Documenten‎ > ‎Ascania varia‎ > ‎

Hopteelt Asse 19de eeuw


Hopteelt en hopcrisis te Asse in de 19de eeuw
 
door Robert De Vos 
(uit Ascania-tijdschrift 1984-2)


1. De plaats van de hop in de landbouw te Asse
 
Om het belang van de hop voor onze streek aan te tonen, zouden wij ons kunnen vergenoegen met te verwijzen naar de bebouwde oppervlakte in ha der industriegewassen te Asse:
                     

1846
1866 
1880
1895
1910
Kemp
0,05
0,09
0,33
0,15
0,06
Vlas
11.68
24,26
13,04
1.83
0,00
Koolzaad (a)
93,59
103,00
28,44
10,42
  0,50
Tabak
0,37
6,42
2,50
3,50
Hop
115,46
160,87
182,24
179,18
69,09
Chicorei 
0,00
 
0,024
1,24
0,93
Suikerbieten
0,00
0,00
0,00
35,37
31,12
Mosterdplant
0,00
0,00
0,00
0,00
1.50
 
(a) omvat naast koolzaad ook raapzaad en andere oliehoudende planten.
 
Laten we hierbij nog de cijfers voor hop van het Kanton Asse voegen. Geteelde oppervlakte in ha:
 

Kanton Asse
Gem. Asse
t.o.v. kanton Asse
1866 :
(a) 693,08
160,87
23,21
1880 :
855.41
182,24
21.30
1890 :
857,75
179.18
20,89
1910 :
427,00
69.09
16,18
 
(a) Naast de hop zijn ook inbegrepen: tabak, meekrap, chicorei.
Deze teelten waren echter zeer miniem.
 
Tijdens haar zitting van 23 november 1886 wees de "Section agricole d'Assche" op het belang van de hopteelt voor Asse. Met dit doel vergeleek men de geteelde oppervlakte hop te Asse met deze van de andere grote hopcentra Aalst en Poperinge voor het jaar 1880:
 
landbouwdistrict Asse                  855 ha
landbouwdistrict Aalst                 338 ha
landbouwdistrict Poperinge         881 ha 
 
Deze gegevens tonen duidelijk aan dat Asse, samen met Poperinge, hét voornaamste hopcentrum was van België. In dezelfde zitting van de "Section agricole d'Assche" valt trouwens ook op welke belangrijke plaats in de besprekingen voorbehouden werd aan de hopteelt. In deze gedachtengang lijkt het mij wel verantwoord even langer stil te staan bij deze teelt.
 
2. De teeltwijze en de bewerking
 
Deze plant, die een zorgvuldig onderhoud en plantkeuze vereist, gedijt het best in lichte gronden, met vochtige onderlaag. De scheuten werden geplant in maart of april. Niet zelden werden er aardappelen, kolen e.d. tussen geplant. Na drie jaar ongeveer geeft de hoprank een eerste volwaardige oogst; de ranken zijn uitgeput na 14 à 15 jaar. Zodra de scheut uitkwam plantte men de staak, langs welke de plant naar boven zou geleid worden. Deze staken waren meestal van sparrenhout, hadden maximum 30 cm omtrek en waren 25 à 30 voet hoog. Zij kostten 16 à 25 Brabantse florijnen (één Brabantse florijn = 1,81 frank) de 100 stuks.
 
Over het aantal planten die per ha werden geplant, schijnt enig verwarring te bestaan. Eén algemene tendens tekent zich echter af: men evolueerde naar een kleiner aantal planten (of staken) per ha. In het begin van de 19de eeuw spreekt Van der Maele over 1600 planten per 45 aren. dus ongeveer 3.500 per ha. Dit is in overeenstemming met wat Van Aelbroeck voorhoudt, namelijk dat er 3.600 per ha zouden zijn. Later, naar het einde van de beschouwde eeuw toe waren het er nog ongeveer 2.500 per ha.
 
