Documenten‎ > ‎Ascania varia‎ > ‎

Het Assiaan


Het Assiaan

door dr. Laurent Leeman
(uit Ascania-tijdschrift 1977-1)


Dat "De Asschenaar" het oudste weekblad, en dat de Assekoeken de oudste specialiteit in ons land zijn is bekend, maar dat onze gemeente ook de typelocaliteit is, en dit op wereldniveau, voor een geologische laag, dat is niet zo algemeen geweten. Deze laag, het Assiaan, wordt over zijn volledige dikte aangetroffen in onze gemeente, en in enkele buurgemeenten; ze breidt zich evenwel uit tot aan onze kust. Ze bestaat uit een grauwblauwachtige klei en zand: we noemen ze hier potaarde, "pottejeir".

Die klei is een nogal vettige en zeer taaie substantie, die best als boetseerklei kan gebruikt worden, en die vroeger gebruikt werd om knikkers te maken, de "pottejeiremelbers" van de oudere generatie. Inderdaad: vóór de tijd van het gesofistikeerde speelgoed, was die potaarde een zeer bruikbaar en goedkoop materiaal voor onze verplichte doe-het-zelvers (cfr. flokkebussen, katapulten, bogen, vislijnen en noem maar op).

In de jaren '50 voerde het Geologisch Instituut van de Universiteit te Gent, over het ganse territorium, boringen uit met het doel een nieuwe bodemkaart op te stellen. Ook in Asse werden verschillende boringen verricht (Onze gemeente is uiteraard een interessant geologisch object, aangezien ze gelegen is op de eerste heuvelrei van Midden België. En zo hebben we aan professor Tavernier, directeur van het bovengenoemde instituut om inlichtingen over "ons" Assiaan gevraagd (1).

We kregen prompt de nodige documentatie, fotokopies en schematische geologische kaarten inbegrepen.
Op deze kaarten kunnen we de verbreiding en de diepte van het Assiaan gemakkelijk volgen. Houden we er rekening mee, dat het Assiaan een formatie is uit het Tertiair (het 3e geologisch hoofdtijdperk) en dat in het Kwartair (het 4e tijdperk, waarin wij nu nog leven) hier nog lagen bovenop afgezet werden, dan begrijpt men meteen, dat in de lager gelegen delen, en in de valleien die door het water werden uitgeschuurd, deze laag dichter aan de oppervlakte wordt gevonden, als op de Assese heuvel. Dit wil zeggen, dat van de Poel te Walfergem, naar Vitseroel; over de Morette en Asbeek, langs de kerk van Terheide, naar Kravaalbos, en zo uitbreidend naar Meldert en Baardegem, ons Assiaan practisch aan de oppervlakte ligt, gewoonlijk minder als 80 cm en niet meer als 2 meter.

De benaming "Assiaan" werd in 1882 door A. Rutot ingevoerd in een artikel, verschenen in de "Annales de la Société Royale Malacologique de Belgique" Tome XVII, Bulletin des Séances CLXXX-CLXXXV. De titel luidt "Résolution de la question du Tongrien et du Wemmelien Création du Système Asschien". We vatten samen: In de omgeving van Tongeren en Wemmei worden geologische lagen gevonden, die sterk op elkaar gelijken: ze kregen de naam van Tongriaan en Wemmeliaan. De grondlagen van Asse werden bij het Wemmeliaan ingedeeld.

In 1882 werden er door Rutot ten oosten en westen van Brussel, proefboringen verricht, met het doel een meer gedetailleerde geologische kaart op te stellen. Rutot noemt zijn boormateriaal (95 jaar geleden!) zeer modern.
Volgens zijn bevindingen zijn er in het door hem onderzochte gebied ten westen van Brussel 10 welbepaalde lagen. We vatten samen, de lagen die voor ons belangrijk zijn:

'5° Een witachtig zand, grofkorrelig in de bovenlaag en fijner wordend naarmate men dieper gaat. In de bovenlaag, vindt men ijzer- en fossielhoudende afzettingen (Kamp van Asse, ten N.O. van Essene). Aan deze laag hebben we de naam: Zand van Asse gegeven (Sable d'Assche).'

