiusparochie van Groot-Bijgaarden. Dit kwam omdat het aanzien van de heren van Bijgaarden aan het hertogelijk hof te Brussel merkelijk was toegenomen. Deze profiteerden hiervan om hun eigen domein van Bijgaarden zelfstandig te maken. Denkelijk zijn daar wel enkele intriges mee gepaard gegaan, maar in elk geval was de oprichting van de St.-Egidiusparochie van Bijgaarden, in 1229 een feit geworden.
 
Net als Bekkerzeel bleef de parochie onder het patronaatschap van de nonnengemeenschap. Daar de pastoor van Bekkerzeel te Bijgaarden reeds in 't bezit was der pastorale tienden, kreeg de bedienaar van Bijgaarden alleen maar novale tienden, d.z. tienden van nieuw ontgonnen gronden.
 
Hoe St.-Godard patroon van Bekkerzeel werd
 
Daar de nonnen voor hun goddelijke diensten aanvankelijk op de kerk van Bekkerzeel waren aangewezen, zullen ze, vooral na dat ze hierover het patronaatsrecht hadden verkregen, wel bijzondere aandacht aan de materiële uitbouw hebben geschonken. We mogen zeker aannemen dat door hun toedoen het eerste bedehuis - was dit nog een houten gebouw? - door een kerk in Romaanse stijl werd vervangen.
 
Het is dan bij deze gelegenheid dat de parochie een nieuwe patroon zal hebben gekregen. Dit is dan de heilige Godardus die er thans nog als patroon wordt erkend. Deze Godardus was een gewezen Benedictijnerabt, die daarna bisschop van Hildesheim is geworden. Hij stierf in 1038 en werd in 1131 heilig verklaard. Waarschijnlijk uit sympathie voor de orde van Sint-Benedictus heeft Bekkerzeel, dat te doen had met twee Benedictijner-abdijen Affligem en Bijgaarden, deze Bene-dictijnse heilige als patroon gekozen. Een glasraam in 1900 door pastoor Corbeels in de huidige kerk aangebracht, verbeeldt een duiveluitdrijving door de heilige bisschop en ook zijn heilige dood.
Wie hiervoor patroonheilige van Bekkerzeel was blijft een open vraag.
 
De ontwikkeling van Bekkerzeel
 
De snelle teloorgang van de oude familie "de Beckensele" was wellicht oorzaak dat Bekkerzeel altijd een kleine en bescheiden gemeenschap is gebleven. Want al weten we dat Amalricus de Beckensele hoog in de gunst stond bij de Hertog, zijn nazaten hebben die rang niet weten te behouden. Waarschijnlijk is er een familietwist ontstaan. Want we zien dat in de 13de eeuw, het oorspronkelijk domein in tweeën is gesplitst. Naast het oorspronkelijk hof (dat de naam krijgt "de Zittert") groeit er een tweede hof dat de naam krijgt "Hof te Ginderomme" (wat zoveel wil zeggen als het hof aan de andere kant).
 
Lijk we vroeger reeds zagen was aan de noordwestkant van Bekkerzeel, de nederzetting "Boterberg" tot ontwikkeling gekomen. Denkelijk zijn hier en ook elders, enkele onderhorigen (of zo men wil, vrijgekomen slaven) er in geslaagd een klein terrein in eigendom te krijgen. Daar werd dan, in hout en leem, een boerderijtje opgericht, en als men er in slaagde een paar akkers te pachten van de abdij van Affligem of van deze te Bijgaarden, was er weer een nieuw boerenbedrijf op gang gekomen.
En men mag niet vergeten: in de diepte tussen de Boterberg en de Molenweg (de weg naar de kerk) lag een moerassige weide, "de Mele". Deze hoorde in 1250 nog altijd toe aan de Hertog van Brabant. De Bekkerzeelse boeren mochten hier hun vee te grazen zetten; alleen moest er bij wijze van belasting een som van 12 déniers worden betaald aan de rentmeester van de Hertog.
 
Het valt op, dat eeuwen lang, de wegen in Bekkerzeel onveranderd zijn gebleven. De wegen en wegeltjes die men op de oude kaarten van 1734 en 1835 aantreft, bestaan thans nog. Wel zijn enkele benamingen veranderd. De oude Schapenbaan van vroeger heet nu Kortemanstraat, de Schutstraat heet nu Processiestraat. De namen Boterberg en Zavelstraat werden niet veranderd, maar de huidige Mulweg staat op oude kaarten aangeduid als "kerkweg". Als men, komend van de Boterberg, de weg neemt die men nu Kerkstraat heet, dan heette die weg vroeger "Molenstraat" als herinnering aan een molen die in de 15de eeuw op de Molendries stond, op de flanken van de Boterberg. Die weg kwam echter niet op de kerk uit. Ongeveer vijftig meter voorbij de Bettegembosweg langs de ene kant en de Herzelareweg langs de andere kant, boog die straat links weg, om onder de benaming "Slempstraat" uit te komen aan de brouwerij de Kam, ongeveer tegenover de tweesprong Kleistraat-Processiestraat. Wel was er een voetpad dat van aan het begin van de Slempstraat naar de kerk liep, en dat in de loop van de 19de eeuw verbreed werd tot een echte straat.
 
We vragen ons af, hoeveel inwoners Bekkerzeel toen zou gekend hebben. Dat aantal is altijd heel klein gebleven. In de naburige parochies werd er wel ne keer spottend gezegd: "twaalf huizen en dertien ovens".
 
Volgens J. Lindemans (Toponymie van Bekkerzeel) bestond Bekkerzeel in 1437 uit 15 huizen, waaronder 5 bewoond door arme lieden; in 1472 waren er 22; in 1492, na de beroerde tijden van Maximiliaans regering was het getal op 12 teruggevallen; in 1496 waren er weer 16 en in 1523 terug 27, waaronder 4 huizen van geestelijken, 3 hoven (Ginderomme, Boterberg en Zittert), 14 hofsteden van welstellende lieden, 5 armen mensenhuizen en 1 ledige woning. Op 17 januari 1684 werd Bekkerzeel evenals tientallen andere Brabantse dorpen door de Fransen platgebrand. Alleen 5 huizen en 3 asten bleven overeind. In 1686 zijn er 7 huizen, 1 brouwerij en 1 herberg.
 
Officiële stukken vermelden voor Bekkerzeel in 1786: 214 inwoners. In 1846 telde men er 304 voor 54 gezinnen. Het geboortecijfer lag er, als elders, zeer hoog. In het doopregister werden er voor 1798, 1799 en 1800, gemiddeld 8 geboorten per jaar opgetekend.
 
In 1900 liet Pastoor Corbeels de kapel oprichten van de H. Cornelius. Om de kosten te betalen deed hij een geldinzameling bij al zijn parochianen. De namen van de families die daartoe bijdroegen heeft hij opgetekend en we tellen er 52. In 1905, bij gelegenheid van het 75-jarig bestaan van ons land werden al de gezinnen van Bekkerzeel afzonderlijk gefotografeerd. Van ruim 50 gezinnen werden de foto's lange tijd bewaard.
 
J. De Kerck, m.s.c.
Comments