De hop werd op kleine schaal geteeld. Zelden vonden wij een hoplochting die groter was dan 50 aren. Von Grouner schrijft dat de hopteelt in handen was van de kleine boeren en dat een lochting van 500 tot maximum 2.000 planten bevatte. Dit zou altijd zo blijven. De hopteelt eiste immers veel arbeidskrachten en werd onrendabel als men werkkrachten moest huren. De hoplochtingen waren meestal dicht bij het huis gelegen, omdat men aldus beter in staat was de akker te onderhouden - de hop vraagt veel verzorging - en hem te bemesten, want dit gewas vroeg veel bemesting.
 
De hopbouwers uit Asse gebruikten een mengsel van regenwater dat het straatvuil had meegenomen met dierenuitwerpselen. Deze mengeling werd soms nog versterkt door er oliekoeken bij te voegen. Rond de staken groef men een grachtje, waarin deze vloeistof werd gegoten en dat nadien weer werd gedicht. In de herfst greep een strobemesting plaats. De mest bleef aan de voet van de staak tijdens de winter en diende als mest voor het volgend seizoen. Ook werd veel kalk gebruikt om de bladluizen te bestrijden.
 
De hopbellen sloten zich, vulden zich met lupuline en waren rijp om getrokken te worden in september. De pluktijd die 3 à 4 weken duurde, was een periode van intense activiteit. Eenmaal de bellen rijp, moesten ze zo vlug mogelijk geplukt worden. Aan het plukken, dat in de streek van Asse en Aalst voornamelijk thuis geschiedde, werkten het hele gezin en ook de buren mee. Ook deed men, naar het einde van de 19de eeuw toe, nog beroep op vreemden. Dezen zijn vooral vrouwen uit de streek van Zele en Buggenhout in Oost~Vlaanderen. Zij werden gevoed en gelogeerd door de hopboer. Soms verlengden zij hun verblijf om nog te helpen bij de bietenoogst.
 
Het plukken moest geschieden bel per bel ("belleken-één"). Plukte (stroopte) men de hele bloemrist, dan waren er teveel bladeren en stengels vermengd met de bellen en de prijs was dan ook in evenredigheid.
 
Het drogen van de bellen geschiedde in een ast (eest. droogoven). De hop werd in dunne lagen uitgespreid op een latwerk, waaronder een open vuurhaard brandde. Deze methode bracht zekere nadelen met zich mee, voornamelijk voor het aroma van de hop (kolen of sparrenhout bijvoorbeeld waren in dit opzicht zeer af te raden). Tegelijkertijd met het drogen werd de hop gezwaveld, om ze een mooie en gelijkmatige kleur te geven. Er mocht maximum 2 kg zwavel gebruikt worden per 100 kg bellen. Na afkoeling spreidde men de bellen uit op een zolder om ze te laten zweten. Daarna werd de hop gestapeld en geperst bij middel van met gewichten verzwaarde planken. De hop moest binnen het jaar verkocht worden, omdat ze anders teveel van haar kwaliteit verloor.
 
Tijdens de maanden oktober of november moest de hoplochting opnieuw geschoffeld worden. De stengels werden afgesneden op 20 cm van de grond en werden bedekt met wat grond (aanaarden, aankuilen). Einde maart nam men van deze hoopjes grond de nodige aarde af om de mest die men rond de staken aanbracht te bedekken. Zodra de zomer zich aanbood, werd de voet van de rank volledig vrijgemaakt.
 
