Documenten‎ > ‎Ascania varia‎ > ‎

Assemastellen


Over Assemastellen en Vlaai
 
door Jozef De Koninck
(uit Ascania tijdschrift 1967-1)
 
In Asse zijn er "alzeleven" twee specialiteiten geweest. Het zijn de vermaarde Assekoeken en de minder gekende Assemastellen.
 
De Grave schreef in zijn Geschiedenis van Asse over de Assekoeken en zijn uitvinder Lahoese. Jules Bogaert in het nummer van "Eigen Schoon en De Brabander" van juli 1928, en Pater Spanhove in zijn boek "De Grafstenen binnen de kerk van Asse".
 
Maar niemand dacht eraan wat te vertellen over de Assemastellen.
 
Assekoeken zijn bekend geraakt het hele land door. Het schijnt dat het een der oudste specialiteiten van het land is... Maar de Assemastellen? Wel, die zijn slechts gekend en verspreid geweest in het land van Asse.
 
Wat zijn dan de Assemastellen? Er zijn nog vele Assenaren die goed weten dat het een rond en bruin gebakken droog koekje is van ongeveer 8 à 9 cm doorsnede en ruim één cm dik. De samenstelling ervan geeft ons het oud receptenboek van Guillaume Verhasselt (bijgenaamd "Lommen van Keizers", omdat hij vroeger zijn stiel leerde in de bakkerij De Keyser), bakker en assekoekmaker, op de Steenweg te Asse (thans drukkerij).
 
Dit boekje zegt: bloem (meel), melk, boter, eieren, gist, kaneel en bruine suiker. Deze mastellen dienden meestal tot het bereiden van de bijna verdwenen lekkere vlaai.
Deze vlaai werd vroeger in elk huisgezin gebakken, ondermeer bij feestdagen en kermissen. Om vlaai te maken kunnen we geen vast recept geven, daar iedere huisvrouw het hare had, van het ene wat meer. van het andere wat minder.
 
Men begon naar de hoeveelheid die men wenste, in een kastrol 10 à 15 Assemastellen te verbrijzelen in enkele liters melk, daarbijvoegend een in stukken gebroken homp peperkoek, een handsvol spekuloos, 'n greep broodsuiker, 'n handsvol bruine suiker en enkele eieren. En als ge daarbij (als ge het krijgen kunt) nog een pakje afval van Assekoeken of "gerès" (zoals men het noemde) kon bijvoegen, dan was de samenstelling ervan klaar.
 
"Gerès" van Assekoeken kondt ge kopen bij de pasteibakkers.
 
Wanneer dit alles was samengevoegd kon men het op 'n koele plaats of in de kelder neerzetten om het de ganse nacht te laten "wijken".
 
's Anderendaags werd deze brij, na goed omroeren, op het vuur te koken gezet; men voegde er dan foelie en kaneel aan toe, 'n scheutje rhum, en, zo nodig, nog wat suiker, en zeker een goed handsvol rozijnen; deze konden dan zo dik zwellen en zo sappig in de mond komen te liggen. Na gekookt te zijn, goot men deze brij in vuurvaste schotels, meestendeels in gebakken aarde, vanbinnen geel glazuur en vanbuiten groen glanzend.
 
Men moest de vlaai bakken wanneer men brood bakte. De kommen vlaai gingen met het brood de oven in, en vooraan gezet, omdat men af en toe moest kunnen kontroleren. Wanneer men een brijpriem in de gebakken vlaai stak, en er hing niets meer aan, dan was ze prima gebakken, met bovenop een blinkende schone bruine korst. Wie een bakoven had, kon ze zelf bakken, of men droeg ze te bakken bij de bakker.
 
Van 1926 tot 1930 heb ik een beetje bakker gespeeld, en heb zelf menige kom vlaai gebakken in de oven van de bakkerij van Lommen Verhasselt.
 
Was me dat wat. Ge moest het gezien hebben, al deze kommen vlaai van alle grootte en maaksel. De vlaai van Tinneke X was juist van pas, die had het goede recept te pakken, deze van Mieke Y was voor het bakken al zo stijf, dat een lepel er recht kon in staan, maar de vlaai van Wiske Z, wel mens, die zag er zo plat en flets en vaal uit, precies ...t. Als ik deze kom de oven instak, wel dan moest ik oppassen om ze niet uit te gieten, zo kwikte en zo kwakte ze.
Maar als dan alles naar wens gebakken was en de oven werd dan wijd open geworpen, dan kwam daaruit zo'n fijne lekkere geur van vlaai en kramiek, dat heel de gebuurte er naar rook, en de kermis kon beginnen.
 
