Documenten‎ > ‎De Oude Doos‎ > ‎

Priester Daens in Asse


Rond de veroordeling van Pieter Daens te Asse

door P. Van den Berghe
(uit Ascania-tijdschrift 1983-4)

Op 13 januari 1906 verschenen drie daensistische voormannen voor het vredegerecht van Asse. Het ging meer bepaald om volksvertegenwoordiger Pieter Daens, de Borgerhoutse drukker en graveerder Jan Victor Schoepen en priester Florimond Fonteyne, wiens woonplaats zich toen in de Antwerpse Solvynstraat bevond. Deze drie personen werden er van beschuldigd op 3 september 1905 te Asse in open lucht een toespraak te hebben gehouden (1), terwijl zij daarvoor vanwege het gemeentebestuur niet de vereiste toelating hadden bekomen. Het plaatselijk politiereglement van 2 december 1898 legde voor een dergelijke overtreding een boete op gaande van 1 tot 25 frank of een gevangenisstraf van 1 tot 7 dagen. Volgens de rechtbank beriep Daens zich ten onrechte op zijn parlementaire immuniteit, omdat een op heterdaad betrapt parlementslid meteen zijn onschendbaarheid verloor. Het argument van de verdediging als zou de grondwettelijke vrijheid van vergadering miskend zijn geweest, werd eveneens verworpen daar artikel 19 van de grondwet voorzag dat de bijeenkomsten in open lucht ten volle onderworpen bleven aan de politiewetten. De toenmalige Assese vrederechter, ridder van Elewijck, achtte de feiten afdoende bewezen en veroordeelde Pieter Daens tot 3 dagen gevangenisstraf. Schoepen en Fonteyne kwamen er beter af: zij kregen elk voorwaardelijk 25 frank boete of 3 dagen gevangenis met 3 jaar uitstel. De drie beklaagden werden gezamelijk tot de betaling van de gerechtskosten veroordeeld (2).

Deze veroordeling lag aan de basis van de interpellatie die Adolf Daens op 30 januari 1906 in de Kamer richtte aan het adres van Jules de Trooz, de katholieke minister van binnenlandse zaken (3). Hij begon met een vrij lange uiteenzetting over wat er zich - naar zijn inzien althans - op die fameuze 3 september 1905 te Asse had afgespeeld. Zo'n 6 à 7000 Brabantse hopboeren waren op die dag naar het centrum van de hopteelt gekomen om er rustig te betogen tegen de oneerlijke buitenlandse concurrentie en tegen de toenemende vervalsing van het bier. Alles verliep erg rustig tot op het ogenblik dat de aangekondigde redenaars aan het woord kwamen. Op bevel van volksvertegenwoordiger-burgemeester Leon de Coster grepen de ordediensten dadelijk in. Er ontstond een hevig tumult. Even zag het er zelfs naar uit dat er een bloedbad zou van komen maar het bedachtzame optreden van de rijkswachters en vooral van enkele sprekers kon erger voorkomen; enkel de politiecommissaris had tijdens het opmaken van het proces-verbaal enkele rake klappen te incasseren gekregen. Voornaamste verantwoordelijke voor deze herrie was de Assese burgemeester die met zijn willekeurige maatregel het door de grondwet gewaarborgde recht op vrije meningsuiting op een flagrante manier had onmogelijk gemaakt. Na afloop van de betoging hadden zich nog enkele incidenten voorgedaan (4), waarvoor de indirecte verantwoordelijkheid nogmaals bij De Coster moest gezocht worden. Daens vroeg zich af of de burgemeester dan nog wel ongestraft kon blijven.

In zijn repliek nam De Trooz zijn partijgenoot in bescherming. Hij legde integendeel alle schuld bij de daensisten, die het gemeentebestuur van hun voorgenomen betoging niet op de hoogte hadden gebracht. Het gemeentereglement was helemaal niet strijdig met de grondwet en moest bijgevolg door iedereen, de daensisten inbegrepen, worden geëerbiedigd. Toen De Trooz openlijk twijfelde aan het vreedzaam karakter van de manifestatie en daarbij herinnerde aan de vechtpartij tussen enkele betogers en de handhavers van de openbare orde leidde dat enkel tot een steriele woordentwist tussen de minister en de gebroeders Daens.