De hierboven beschreven methodes ondergingen praktisch geen wijzigingen tot het einde der 19de eeuw. De van nature conservatieve landbouwer stond wantrouwig tegenover elke vernieuwing, zoals bijvoorbeeld: selectie. aangepaste bemesting, nieuwe droogmethodes, enzovoorts. Op het einde van de 19de eeuw gingen onder invloed van de crisis commissies en studiegroepen, zowel van private als van openbare aard, zich bezighouden met de methodes van de hopteelt. In hun besluiten legden ze vooral de nadruk op:
 
a) een rationele keuze der variëteiten (de Groene Bel, de Witte Rank en de Coigneau bijvoorbeeld kwamen ongeveer tot rijpheid de ene tien dagen na de voorgaande. Het planten van deze drie variëteiten liet dus toe het te laattijdig plukken te vermijden);
b) een minder intensief gebruik van organische meststoffen;
c) het gebruik van ijzerdraad in plaats van houten 'staken (meer licht en lucht, de staken zijn schuilplaatsen voor ziektekiemen);
d) meer doorgedreven strijd tegen insecten en ziekten;
e) een zorgvuldig plukken, verzorgen en selecteren van de bellen;
f) het afschaffen van de bestaande droog methode om het aroma niet te bezoedelen. De hopbouwer liet zich echter slechts moeizaam overtuigen van het nut van deze vernieuwingen.
 
3. De variëteiten
 
In de streek van Asse en Aalst was de "Groene Bel" de meest verspreide variëteit. De "Coigneau" kwam er op de tweede plaats. Ook de "Hertebel" werd er, doch in mindere mate. geteeld. Al deze variëteiten gaven wel weelderige oogsten, maar de bellen ervan waren te grof in verhouding tot het lupulinegehalte. Ook hadden zij geen fijn aroma.
 
4. De hophandel en de hopcrisis
 
Het centrum van de hophandel in het Land van Asse en het Land van Aalst was de hopmarkt van Aalst. De handel stond er onder het beheer van de "Koopmansnering van Sint Rochus". Deze nering had trouwens ook de handel in andere handelsgewassen van de streek in handen. Op het einde van de 18de eeuw werd er 2.200.000 pond hop verhandeld per jaar; daarbij schatte men dat ongeveer 1.000.000 pond verhandeld werd zonder op de markt te komen.
 
De hopproductie in België overtrof de binnenlandse vraag en werd voor een belangrijk deel uitgevoerd. Tot het einde van de 18de eeuw voerde ons land omvangrijke hoeveelheden uit naar Frankrijk, Duitsland, Nederland en zelfs naar Engeland. De Aalsterse markt was vooral gericht naar de Nederlandse en Duitse markt. Reeds op het einde van de 18de eeuw echter zou deze bevoorrechte positie van de Belgische hopteelt in het gedrang komen. Toen werd de Engelse hop een fel concurrent, en dan vooral op de Duitse markt. Rond de eeuwwisseling kwam zij zelfs onze hop op haar eigen nest bedreigen. Het verbod van Napoleon om uit te voeren naar Duitsland betekende een nieuwe zware slag voor onze hopteIers. Na de val van Napoleon was hun plaats er reeds ingenomen door de Amerikaanse en door de groeiende Duitse hopteelt.
 
Meteen schijnen de eerste kiemen van de hopcrisis reeds gelegd. De hophandel was trouwens steeds, wegens de enorme schommelingen in de productie en de speculaties. een aaneenschakeling van depressies en bloeiperiodes. Enkele gegevens over de prijzen zijn hiervan het meest sprekende bewijs:
 
De prijzen (in gulden/100 pond) op de Aalsterse markt van 1770 tot en met 1786
 
1770:
14 tot 15
1782:
24 tot 26
1774:
9 tot 11
1783:
16 tot 10
1777:
50 tot 60
1784:
24 tot 25
1778:
14 tot ~~
1785:
15 tot 17
1780:
28 tot 29
1786:
33 tot 38
1781:
13 tot ~~
 
 
 
Desiré De Grave verkreeg de prijzen van de hop voor de periode 1852-1899 van Louis Van Ginderachter, hophandelaar te Asse. Deze prijzen (in franken) zijn voor elk jaar afzonderlijk gegeven voor de maanden oktober tot en met juni. De gemiddelde waarden zijn:
 
