Documenten‎ > ‎Ascania varia‎ > ‎

Assekoeken


Het geheim van bakker Lahoese
't Gulden Hooft en bakker Vastersavendts
 
door Jaak Ockeley
(uit Ascania tijdschrift 1978-4)

Iedereen in Asse kent, op de hoek van de Kattestraat en 't Gemeenteplein, het kantoorgebouw van de ASLK. Vroeger stonden daar de pakhuizen van Henri van Ginderachter, Rie van Rikskes voor die van 't Centrum. Een kleine tweehonderd jaar geleden noemde men dit woonhuis 't Gulden Hooft. Van waar die naam ?

In middeleeuwse oorkonden (1) citeert men anno 1406 : "Daenken int Gulden hoet vander herbergen aldaer". Het is klaar dat op het uithangbord een gouden hoed of hoofddeksel afgebeeld was. In het Ancien Regime kende men immers geen huisnummers, vandaar dat de huizen, zeker in 't Centrum, ieder een naam hadden. Onze herbergen zetten trouwens nu nog deze traditie voort. Het uithangbord verdween, de naam niet. Door volksetymologie wijzigde de "hoet" in "hooft".

Uit de rekeningen van het gasthuis (2) bemerken we dat het Gulden Hooft bezet was met een cijnslast van 2 schellingen en 8 penningen 's jaars. Hierdoor was het mogelijk de verschillende opeenvolgende eigenaars van die woning op te zoeken (3). In deze reeks van eigenaars interesseren er ons een viertal omwille van hun beroep. In 1671 werd Guilliam Vastersavents eigenaar van het Gulden Hooft. In de genealogie van den Bossche (4) lezen we over hem : "Guilliam Vastensavents, meester brootmaecker". Hij is de eerste van wie we met zekerheid weten dat hij in 't Gulden Hooft de bakkersstiel beoefende.

Na de dood van haar man († Asse 28 mei 1692) zette zijn weduwe Barbara Ophalfens de stiel verder met haar kinderen. In een bevolkingstelling van 1693 (5) staan zij aldus vermeld : "Barbara opalfens wede Guilliam vastentsavents brootmaeckere Catharina vastensavents haere dochter, Barbara vanden Bossche her nichte, Adriaen neyens (?) haere knecht, Anna vanden velde haere meysken".

Lahoese, uitvinder der Assekoeken

Begin 1699 (6) verhuurde wed. Vastersavents haar eigendom aan de dertigjarige Jan Baptist Lahoese en diens vrouw Jenneken Dubuisson (6bis). Zij zetten het bakkersbedrijf voort. In hun handelszaak kon men behalve brood en andere graangebakken, ook specerijen, klompen, nagels en dgl. kopen (7). Hun winkel was betrekkelijk goed gelegen. Deze afspanning kwam met haar voorgevel aan het marktplein. Van in de middeleeuwen hield men er op dinsdag : "coremerct, beestemerct, suvelmerct ende verkemerct" (8). Maar niet alleen marktgangers deden hun inkopen bij Lahoese. Ook reizigers stapten wel eens binnen en kochten al eens een gebak uit Lahoeses oven.

Toen in 1704 (9) de steenweg Brussel-Gent over zijn ganse lengte verbreed en gekasseid werd, nam het reizigersverkeer nog toe. De diligence stopte in de Steenweg of Wagenstraat. Asse was immers een relais van de paardenposterij. Terwijl de dieren bij van Grassdorff (nu zaal Ons Huis) omgewisseld werden, gingen de "passanten" een borreltje drinken in de omliggende herbergen. De dames profiteerden ervan om de koopwaar in de uitstalramen in deze drukke winkelstraat te bewonderen. Lahoese zag deze nieuwsgierigen voor zijn venster staan. Hij kende zijn volk en hij wist dat er met azijn geen vliegen te vangen zijn. Dan maar geprobeerd met zoete koek of "Assebrood". Platte brokens bestrooid met suiker is lekker. 't Werd na verloop van tijd een smakelijk koekske, een handpalm groot en geurend naar kaneel. De wijmenvlechters vaarden er ook goed bij. Zij leverden de mandjes waarmee het Assekoekske zonder kapotbreken kon meegenomen worden naar de grootstad.
Bakker Lahoese deed gouden zaken. Zijn aanzien lijkt in dezelfde mate ook te zijn toegenomen. In 1721 werd hij burgemeester of eerste vertegenwoordiger van het volk. Zijn bedrijf moet betrekkelijk groot geweest zijn. De Status Animarum van pastoor de Witte, anno 1727 (10), spreekt van volgende dienstboden: Geertrui Fieremans, Liesbet Allemans, Willem Rogge en Filip van Assche.

Als iedereen ging onze Lahoese ook de weg van alle vlees. Hij stierf te Asse op 30 mei 1733. Zijn zoon Jan Baptist Lahoese zette toen vaders' stiel verder. In de Status Animarum van 1733 (11) staat diens huishouden zo genoteerd: vidua Jois la hoese, Conj. Joes bapt la hoese - anna philip. takels; fil.: mari joanna 8, joanna carolina 7, livina martina 5, anna catha-rina 3, joes bapt, frans 2; fam. gillam rogge, judoc. de maij, mari van brachem, mari de nil en elisabet allemans.

De 15 mei 1745 stierf, slechts 44 jaar oud, Jan Baptist Lahoese junior. Hij werd in de kerk begraven (12). Amper 2 jaar later, op 17 april 1747, verkoopt zijn weduwe Anna Philip-pina Takels de huisraad en de beesten voor notaris Sebastiaan Frans Crick (13), Het lijkt dat haar kinderen naar Brussel zijn uitgeweken. Zij bleef te Asse wonen en stierf er 21 maart 1749. De kinderen verkochten dan om uit onverdeeldheid te kunnen treden, op 19 augustus 1749, het Gulden Hooft met aan en afhangen (14).

