Documenten‎ > ‎Ascania varia‎ > ‎

Huis Stas


De opeenvolgende bezitters van het huidige eigendom Stas

door Marcel de Clippele
(uit tijdschrift Ascania 1961-1)
 

Het in het raam van deze bijdrage afgedrukte plan is getekend naar 't oorspronkelijke plan van J. Dedeken (dd. 9.2.1796), uitgevoerd op verzoek van "sieur" Franciscus J. De Pauw (19.1.1796).
 
Iedereen die bekend is met het huidige prachtige herenhuis op de Markt van Asse, hetwelk thans bewoond is door notaris Louis Stas, zal bemerken dat dit eigendom op de dag van heden wel een kleinere oppervlakte beslaat dan in het jaar 1731, toen het goed eigendom was van de familie Robijns die de gebouwen ervan verfraaide en ter herinnering daaraan het jaartal 1731 op de lijststeen boven de ingangsdeur liet beitelen. Hier volgen nu de opeenvolgende eigenaars van het goed, zoals zij voorkomen in de eigendomstitels, die ten jare 1931 in het bezit waren van wijlen de heer Frans De Pauw.
 
1. Hubert Moortgat, Hoog Drossart van den Lande van Assche, en zijn vrouw Agnes 't Kïnt. Laatgenoemde, weduwe geworden, liet het goed publiek verkopen op 15.2.1729 en 24.5.1729, voor de som van 4.200 gulden aan:
 
2. Petrus Robijns, Greffier van den Lande van Assche, en zijn vrouw Anna Maria de Heze. Petrus Robijns stierf op 14.6.1741 te Asse, en A.M.H. de Heze overleed te Brussel, in haar woning aan de Wolvengracht op 16.9.1774 (1). Het eigendom ging dan over naar:
 
3. Jonker Jan Bapt. Robijns en zijn broeder, Jonker Ludovicus Josephus Robijns. Op 16.1.1789 was het goed vergroot met een aanpalend perceel, groot 20,5 roeden, aangekocht van Hermanus Pregaldini door Jan Bapt. Anthonius Robijns, en dit perceel volgde dan ook het lot van het goed.
 
4. Op 1.8.1791 wordt het eigendom overgedragen aan Judocus Josephus De Pauw-Hendrickx voor de som van 6.273 gulden, waarna het op 4.2.1769 verdeeld wordt tussen:
 
5. De twee gebroeders Judocus Josephus De Pauw-Hendrickx en Franciscus Josephus De Pauw-Verheyen, volgens het hoger vermeld plan. Elk deel volgde nu zijn eigen lot. Het gedeelte dat wij volgen, is het herenhuis met typische voorgevel aan de Markt, hetwelk toekwam aan:
 
6. Judocus Josephus De Pauw-Hendrickx verkreeg het noordelijke gedeelte met het woonhuis. De schuur, met de 74 roeden palende aan de losbaan, thans Mureveld, werd eigendom van zijn broeder Franciscus Josephus De Pauw-Verheyen. Daarna volgen:
 
7. De echtgenoten De Pauw-Annemans (bij erfenis);
 
8. de echtgenoten Pierre Annemans-Parmentier (bij erf.);
 
9. Notaris A. Richir (door aankoop) ;
 
10. Notaris Cyriel Ampe (aankoop) ;
 
11. Notaris Jules Stas (aankoop) ;
 
12. Eindelijk belanden wij dan bij de welbekende notaris Louis Stas, die zijn vader opvolgde in het ambt en als eigenaar van het prachtige herenhuis.
 