1852:
58.5
1864:
126,4
1876:
97.7
1888:
30.8
1853:
121.1
1865:
140,1
1877:
49.0
1889:
29,7
1854:
309.3
1866:
149,9
1878:
40,6
1890:
124.1
1855:
48,2
1867:
86.6
1879:
81.1
1891:
117.4
1856:
44.7
1868:
54,6
1880:
58,8
1892:
86.5
1857:
38.2
1869:
55,9
1881:
76.6
1893:
85,3
1858:
57.4
1870:
37.6
1882:
338,3
1894:
49,6
1859:
37.5
1871:
100,3
1883:
113.6
1895:
26,9
1860:
201.8
1872:
79,1
1884:
67,0
1896:
21,2
1861:
91,7
1873:
73,3
1885:
34.4
1897:
32,2
1862:
94.5
1874:
164,2
1886:
29.9
1898:
131.1
1863:
95.6
1875:
58,1
1887:
35.0
1899:
44,1
 
(voor 1899 gaat het slechts om de gemiddelden voor oktober, november en december)
 
Deze schommelingen kunnen grotendeels teruggebracht worden tot een opeenvolging van goede en slechte oogsten. De volksmond drukt dit aldus uit: "Laat de hop den kweker zeven jaar in druk, het jaar daarop schenkt zij hem driedubbel geluk".
 
Bemerk echter hoe schaars de hoogtepunten werden naargelang we de 20ste eeuw naderen. Dit verschijnsel had een meer diepgaande oorzaak dan een slechte oogst, In het algemeen gezien zouden wij de oorzaak ervan als volgt kunnen samenvatten: een verslapte en foutieve reglementering van de hophandel had een daling van de kwaliteit tot gevolg; daardoor werd de concurrentiepositie van onze Belgische hop verzwakt t.o.v. de buitenlandse hop en dit zowel op de binnenlandse als op de buitenlandse markt; het onvermijdelijk gevolg (zonder invoerrechten) was ene prijsdaling. Laten we dit alles even van naderbij bekijken.
 
Van oudsher namen de overheden maatregelen om de kwaliteit van onze hop. en meteen zijn uitvoer. te waarborgen. Een ordonnantie van Karel VI van 5 juni 1719 bepaalde dat de handelaars alle hop moesten laten wegen op de stadswaag en ze laten keuren door erkende keurmeesters. De hop die bestemd was voor de uitvoer moest geijkt worden met het stadsmerk. Men trachtte aldus de tuitelaars een voetje te lichten (Tuitelaars waren degenen die hun waar vervalsen door er bijkomend gewicht aan toe te voegen. zoals bladeren. stengels of water). Op verzoek van de Nering van Sint-Rochus werd onder Maria-Theresia op 11 februari 1767 het stadsmerk ook opgelegd voor de hop die bestemd was voor het binnenland. Deze gunstige evolutie ging verder met een wijziging van het reglement van de openbare waag van Aalst. Vanaf 1863 moest de hop, in balen verpakt en ongeopend, door de kweker ter weging aangeboden worden bij de stadswaag en aan een expertise onderworpen worden voordat ze bij de handelaar terecht kwam.
 
Maar dit was dan ook de laatste gunstige noot. Spoedig ging men minder streng tewerk. Zelfs werd de Sint-Rochusnering ontbonden in 1870. In hetzelfde jaar nog werd de voornoemde reglementswijziging van de openbare weging en keuring van Aalst teniet gedaan. Het tuitelen werd onvermijdbaar.
 
Deze verslapping van het toezicht was in zekere zin te verklaren door het speculatieve karakter van de hophandel (de oogst was soms 3 tot 4 maal verkocht voor de pluk; de prijzen werden aldus in werkelijkheid gemaakt te Brussel door een groep speculateurs op basis van de wereldproductie en de vraag en aanbod in de buurlanden). De handelaar die lang op voorhand de verplichting heeft aangegaan een levering te verrichten, werd verplicht zich minder veeleisend te tonen tegenover de planter.
 