'6° Eerst zandachtige klei, zeer geleidelijk overgaande in het zand onder n° 5 vermeld. Daarna wordt de laag vlug grijs, plastisch, met een donkergrijsblauwe kleur, normaal pyriethoudend. Dieper gaand komt er glauconiet bij, en daarna wordt de laag opnieuw zandachtig: dit is de pyriethoudende klei of de klei van Asse (L'argile glauconifère ou Fargile d'Assche).'

In iedere geologische formatie worden fossielen aangetroffen; dit zijn de pantsers van hoofdzakelijk microscopische wezens, die in dat bepaalde geologisch tijdperk leefden, toen de formatie zich vormde (Een soort dierlijke getuige dus, of beter nog: bewijsstuk). Het Tongeriaan, Wemmeliaan en Assiaan bevatten praktisch dezelfde fossielen nl. Numilites, Operculina en Pecten Corneus.

Een soort wordt alleen in het Assiaan aangetroffen, nl. de CYPRINA REFLIAENI. Ook worden er in deze geologische lagen nog fossielen aangetroffen, van "quelques espèces nouvelles non encore décrites". Of deze soorten de voorbije 90 jaar wel zijn beschreven leek ons praktisch zeker (2).

En ja, waar eerst gevonden, daar eerst de naam, zal Rutot ook gedacht hebben. Daar de blauwe klei eerst in de bodem van Asse werd aangetroffen besluit de auteur na ruggespraak "avec assentiment de quelques géologues consultés" om van het Wemmeliaan de zand- en kleilagen van Asse los te maken, en ze de naam van Assiaan te geven, "parce qu'il est surtout developpé typiquement aux environs d'Assche".

Zodus bevat het Wemmeliaan alleen nog het Wemmels zand met een basislaag, die uit keien bestaat. En het Assiaan en het Wemmeliaan samen noemt men de Bartaan-étage uit het Tertiaire tijdperk, door professor Tavernier vermeld. Het Assiaan is volgens A. Rutot een kleine geologische laag, die niet tot buiten onze grenzen reikt, maar gezien het toch iets " van bij ons " is dachten we dat het misschien de moeite loonde er even de aandacht op te vestigen.

Onze potaardelaag is soms een obstakel bij grondwerken, vnl. bij het boren van steenputten. Dit is zeker zo waar de laag nogal oppervlakkig ligt, zoals bij voorbeeld in Asbeek en Asse ter Heide. Die laag is inderdaad zo taai als leer. Lode van den Bossche die hier in de buurt nogal putten heeft geboord, heeft ons dat volmondig bevestigd.

Aangezien de laag praktisch ondoorlaatbaar is, wordt het regen- en smeltwater tegengehouden, en hoe meer oppervlakkig de laag, hoe meer bronnen we zullen vinden. En daar zal dan ook niet zo diep moeten geboord worden om een "goeie steenput" te hebben. In Asbeek was men laatst een bedding voor een telefoonkabel aan het graven. Van de opgedolven potaarde had ik er wat meegenomen en thuis te drogen gelegd. Na enkele dagen was het goedje zo hard als baksteen.

Pottejeire melbers moeten wel sterk geweest zijn.

Dr. L. Leeman

We wensen hier speciaal te danken:
1. Het Geologisch Instituut van de Rijksunivers'teit te Gent Directeur Prof. Dr. R. Tavernier.
2. Mevr. L'Abbé, Licentiaat Aard- en Delfstofkunde, Asse, die dit artikel kritisch heeft nagezien.
Ze heeft ons gezegd dat Dr. P. Laga, Aardkundige dienst van België, Jennerstraat 1040 Brussel, zich met dit probleem heeft beziggehouden.
Comments