Ook Leon de Coster nam het woord. Hij vond het zeer vreemd dat er zoveel kabaal gemaakt werd omtrent de houding van iemand die met de hele zaak geen uitstaans had (5). En toen volgde er een gans andere versie van de feiten. Hij schatte het aantal betogers op slechts 'n goede duizend man waarvan de meesten niet uit West-Brabant afkomstig waren, maar wel van Boom, Niel, Antwerpen, Denderleeuw en Aalst en al die mensen waren naar Asse gekomen om er te betogen tegen zijn persoon. Hij sprak over de scherpe aanvallen die de daensisten in elk nummer van hun pers (6) tegen hem lanceerden omdat hij in hun ogen niets voor de hopboeren deed en enkel met de rijke brouwers samenspande om de hopkwekers tot de bedelstaf te brengen. Die opvatting was - nog altijd volgens De Coster - een grove vertekening van de waarheid: als voorzitter van het plaatselijk hopsyndicaat geloofde hij sterk in een verbetering van de kwaliteit van de hop door de wetenschap en in dat verband wees hij op de eervolle premies die de leden van zijn syndicaat op de prijskamp van Luik hadden behaald (7). Uit het verslag van de politiecommissaris bleek duidelijk dat de daensisten bewust geen enkel gevolg gaven aan de aanmaningen van de overheid, dat zij heel goed wisten dat ze een strafbare handeling stelden en dat ze slechts op geweld uit waren. Enkel uit christelijke naastenliefde koesterde De Coster geen diepe verachting voor de gebroeders Daens. Hij vroeg zich af waar de daensisten het lef haalden om te interpelleren over een zaak waarin zij dan toch de enige schuldigen waren.

Uit het hele debat bleek nogmaals hoe geïsoleerd de daensisten in het parlementaire halfrond stonden. Bij de katholieke parlementsleden vond Adolf Daens helemaal geen gehoor; voor hen was hij een onbetrouwbaar individu en een afgevallen priester. De Brusselse christendemocraat Henry Carton de Wiart - vóór 1900 nog een strijdgenoot van priester Daens (8) - bestempelde zijn vroegere kameraden nu als pure demagogen. Enkel bij de liberale en socialistische oppositie konden de daensisten nog op enige steun rekenen. Het hele incident liep op een sisser af, want op diezelfde 30ste januari 1906 werd het vonnis van Asse in hoger beroep door de Brusselse correctionele rechtbank vernietigd omdat de procureur des konings van oordeel was dat er in dit geval geen sprake kon zijn van een "flagrant délit" (9). Het martelaarsaureool werd Pieter Daens dus niet gegund (10).

P. Van den Berghe

voetnoten

1. Vanuit een open venster van de herberg " De Gouden Leeuw ".
Deze herberg was gelegen in de steenweg, nu de winkelhuizen Triko en Minnie's boetiek.
2. Rechtskundig, Tijdschrift, VII, 1906, p. 105-109.
3. Annales Parlementaires, Chambre, 1905-1906, p. 544-554.
4. Zo waren Daens en zijn medestanders uitgejouwd door een groep kinderen en 's avonds werden zij in de tram aangevallen door de klerken van de katholieke notaris Cyriel Ampe van Asse.
5. De Coster was op 3 september 1905 niet in zijn gemeente aanwezig; hij vertoefde op het Davidsfondscongres te Lier.
6. Meer bepaald in De Werkman, De Volkseeuw en Het Land van Aalst.
7. Over de hardnekkige strijd tussen daensisten en (conservatieve) katholieken om de sympathie van de hopboeren, zie F. VANHEMELRYCK, Het Daensisme in het arrondissement Brussel, (Brussel), 1979, p. 55-59.
8. F. VANHEMELRYCK, o,c., p. 13-26, 85-86.
9. Cfr. Pandectes Belges, dl. II, Brussel, 1879, nr. 40, kol. 647. 
10. Hij beschouwde de gevangenisstraf als een grote eer.