Petrus Robijns ligt begraven onder een zerk van blauwe hardsteen in de kruiskapel (evangeliekant) in de Sint-Martinuskerk te Asse. Het opschrift, de omlijsting, het stralende kruis met gelijke armen bovenaan, evenals de doodskop op gekruiste beenderen onderaan, zijn, uit wit marmer. De twee familiewapens en de sterf datum van de vrouw (16 sept. 1774) zijn echter gewoon ingekapt. Dit schijnt abnormaal. De reden daarvan is, dat wapens en datum later aangebracht werden (ongeveer op het einde van de XlXe eeuw), want Anna Maria de Heze is niet in onze parochie overleden, maar wel in haar prachtige woning aan de Wolvengracht te Brussel, en zij ligt begraven vóór het koor van de Finistèrekerk. Bovendien, indien het mannelijk wapen (familie Robijns) wel degelijk het wapen van die familie is, dan is het vrouwelijk wapen dat op de zerksteen voorkomt, niet het juiste, althans indien wij mogen voortgaan op het perkament dat in mijn bezit is en dat luidt als volgt:
 
"Messire Jooseph van den Leene, seigneur de Lodelinsart et de Castillon, Conseiller de sa Majesté et son Premier Roy d'Armes en ces Pays-Bas et de Bourgogne et le Capitaine Anthone Ignace Jaerens, Ecuyer Roy et Heraut d'Armes Ord. de sa dite Majesté, en ces ds Pays-Bas. A tous présens et a venir Certifions & Déclarons que sur la Sépulture de feu le Sr Renaud de Heze vivant Drossard de Ternath, Cruyckenbourg, Wambeke, et Lombeke, et de feue Damelle Anne Marie de Coninck sa compagne, peuvent être taillées les Armoiries cy-dessus figurées qui sont a dextre un Ecu chargé d'une Aigle courronnée, party chargé de trois fusées en fasce et coupé chargé d'un triangle clesché et renversé, pour le dit Sr de Heze, et a Sinistre un Ecu aux mêmes Armes, mi-parties d'un fascé de six pièces, coupé chargé d'un chevron accompagne de trois Tou taux pour la dte Damelle de Coninck sans en ce contrevenir aux Placards et Ordonnances Héraldiques de sa Majté, En témoing de la vérité avons dépêche cette a la Réquisition du Sr Martin de Heze Drossard des dits lieux leur fils et ses frères & soeurs, signé de nos seings manuels et muny de nos cachets, fait en la ville de Bruxelles ce 20 dé-cembre 1709. / Signé Jos Vanden Leene, et A.J. Jaerens et étaient apposés Les Cachets de leurs Armes Imprimés en hostie rouge sur Etoile de papier blanc."
 
Marcel de Clippele
 

Het huis Stas

door Joris Spanhove
(uit tijdschrift Ascania 1974-1)
 
Asse bezit nog enkele historische bouwwerken: de kerk, de kapel van Kruisborre, de kapel van de Neerstraat, het gasthuis. Bij die bouwwerken moet zeker vernoemd: het herenhuis Stas op de Oude Markt.
 
Dit huis was vroeger verplicht een cijns te betalen aan het gasthuis. Zo kan men aan de hand van de oude gasthuisrekeningen, die inkomsten en uitgaven optekenen, enigszins de geschiedenis van dit huis volgen. In 1549 werd dit huis bewoond door Henrick Van Der Herstraeten, een schepen van Asse. die in 1552 meier was van Asse. Hij betaalde in 1549 "van sijnder hoofstadt ten Quaede Gaete aen d'Oude Merct 2 schellingen ".
 
In het goederen boek van 1552 schrijft een latere hand: nu betaald door de erfgenamen Moortgat. Hubert Moortgat was drossaard van Asse en woonde in het tegenwoordige huis Stas. In 1650 zien we een andere bewoner in het huis: Heer Janne De Greve betaalt dan over Hendrik Van Der Herstraeten op zijn hofstede " ten quade Gate " aen de oude Markt 2 schellingen. Jan de Greve was een kapelaan van Asse, die wekelijks twee missen las in het gasthuis. Deze betaling kunnen we volgen tot 1572. Tussen 1572 en 1598 vinden we geen gasthuisrekeningen. Dit is waarschijnlijk toe te schrijven aan de troebele tijden die Asse dan meemaakte wegens de strijd van de Nederlanden tegen Spanje.
 
