Documenten‎ > ‎De Oude Doos‎ > ‎

Pasbolling bij Mil


Pasbolling bij Mil van de Chik
(Emiel De Bauw)
1910-1935

door Karel de Bauw
(uit Ascania-tijdschrift 1998-2)

In 1909 werd de herberg van Mil van de Chik gebouwd op de Gentsche Steenweg Nr. 2 (nu Nerviërsstraat nr. 8) door aannemer Jozef Tistaert wonende hoek Gentsche Steenweg-Prieelstraat. In 1910 vroeg dokter Jozef De Doncker aan mijn vader Mil om een pasbolling te bouwen achter de herberg. Vader moest zich van de toekomstige spelers niets aantrekken, hiervoor zou Dr. De Doncker wel zorgen. Het werd een zware bijkomende investering en het nodige geld werd bijgeleend bij veearts Ringoot.

Jefken Tistaert werd opnieuw belast met de opbouw ervan. De beste pasbolling van toen was die van 't Misverstand (Nieuwstraat) op vaste aardegrond en niet overdekt. Aan Tistaert werd de opdracht gegeven er iets speciaals van te maken: de bollebaan moest 20m lang zijn op 2m breed, in beton zeer fijn bewerkt en naar het midden licht uitgehold en de zijkanten een weinig opgetrokken zodat de bollen nooit de baan konden verlaten.

Aan beide uiteinden werd een gat gemaakt van 10 cm. diep en 25 cm. breed. Eens daarin telden de bollen niet mee voor punten. Op 1,25 m van het gat van beide uiteinden en in het midden kwam het stek. Het stek was een pluim die men in de grond stak. Er kwam een dak over de bollebaan. met Boomse pannen, afbellend naar links en ondersteund door 5 dikke houten palen. De volle lengte links werd afgezet met dikke vezel en vooraan en achteraan met dikke planken zodat geen tocht de spelers kon hinderen. Langs beide zijden van de baan lag een ruime meter gaanweg en stonden er twee zitbanken.

Het werd de schoonste pasbolling die ooit in onze streek gebouwd was.

Het spel

Het spel was af in 11 punten. Om te beginnen werd kaart getrokken om wie samenging. Was het een onpaar getal, dan werd opnieuw getrokken wie afviel. Na één uur werd geloot onder de spelenden wie moest aftreden opdat de afgevallene kon meespelen. Er waren de puntspelers: degenen die dichtst bij 't stek moesten spelen; de afleggers die hun bollen onderweg probeerden te leggen om te beletten voorbij te geraken; de schieters die met snelheid langs de zijkant de in de weg liggende bol van de tegenpartij trachtten weg te gooien om "jou" te kunnen behalen. Een "jou" was een punt. De bollen hadden een diameter van ca. 16 cm. en waren 7 cm. dik en wogen ca. 2 kg. Ze waren voorzien van een "trok" langs de kant van de nummering. Die kant was de diameter iets korter, zodat de bol steeds langs de "trok" neigde te lopen. Het spel eiste een grote vaardigheid. Een anecdote van toen: Als de bol te hard gespeeld in het gat viel, riep Jefken Doenkers schalks "hij is bij Wash" (Washken de grafmaker begroef de mensen destijds).

De punten werden aangeduid op een zwarte plank met elf gaten links en rechts, met bovenaan WIJ en ZIJ. De markeur werd bij iedere ploeg op voorhand aangeduid en bediende zich daarvoor met een houten stekkertje aan een koord. Ondanks de bollen genummerd waren, werden ze door de meesten nog bijgetekend met voorhanden krijt.

Wanneer twijfel bestond of een bol dichter bij 't stek lag dan deze van de tegenstander dan werd er gemeten. Voor korte afstanden gebruikte men een lat. Voor grotere afstanden evenwel gebruikte men hiervoor een grote metalen passer, die opengeschoven wel tot 1,50 m kon reiken. Men trok 't stek, de pluim uit en in het gaatje plaatste men één voet van de passer en dan kon men meten. Na elk spel werd er gedronken. Alleen geus: een fles in vieren gerekend, om 't langst te duren. Op een stevige lange houten plank werden de bierglazen gezet.

De club kwam de donderdag en zaterdag samen. De andere dagen mochten andere burgers spelen, maar op de clubdagen moest de baan heel proper liggen. De bollebaan werd 's avonds verlicht met carbuurlampen aan beide uiteinden.

De Vereniging

Postmeester De Keyser (schoonvader van meester Juul Bogaert) was voorzitter en Dr. De Doncker secretaris. Aan de muur van de herberg hing het clubkastje. Elke samenkomst stak de speler er 2 frank in en tweemaal per jaar was het "souper" in de herberg. Louis Colin was steeds de optredende zanger met zijn repertoire Brusselse liedjes, waaronder hoofdzakelijk "De Zweetvoeten".

Hoofdonderwijzer Jules Van den Eynde (1860-1925) werd in 1923 erkend als de beste speler. Hij kon fijn berekend zijn bol doorheen de afgelegde bollen tot bij het stek brengen en nog "jou" halen. Er waren ongeveer 30 leden in de club. Ze spraken mekaar aan met hun titel : doktoor, postmeester, notaris, pachter, meester, ontvanger, enz. Nooit de voornaam zoals heden.

Toch waren ze dikke vrienden en het spel was hun ontspanning en vreugde. In de jaren dertig kwam stilaan de teloorgang van de vereniging. Meestal door sterfte. In 1935 was 't gedaan. Er kwamen geen jongeren om op te volgen. De bollebaan werd nog lange jaren gebruikt voor bergplaats. In 1963 kwam de totale afbraak. Enkele leden: Postmeester De Keyser, Dr. Jozef De Doncker, Gemeenteontvanger Louis Borré, Hoofdonderwijzer Jules Van den Eynde, Deurwaarder Florent Van den Eynde, Pachter Schaumans, Marinus van Houdenhove (pachter), dhr. Thoen van Tenberg, Louis Colin, Notaris Cyriel Ampe, Commandant Robbe, Jean Colin, Jozef Tistaert, Notaris J. Hinsen, Emiel De Bauw, Veearts Ringoot, Armand Doorns (klarinet bij de Gidsen).

Karel de Bauw