Documenten‎ > ‎De Oude Doos‎ > ‎

Vondelingen


Vondelingen

door Flor De Smedt
(uit Ascania-tijdschrift 1965-4)


Bij onze opzoekingen in de parochieregisters, doopboeken en ander archief betreffende Asse, viel ons herhaaldelijk het groot aantal vondelingen en verlaten kinderen op die te Asse bij de boeren en ambachtslieden verbleven. Het zijn meestal Brusselse vondelingen die uitbesteed werden op het platteland. Waarschijnlijk zal men in al de buitengemeenten rond de grote steden een aantal uitbestede vondelingen aantreffen. Wij noteerden ook enkele kinderen die te Asse zelf gevonden werden.

Thans worden in onze steden geen kinderen meer te vinden gelegd maar tot de helft der 19de eeuw was dit een zeer verspreid verschijnsel in West-Europa. In tijden van oorlog en hongersnood werden de mensen opgejaagd en trokken ganse benden vrouwen, mannen en kinderen op zoek naar eten en werk. Samen met de soldaten ondernamen zij echte rooftochten. Onnoemelijk is het leed dat door die ruwe, uitgehongerde en opgejaagde volk geleden werd en de kleine, pasgeboren kinderen waren er vaak het slachtoffer van.

In de steden werden de kinderen achtergelaten op de stoep van een of ander klooster, aan de kerkdeur of eenvoudig achter een hoek of kant op de openbare weg. Dat de sterfte bij deze kinderen ongemeen groot was moet ons niet verwonderen. Gebrek aan verzorging, voeding en hygiëne waren de oorzaak van allerlei ziekten en epidemieën ook bij de gewone bevolking.

Het spreekt vanzelf dat deze verlaten kinderen, meestal in ongunstige omstandigheden achtergelaten, achteraf hiervan de gevolgen moesten ondervinden. Op eenzelfde dag werden er te Asse soms twee, drie begraven. In de doop- en sterfteregisters is het één litanie van "inventitius" en "inventitia" bijzonder tussen 1775-1825.

Zij die zich nu over deze kinderen ontfermden lieten ze meestal dopen en gaven ze een naam. Deze naam hield soms verband met de vindplaats, de datum, de dagheilige of was eenvoudig "uitgevonden": een fantasienaam.

Eerst geven wij enkele aantekeningen over vondelingen van Asse zelf en een eerste nota geven wij in extenso omwille van de vele details door de pastoor vermeld:

"Op heden 8 meert (1796) is gevonden seker kint een jongsken  synde aen den Dorpel van  het huys genoemt Clyn Brabant op  den kassyde, bewoont door de Weduwe De Smedt; dit kint hadde op het hoofd een wit mutsken,  't was becleedt met een oud hemdeken, eenen ouden pislap van sargie stoffe en een slaeplijf van ouden catoen, het had-de over het aensigt een slegt lynwaerde doeksken, het hadde tusschen syne slaeplyf ingespeten een papierken op forme van een hert gesneden, sijnde een stuck van een beeldeken, waerop geschreven stont: ik verseek dit Kint den naem van francis te geven. Actoum 7 marte 1796".

Het kind werd gedoopt en werd genoemd: Adrianus Franciscus BRABANT. De naam van het huis "Klein Brabant" was bepalend. Het kindje stierf echter enkele dagen later. Is het toeval of niet, maar twintig jaar later treffen wij een "Adriana Francisca Brabant" aan die in 1816 huwt. Vergelijk voor- en achternamen van deze beide vondelingen.

Als een kerstgeschenk werd in hetzelfde jaar op 22 december 1796 in het portaal van kruisborre een kind gevonden "pasgeboren en bijna gans naakt". Notaris Egidius-Guilielmus Crick en zijn schoonmoeder Anna Theresia Maroten waren de peter en meter. Men gaf het de naam: Guilielmus CRUYSBORRE. In 1822 vond men bij het huis van Antonius Andreas Van Beneden te Asse-Krokegem een klein meisje. Men doopte het Gertrudis Wijndruif. Voor 1811 noteerde ik een Clotildis DE WALFERGHEM en negen jaar later op 5 januari 1820 een Genoveva VAN WALFERGHEM.

Toen men op 19 oktober 1791 op de openbare weg nabij het pachthof van Franciscus Van Bever op de Kalkoven een kind vond, gaf men het de naam Jacobus Josephus VAN KALCK-HOVEN. Peter was de broer van onderpastoor Triest: Jacob Jozef Triest. (Zie Ascania 1962, nr 2: Een onderpastoor van Asse, door E.P. Spanhove).