In 1598 merken we, dat Katelijne Van Brandenborch, vrouwe van en tot Assche, de cijns op die stede moet betalen. Er volgt echter geen betaling. Katelijne Van Brandenborch volgde als bezitster van deze hofstede Jan De Greve op. In de rekeningen van 1601 lezen we immers: Mijn Eerw. Vrouwe van en tot Assche geeft jaarlijks over de hofstede van wijlen Jan De Greve 8 stuivers. Deze werden nu echter ook niet betaald. In een randnota vragen de auditeurs van de rekening, dat de rentmeester van het gasthuis, toen Sacharias Esselens, hierover zou onderhandelen met de rentmeester van Mevrouwe. We stellen ons de vraag of Katelijne Van Brandenborg dit huis niet gebruikte als verblijfplaats bij haar bezoeken in Asse? In alle geval weten we, dat de gronden achter dit huis behoorden aan de Heer van Asse. In 1607 treffen we Gielis Van Langenhove, meier van Asse, als betaler van deze cijns aan. Hij heeft dit huis gekocht. Dit staat in de randnota van de rekening van 1601.
 
In zijn notaboekje over de goederen van de pastorij van Asse schrijft pastoor Calenus dat hij op 12 oktober 1612 " tegen meyer Langenhove gecocht heeft sijn huys gelegen ten quade gate". Pastoor Calenus beschikte over geen pastorij. Hij gaat nu in dit huis wonen met meerdere priesters. Zijn zuster Anna doet het huishouden. De rekeningen van na 1612 vermelden dan ook, dat pastoor Calenus de jaarlijkse cijns van 8 stuivers betaalt.
 
In de rekening van 1626 is het Elisabeth Van Mulders, weduwe van Nicolaus Calenus, die cijnsplichtig is. Wat is er gebeurd? Pastoor Calenus is in 1624 uit Asse vertrokken als pastoor van Sint Catarina te Brussel. Uit zijn testament blijkt, dat hij het huis " ten quade gate " in medebezit had met zijn broer Nicolaus. Deze huwde op 16 oktober 1618 in Asse met een dochter van Steven Van Mulders, pachter op het hof Ter Heide in de Bos te Walfergem. Niklaas stierf op 7 januari 1625. Zijn vrouw Elisabeth bleef dan eigenares van de hofstede. In de rekening van 1642 merken we dat Elisabeth is hertrouwd. Het is nu Gielis Goossens, haar man, die 8 stuivers betaalt van haar hof gelegen " binnen Vrijheyt te Quaede Gate".
 
Nu houden de gasthuisrekeningen op. In 1647 zijn de gasthuiszusters hun intrek komen nemen in het hospitaal. We beschikken echter nog over een rijk gegeven over dit huis uit het goederenboek van het gasthuis, aangelegd door pastoor Offhuys, waarin de betalingen van cijnzen tussen 1696 en 1743 genoteerd zijn. Latere schrijvers geven rond de tekst van Offhuys allerlei nadere gegevens. We geven die teksten:
 
Mijnheer Hubertus Moortgat over de Weduwe Peeter Moortgat en over Elisabeth Van Mulders geeft op zijn hofstede gelegen aan het "quaed Gat en de Oude Merckt jaarlijks 8 stuivers". Er staat een nota bij: "de heer drossaard Moortgat heeft enige roeden gekocht van den heer Markies en nog van iemand anders om zijn hof te vergroten in het vierkant". Op de tekening die hierbij staat ziet men dat die roeden van de heer markies juist achter de hofstede lagen. De paalgenoten van deze hofstede worden in het goederenboek van pastoor Offhuys aangestipt: Michiel De Raet, De oude markt, het Kwaadgat, De heer Markies. Een latere hand voegt hierbij: nu Peeter Robijns greffier en een nog latere hand schrapt Peeter uit en schrijft er boven jouffrouwe Robijns.
 
