Documenten‎ > ‎De Oude Doos‎ > ‎

Schuld en gevangenis


Schuld en gevangenis

door Flor De Smedt
(uit Ascania-tijdschrift 1979-2)

Jan de Cauter, Gillis van Herbosch en Jacob Tors, kerkmeesters van Asse, en Jan Moyensone en Joos Vander Slachmolen als provisoren van de Heilige Geesttafel, hadden op zekere dag na een behoorlijk ingediende klacht voor de meier en de schepenen van Asse, Jacob Ranspoet doen "arresteren en vangen".

Dit alles omwille van een schuld in graan en geld die Jacob ten achter was bij de kerk en de Heilige Geesttafel.
Jan Roetmanne, diender en vorster van het land van Asse had zich met dit arresteren bezig gehouden en had er trouwens vanwege de aanklagers zijn salaris voor gekregen.

Maar toen de meier en zijn schepenen naar de gevangenis getogen waren om de gevangene te ondervragen bleek de vogel gevlogen!

Jan Roetmanne werd hierover ondervraagd, beweerde bij hoog en bij laag dat hij de gevangen "geleverd" had aan de gevangenisbewaarder, "de vruntener", Jan Dries. Hem kon derhalve niets ten laste gelegd worden.

Jan Dries echter, die ook aan de tand gevoeld werd, zegde voor zijn part dat alhoewel de diender de gevangene geleverd had, dit niet in zijn "presentie" gebeurd was. Hierop repliceerde de diender dat hij de gevangene wel degelijk "ten huize" van de cipier gebracht had en dat dezes huisvrouw hierbij was. Hij had er trouwens duidelijk bijgevoegd dat hij de gevangene bracht omwille van die bepaalde schuld en dat de gevangene toen niet weg was. De cipier moest maar zorgen dat hij het nodige deed om zijn cliënt te "houden", daarvoor was hem de "vruente" toch verhuurd geweest.

Daarop deed Jan Roetmanne zelfs de eed. Hij had alles netjes en bijtijds zijn werk gedaan.

De kerkmeesters moesten dus met lede ogen toezien dat hun schuldenaar weg was en dat er van betalen niets in huis kwam. Derhalve, besluiten zij, moet de gevangenisbewaarder maar opdraaien voor de schuld. Als het kan mag hij dan zijn schuld verhalen op de ware schuldenaar: Jacob Ranspoet.

Dit alles wordt geakteerd in het schepenregister van Asse op 29 mei 1481. Als schepenen treden op: Jan van Nijversele, peter de cauter, Jois Back, Joes van Berzele en Jan 't Kint. Uit deze tekst kunnen wij alvast een paar gegevens afleiden over het gevangeniswezen rond 1500 in onze streek.

Voor het gevangennemen van een beklaagde moest een som geld betaald worden. De diender of vorster werd dus per "stuk" betaald, na bewezen dienst.

De vrunte, dit is de gevangenis, werd in huur uitgegeven. Een openbare aanbesteding dus waar de gevangenisbewaking toegewezen werd aan de minst eisende. Blijkbaar moest de gevangene "ten huize" geleverd worden en stond de gevangenbewaarder of "vruntener" er voor in dat zijn gevangene er dan ook bleef zo niet kon hij zelf voor de rechtbank gebracht worden. Zijn verantwoordelijkheid was dus groot.

Flor De Smedt