Samen met de verzwakte reglementering leek ook de verhouding handelaar-planter bij te dragen tot de daling van de kwaliteit. De handelaar was in het dorp vertegenwoordigd door zijn "facteur". Deze kocht de hop in naam van de handelaar aan één vaste prijs, zonder rekening te houden met de kwaliteit of de soort. Bij de levering kon de handelaar echter de koop afzeggen. Alle kosten van de verhandeling vielen bovendien ten laste van de landbouwer. Per zak (die ongeveer 50 kg bevatte) werd 3 kg hop afgehouden, die het gewicht van de zak zouden vertegenwoordigen. Zulk gewicht was natuurlijk teveel. Verder eiste de koper nog een aftrek van 2 % van het totale gewicht of van 1/15 van de prijs als vergoeding voor een contante betaling. De verkoper moest tevens de facteur betalen (2 en zelfs 3 frank per 100 kg). De prijs van de weging (50 centiem: 25 centiem voor de balans en 25 centiem voor de klerk) was ook ten laste van de verkoper.
 
Slechts na de verkoop moest de hop worden aangeboden bij de officiële keurders. opdat zij het stadsmerk zou bekomen. Deze keuring verliep slechts oppervlakkig. Men keek na of de koopwaar droog genoeg was en of ze goed geplukt was. Een meer diepgaand onderzoek (aroma, lupulinegehalte, enz.) greep niet plaats.
 
Men stelt dus vast dat alle producten op dezelfde voet werden gesteld van zodra ze aan zekere minimumeisen voldeden. Deze gang van zaken had normalerwijze tot gevolg dat de planter de kwantiteit boven de kwaliteit ging stellen. Hij trachtte zoveel mogelijk voort te brengen aan een zo laag mogelijke kostprijs. De kwaliteitsdaling, het vanzelfsprekende gevolg van al wat voorafging, bracht onze hop in een zwakke concurrentiepositie t.o.v. de buitenlandse. Deze situatie werd nog bezwaard door twee andere factoren. Vooreerst onderging de smaak van het bier een grote evolutie, Men eiste nu licht, bitterder, fris en schuimend bier. De toenmalige Belgische hop bleek niet geschikt daarvoor.
 
Daarenboven werd onze uitvoer van hop naar Duitsland zwaar belast, terwijl omgekeerd de Duitse hop bijna onbelast in België binnenkon. De prijsdaling had tot gevolg dat de winst bij de hopteelt zeer miniem was. Reyniers legde in 1904 aan een door de regering ingestelde "Commission d' enquête" volgend schema voor:
 
totale kosten (in frank) voor het bebouwen van 1 ha hop per jaar
 
huur en belastingen
175
onderhoud
350
bemesting
185
aankoop van de staken
330
plukken
360
drogen
100
Totaal  (in frank)
1.500
 
 
De grote prijsschommelingen en de wisselvalligheid van de oogsten (proefvelden gaven tijdens opeenvolgende jaren oogsten van 400, 500, 1.200, 1.800 en zelfs tot 2.200 kg per ha) maken het moeilijk de opbrengst per jaar en per ha te berekenen. Voor de periode 1897-1903 berekende men een opbrengst van 1.600 frank per ha en per jaar.
 
De winst was dus miniem, en vooral als men nagaat welke hoge kosten men moest dragen om zo'n klein rendement te bekomen. Het gevolg laat zich vlug raden: vele landbouwers lieten de hopteelt links liggen en gingen in de plaats vooral groenten kweken.
 