We stippen nu het lijstje aan van de bezitters van dit huis. De data zijn jaartallen waarop we de naam van de bezitter voor het eerst hebben ontmoet.
 
Hendrik Verherstraeten (1549) schepen
Jan De Greve (1560) kapelaan
Katelijne Van Brandenburg (1598) Vrouwe van Asse
Gielis Van Langenhove (1607) meier
Hendrik Calenus (1612) pastoor-deken
Niklaas Calenus (1624) wijnhandelaar
Elisabeth Van Mulders (1625) vrouw van Niklaas
Gielis Goossens (1642) 2e echtgenoot v. Elisabeth
Peeter Moortgat, schepen
Hubert Moortgat, drossaard
Peeter Robijns, greffier
Juffrouw Robijns
 
Het lijkt me mogelijk aan de hand van deze gegevens een vollediger geschiedenis van dit merkwaardig huis samen te stellen. Notariële akten en familiearchief kunnen hierin helpen.
 
Joris Spanhove

Bibliografie:
J. Lindemans: Oude Brabantse Geslachten: Van Mulders (ESB 1944, bl. 24)
L. Ceyssens: Calenus, pastoor van Asse (Ascania 1961 nr. 3)
L. Ceyssens: Het testament van Calenus (Ascania 1965 nr. 2)
J. Ockeley: De Familie Robijns (Vlaamse Stam 1966 blz. 99)
J. Spanhove: Gasthuisleven te Asse rond 1560 (Ascaniabiblioteek)
Archief:
Gasthuisrekeningen 1548-1648.
Goederenboek van het gasthuis, Offhuys.


Het huis "Ten Quade Gate"

op het einde van de 16de eeuw
door Joris Spanhove
(uit tijdschrift Ascania 1996-4)
 
Een der mooiste gevels in Asse vindt men aan het oude herenhuis op de oude markt, in de volksmond "huis Stas" genoemd, nu bewoond door de Gasthuiszusters van Antwerpen. Een gevelsteen getuigt, dat het huis, gelijk het er nu staat, gebouwd werd in 1731. De familie Petrus Robijns-de Heze liet het dan oprichten. Petrus Robijns was dan griffier in Asse. Dit huis heeft echter een hele voorgeschiedenis. We leren het kennen als huis "ten quaede Gate". Het gasthuis had op dit huis het recht van een cijns van 2 schellingen. In de oude gasthuisrekeningen vinden we zo de eigenaars van dit huis, die deze cijns betaalden. We geven een voorbeeld uit 1560 "Heer Janne de Greve over Henrick van der Herstraeten geeft op een hofstede gelegen "Ten quaede Gate" aen d'oude merct 2 schellingen". Zo kennen we de opeenvolgende eigenaars van 1548 tot aan het Frans Bewind :
 
Hendrik Verherstraeten, schepene c. 1548
E.H. Jan de Greve, priester c. 1560
Katelijne van Brandenburg, edelvrouwe, 1585-1607
Gieles van Langenhove, rentmeester, meier c. 1607
E.H. Henricus Calenus, pastoor-deken, c. 1612
Niklaas Calenus, broer van pastoor Calenus, c. 1624
Elisabet van Mulders, vrouw van Niklaas, c. 1625
Gieles Goossens, 2de echtgenoot van Elisabet, c. 1641
In 1647 vestigden de gasthuiszusters zich in het gasthuis. Uit het
goederenboek van W. Offhuys, pastoor van het gasthuis, leren we
dan de verdere cijnsbetalers kennen :
Peeter Moortgat, schepenen van Asse
Hubert Moortgat, drossaard van Asse
Petrus Robijns, griffier van Asse
Juffrouwe Robijns
 
In de boekhouding van Gielis van Langenhove, rentmeester van de goederen van Katarina van Brandenburg, edelvrouwe van Asse, lezen we hoe Katarina, eigenares werd van het huis "ten quaede Gate".
 