Assekoeken werden er vroeger met duizenden gebakken en verkocht, maar... onze Assemastellen met tienduizenden! Ge moet me niet voor 'n leugenaar aanzien, hoor, maar Assemastellen kon men te Asse zelf, in al de specerijwinkeltjes van de gehuchten, en in de streek rond Asse kopen. Ik geloof dat men ze niet verder verkocht dan in Kobbegem, Zellik, Essene, Mazel, Opwijk, Mollem en Merchtem.
 
Tussen de twee oorlogen in, laat ons zeggen van 1926 tot 1930 - dat weet ik best - hield de traditie van Assemastellen en vlaai stand zoals voor de eerste wereldoorlog. Ik kan U voor waarheid vertellen dat er dan met de kermis van Merchtem, in de winkels ruim 7000 mastellen geleverd werden, en voor de kermis van Opwijk ruim 8000 stuks. Dit waren dan de getallen van de levering van Bakkerij Guill. Verhasselt.
 
Voeg daarbij het aantal dat de bakkerij De Keyzer leverde, dan komt men ras tot tienduizenden en meer voor de kermissen alleen reeds.
 
Terloops weze gezegd dat deze twee bakkerijen de Assekoeken en de Assemastellen bakken en bakten naar het oude recept. In 1930 heeft de bakkerij Guillaume Verhasselt opgehouden te bestaan.
 
De Assemastellen moeten ouder zijn dan de Assekoeken, want Pater Spanhove schrijft in zijn hogeraangehaald boekje "De Grafstenen binnen de kerk van Asse", waar hij het heeft over de grafsteen van de familie Lahoese, uitvinder van de Assekoeken, het volgende:
"In 1704 werd de grote steenweg Brussel-Gent aangelegd. Het drukke verkeer van diligenties, postkoetsen en particuliere wagens bracht elke dag honderden reizigers door Asse. Deze hadden op hun urenlange reizen wel graag iets lekkers onder de tand. Lahoese bakte voor die reizigers in plaats van de droge en grove mastel, de gesuikerde Assekoeken".
Philippus Arents, de opvolger van Lahoese junior, laat in een reklameschrift weten dat hij, benevens de Assekoeken, gebakken naar het oud recept, ook "excellente mastellen" verkoopt.
 
In de jaren kort na de eerste wereldoorlog waren er in Asse volgende dokters :
1. Dokter Claes (naar hem werd het huis waarin het café "Au Coq d'Assche" zich bevond, ook café Claes genoemd; thans Algemene Bankmaatschappij).
2. Dokter Goossens.
3. Dokter De Doncker.
 
Wanneer er iemand ziek was, en men wilde een dokter roepen, dan sprak men van "Doktoor Claes" of van "Doktoor Goossens", maar ging men bij Dokter De Doncker, dan noemde men deze niet bij zijn titel, maar men ging bij "Jefken Doenckers". Hij was een volksvriend en door iedereen gekend. Als hij bij een zieke kwam, onderzocht hij hem volgens de regels van die tijd, en zijn oordeel luidde meermalen aldus:
 
"Wel, Suska, het is niet erg, ge moet niet ongerust zijn, kom binnen 'n half uurke, ik zal 'n fleske gereed maken, en geef de zieke wat lichte kost, wat poreisoep, of beter, geef hem 'n licht melkpapje met twee Assemastellen erin, dat zal hem gaarne eten, en verteert licht".
 
Als al de andere dokters evenveel papkes met mastellen zullen aangeprezen hebben als hun kollega, kan ik mij goed voorstellen hoeveel honderden, ja, duizenden Assemastellen door de zieke Assenaren, gedurende vele vele jaren, zijn binnengespeeld.
 
Vandaag de dag wordt onze lekkere Vlaamse vlaai nog weinig gemaakt. En de Assemastellen zijn ook bijna verdwenen. Er worden er nog gebakken door enkele bakkers, meestal de week vóór een hoogdag of met kermis Wie er verlangt moet het bijtijds eens vragen.
 
Heerlijke Assemastellen, als ge vers uit de oven kwaamt, en even afgekoeld en doorgesneden, en daartussen wat konfituur gestreken, wel mens, ik liet er een patéke voor staan.
 
December 1966.
Jozef De Koninck
Comments