5. De heropleving
 
Talrijke werken werden gewijd aan dit probleem. In 1881 reeds werd door de staat een onderzoekscommissie ingesteld. In het rapport, opgesteld door Damseaux, professor aan het Landbouwinstituut van Gembloux, werd de nadruk gelegd op de noodzaak aan een betere kwaliteit, op het in gebruik nemen van moderne methoden en installaties. Onmiskenbaar werd hier de kern van het probleem aangeraakt, doch het was te didactisch, te geleerd, niet concreet genoeg opdat de landbouwers er gehoor zouden aan geven.
 
Weer kwam hier de conservatieve aard van de landbouwer naar voor. Zij zijn van mening dat de schuld niet bij hen ligt. De brouwers, die de voorkeur gaven aan buitenlandse hop, waren voor hen de schuldigen; de handelaars zijn medeplichtig; de overheid beging de fout om de invoer van vreemde hop niet genoeg en de invoer van hopstaken te veel te belasten (In de zittingen van de "Section agricole d'Assche" kwam meerdere keren de eis voor een tolpolitiek, die de Belgische hop zou beschermen, naar voren.
 
Stilaan echter zouden, naarmate de voorlichting meer "praktisch" werd, de pogingen vruchten beginnen afwerpen. In Aalst werd door de regering en de provincie Oost-Vlaanderen een modeluitbating opgericht. De landbouwers konden zich thans 'de visu' overtuigen van de goede resultaten die bekomen werden op een moderne, rationeel opgevatte uitbating. De handelaars, gegroepeerd in een syndicaat, besloten een hogere prijs te betalen voor de hop die zorgvuldig "belleken-één" was geplukt (5 tot 15 frank duurder per 100 kg). De "Commission d' études pour la culture et le commerce du houblon" droeg haar steentje bij: haar verslag was meer praktisch, gaf meer concrete voorbeelden en inlichtingen dan dit van de Commissie van 1881.
 
Te Asse zelf streefde men op lokaal vlak. naar een vernieuwing van de methodes. Het "Comice agricole" benoemde in zijn schoot een commissie om de middelen te onderzoeken om de hopteelt in de streek weer meer leefbaar te maken. In 1881 werd op het gehucht Tenberg een nieuw model van droogoven en een proefveld met ijzerdraad opgericht. De resultaten waren echter weinig bevredigend en het voorbeeld lokte geen navolging uit.
 
Een ander belangrijk instrument tot vernieuwing waren de tentoonstellingen die werden ingericht ter gelegenheid van de hopmarkten te Asse. Hiervoor verleende de regering een jaarlijkse toelage van 2.000 fr. om de mooiste balen te belonen met prijzen van 5, 10, 15 en 20 frank. Op 16 september 1899 bv. werden er 185 balen verhandeld. 
 
Ook al waren de reeds bekomen resultaten merkwaardig, het doel was nog niet bereikt. Een niet onbelangrijk aantal hopteIers bleef nog ter plaatse trappelen. De ultieme stap was de oprichting van landbouwsyndicaten. Tumultrijke betogingen en woelige meetings grepen plaats.
 
Terwijl op 13 maart 1904 een grootse betoging werd gehouden door de hopboeren, ontstonden in de dorpen op zeer korte tijd een zeer groot aantal verenigingen. Deze zouden spoedig een belangrijke rol gaan spelen. Elk van de vier hopkantons richtte een arbitrageraad op, wiens taak het was de geschillen tussen planter en handelaars te beslechten. De syndicaten hadden het grote voordeel dat zij werkten op parochiaal vlak, in een beperkte kring.
 
Zij richtten voordracht- en debatavonden in en organiseerden studiereizen naar modelbedrijven. De kwaliteit van de hop ging terug met sprongen de hoogte in. De nationale nijverheid kocht weer Belgische hop en de prijs ging stijgen.
 
In Asse zelf herzette de hopteelt zich weliswaar van de hopcrisis, maar zou toch nooit meer de bloei bereiken die hij had gekend tijdens de 19de eeuw. De groenteteelt, die voor vele landbouwers tijdens de crisis de hopteelt had vervangen, bleek immers minstens even winstgevend. 
Comments