"Op 10 december 1585 koopt Joos van Langenhove een woonhuis met stallingen en boomgaard gelegen te Asse "ten quaede Gate". Daarin placht heer Jan de Greve te wonen. De rentmeester wist, dat voor de pachter van het Hof van Asse geen woning beschikbaar was en om zijn "labeur" te doen. Zo heeft Joos van Langenhove de voorschreven koop op zich genomen met goed behagen van de edelvrouwe, na beraad van 14 dagen".
 
Deze nota vraagt wat uitleg. Joos van Langenhove en Gieles van Langenhove waren broers, beiden zonen van Petrus van Langenhove en Elisabet de Smet. Ze speelden dus bij die koop onder één hoedje. Uit de gasthuisrekeningen blijkt dat Joos van Langenhove "Het Gulden Hoofd" bewoonde.
 
E.H. Jan de Greve was onderpastoor van Asse geweest en tevens kapelaan van twee gefundeerde missen in de kapel van 't gasthuis. Waarschijnlijk was hij een Assenaar. Het Hof van Asse, vroeger gelegen op de plaats van de huidige dekenij en kliniek en eigendom van de edelvrouwe werd gehuurd door Willem van Mulders, gehuwd met Barbele Verhasselt. Hun zoon Steven volgde hen een tijd lang op in het Hof. Het Hof van Asse werd in 1583 tot op de grond afgebrand door de Spaanse legers van de hertog van Parma toen bijna gans het dorp van Asse in de vlammen opging. De edelvrouwe wenste dan het Hof niet dadelijk te herstellen, wegens de oorlogsomstandigheden, gebrek aan werklui en de te hoge prijs. Ze was zo wel verplicht uit te zien naar een nieuwe woonplaats voor het pachtersgezin Willem van Mulders - Barbele Verhasselt en hun zoon Steven, wilde ze, dat haar landerijen nog bewerkt werden.
 
Het huis "Ten quaede Gate" was wel niet afgebrand, maar was door de oorlogsomstandigheden ook zeer vervallen. Dit bracht mee, getuigt Gielis van Langenhove, dat er heel wat reparatiën nodig waren om de pachter er fatsoenlijk te laten in wonen en zijn "labeur" te doen, zoals het behoort".
 
In december 1597 lijkt het Hof van Asse hersteld te zijn. Pachter van Mulders woont niet meer in het huis "Ten quade Gate". "Het huis aan de markt, dat vroeger toebehoorde aan de erfgenamen van heer Jan de Greve "gestaan en gelegen aen d'oude merct werd met boomgaard en toebehoren verhuurd voor een termijn van 6 jaar aan Hans Adriaens mits betaling van 33 gulden per jaar". Arnold van Berck was pastoor geworden in 1594, een degelijke priester die op allerlei gebied ook als schoolmeester, de toegetakelde parochie er boven op hield. Gielis van Langenhove schrijft dat de verhuring aan Adriaens gebeurde "in de naam van Arnold de Berck, priester en pastoor".
 
Hans Adriaens was de schoonbroer van pastoor A. van Berck met wiens zus hij gehuwd was. In de jaren 1594 en '95 grijpen er herstellingen aan dit huis plaats. Er is sprake van nieuwe deuren, vensters, herstel van een kelderkamerken. Hans Maeck, geboren in Maastricht, zorgt voor nieuwe "Tichelen" in de stal en wordt betaald voor het maken van een schouwmantel, een schouwpijp en het hermaken van twee schouwen.
 
Bij het nakijken van de gasthuisrekeningen merken we dat de edelvrouwe gedurende meerdere jaren de cijns van 25 schellingen niet betaalde. In die rekeningen vinden we dat die cijns voortaan zal betaald worden door Gielis van Langenhove, meier van Asse, als koper van dit huis in 1601.
 
Joris Spanhove
Comments