Op 4 december 1789 vond men 's morgens bij de mesthoop van het pachthof van Adriaan Van Es, tussen twee bussels hout, een kind. Er was een briefje bijgevoegd waarop stond "Dit kind is gedoopt". Men gaf het de naam Barbara Van der Messen (4 december = feestdag H. Barbara).
Leonardus BELIJDER werd de naam van een andere vondeling, gevonden in de "Quakstraat" te zes uur 's morgens op 6 november 1819.

Op 23 augustus 1780 noteert de pastoor dat een kind gedoopt werd Catharina GOUSENS, zij werd gevonden op een plaats genaamd "De Geusom" op het gehucht Asse-ter-Heide. Het kindje was omtrent drie weken oud. Kent iemand de plaatsnaam "De Geusom" ???

Bij het huis van Petrus Verleysen in Krokegem lag op 29 maart 1822 een boreling. Eigenaardig genoeg gaf men het de naam Albertus VERWACHT. In september van hetzelfde jaar vond Ludovicus Beeckmans te Walfergem nabij zijn huis ook een kind: Eleutherius SEPTEMBER werd zijn naam. Zonder aanduiding van de vindplaats: Anna Maria VEE-GANCK op 28.9.1777. Op de laatste dag van oktober 1820 nabij het huis van J.-B. Smijkers 's avonds om tien uur werd een meisje aangetroffen: Lucia VAN DEN STEEN.

Andere namen van Assese vondelingen : Guilielmus LUYSTERMANS (1822), Maria Philippina TREFFLE (1805), Julia CHAMPETRE (1812), Catharina VAN ASSCHE (1671) Antonia PORTAEL (1769), Franciscus VAN ASSCHE-TER-HEYDE (3.9.1746).

Thans een reeks namen van uitbestede vondelingen: Agnes Dimanche (1811), Carolus Le Beau (1811), Lucia Maigre  (1811), Thomas Eysganck (1811), Joannes Caliber  (1823), Vincentius Carnaval (1705), Margareta Vroegop (1791), Theresia Vercouwen (1775), Anna Maria Verlaeten (1748), Joannes Verdroncken (1693), Petrus Groothope (1820), Maria Chr. Verreweg (1822), Laurentius Afslag (1814), Norbertus Sneeuwaeter (1792), Theresia Ongeschickt (1781), Nicolaus Maenschijn (1780), Ursula Ratval (1791), Nicolaus Richehomme (1746), Amandus Hanibal (1812), Alex. Vanopdensteen (1814), Quintinus De Gast (1794), Martina Arduyn (1795), Gudula Eysganck (1795), Winandus Opspraecke (1792), Regina Vleugels (1793), Gudula Verplant (1793), Henrica Quorrekens (1793), Simon Verhaegelt (1793), Begga Goren (1793), Maria Magdal. Jutera (1801), Egidius Soleil (1800), Barbara Overdeput  (1794), Petrus Vendu (1794), Dionisius Watervloedt   (1793), Rosa Gersuysken (1795), Dorothea De Solo (1794), Anna Gimetière (1810), Lucas Oiseau   (1810), Maria Kersensteen (1811), Philippus Croissant  (1812), Maria Vrijdag (1821), Helena Ceders  (1792), Begga Maedronckx  (1792), Theresia Directoir (1796), Sabina Revolution  (1796), Carolina Smalbergén (1798), Veronica Slugvloes  (1800), Theresia Rillewegen  (1795), Agnes Didaer (1795), Regina Without (1795), Eeleonora Jasmin (1797), Theodorus Francavel (1801), Henrica Noël  (1801), Eleonora Sonnerijk  (1801), Sophia Bartisson (1801), Alexander Violes (1801), Maria Theresia Karree (1794), Henricus Beauval (1796), Catharina Groenstraat (1796), Francisca Linotte  (1803), Anna Gouveillon  (1802), Emilia Sincère (1798), Walter De Miniem  (1711), Petrus Fr. Sanfrennon (1778).

Tenslotte geven wij de eigenaardige samenstelling van een gezin zoals pastoor Ringler het heeft opgetekend in zijn "Status Animarum" van het jaar 1778:

J.-B. De Valck, 43 jaar, zoon van Jan, gehuwd met Maria Magdalena DE NOODT - vondelinge - 62 jaar, uit Brussel. Er waren vier kinderen uit een eerste huwelijk met Joannes Van Nieuwenhuysen, uit Ophem: Catharine, Egidius, Joannes en Marie Petronella.

Bovendien volgende vondelingen: Rosa Evermans (°1771), J. Dominicus Van der Smissen (°1771), Teresia Ongeschickt (°1778).

Moeder De Valck moet geweten hebben wat het was vondelinge te zijn toen zij deze drie sukkelaars in haar gezin opnam.

Flor De Smedt