Een pachterszoon wordt bakker

De nieuwe eigenaar werd Jan Baptist Meert (geb. te Asse 3 juni 1713). Hij was de oudste van de tien kinderen (15) van Frans Meert en Anna van Assche. Vader was uit Asse en stamde uit een oud Brussels burgerij-geslacht (16). Moeder daarentegen werd ca 1691 geboren te Londerzeel (17). Zij was de dochter van Jan van Assche en Joanna Saevoets, die ca 1699 te Asse zijn ingeweken. In een bevolkingsoverzicht van 1755 (18) lezen we: "Joannes Meert Broodtmaeker en winkelier met sijne huysvrouwe, Elisabeth Bastaert, sijne vrouwe suster, twee knechten".

Waar leerde Jan zijn stiel? Hiervoor moeten we een stukje stamboom geven.
Toen Jan van Assche en Joanna Saevoets naar Asse kwamen wonen hadden zij reeds verscheidene kinderen :
1. Judoca, geb. ca 1678 stierf 13 juli 1723 als vrouw van Ferdinand Nulants, pachter op het Verbrand Hof te Krokegem,
2. Petrus, geb. ca 1680, † 26 januari 1744 als weduwnaar van Elisabeth Rijckaert,
3. Jan, die met Elisabeth Louis huwde en kinderloos stierf op 9 april 1759,
4. Filip, waarvan wij vroeger vermelden dat hij in 1727 knecht was in de bakkerij Lahoese,
5. Anna, † 12 mei 1774 als weduwe van Frans Meert, de ouders van bakker Meert in 't Gulden Hooft,
6. Egidius, geb. ca 1698, stierf 3 januari 1730 als weduwnaar van Anna van den Dries-sche. Zij pachtten het Hof te Montenaken, onder Asbeek, van de abdij Affligem (19),
7. Catherina, geb, Asse 26 maart 1700 stierf te St.-Martens-Lennik 31 maart 1774. Zij huwde een eerste maal te Asse 19 juli 1722 met Petrus Bastaerts en een tweede maal na 1738 met Hendrik van Eisen. Dit koppel baatte de watermolen van Sint-Geertrui-pede uit,
8. Maria Henrica, geb. Asse 29 juni 1703, huwde 26 juni 1732 met Corneel Bastaerts, een broer van Petrus.

Het lijkt dus heel waarschijnlijk dat Jan Baptist Meert die in 1749 het Gulden Hooft koopt de bakkersstiel is gaan leren bij zijn moederlijke oom Filip van Assche. Deze Filip van Assche leverde aan zijn neefje het recept om Assekoeken te bakken over, dat hij bij uitvinder Lahoese zelf had zien toepassen.

Onze Jan Meert wist de weg naar de windmolen zeer goed. Hij kocht er niet alleen meel, maar koos er onder de dochters ook zijn vrouwke. Op St.-Niklaasdag 1741 gaf hij voor pastoor Egidius de Witte zijn ja-woord aan de 34-jarige Cornelia Bastaerts, een jongere zus van zijn moederlijke ooms: Petrus en Corneel. In de Status Animarum, die pastoor Ringler in 1758 (20) opstelde, staan zij aldus genoteerd : Conj. Joannes B. Meert, 55.3 Juni - Cornelia Bastaerts 58 (vrouwen zeggen toch nooit graag hun juiste ouderdom), Maria Elisabeth Bastaerts soror 55 famul.: Joannes Bapt. de Backer, Theodorus van Huijneghem. In het overzicht van 1768 (21) kwam een nichtje, Cornelia Bastaerts, toen 22 jaar oud, bij haar tante (en doopmeter?) inwonen. De twee knechten waren toen ook al van werk veranderd. In hun plaats staan ingeschreven : Sebastiaan Frans Louies en Nicolaus van den Bossche.

Wie was nichtje Cornelia Bastaerts?
Hoger zagen we dat de jongste zus van Anna van Assche, die Maria Henrica noemde, huwde met Corneel Bastaerts. Dit koppel nam na de dood van zijn ouders (22) de Borrevaal-molen over.
Uit de echt Bastaerts - van Assche werden geboren :
1. Jan, geb. 5 november 1735, stierf 14 oktober 1751,
2. Anna, geb. 18 januari 1737, † 13 november 1745,
3. Maria Carolina, geb. 26 augustus 1738,
4. Frans, geb. 26 oktober 1739.
Moeder Henrica van Assche stierf aan de gevolgen van het kraambed op 6 november 1739. Er stond Corneel dan ook niets anders te doen dan zo vlug mogelijk te hertrouwen. In 1741 huwde hij met Joanna Maria de Smedt († Asse 19 augustus 1766). Uit dit tweede huwelijk stammen nog:
5. Gillis, geb. 13 maart 1742, maar 28 mei daarop gestorven,
6. Maria Anna, geb. 22 juni 1743, zij huwde 7 september 1772 met Jan Frans Christiaens uit Teralfene,
7. Elisabeth Petronella, geb. 23 maart 1745, zij werd kloosterzuster in de abdij van ter Kameren (23).
8. Cornelia, geb. 3 oktober 1746. Zij werd posthuum geboren daar haar vader op 16 mei 1746 reeds overleden was. Kort nadien hertrouwde moeder Joanna Maria de Smedt te Asse op 21 januari 1747 met Corneel van Breedam, een kossaart, met wie ze nog drie kinderen won. Het molenbedrijf liet men over aan hun schoonbroer Jan Baptist Bastaerts, man van Joanna Maria de Cock.

Nichtje Cornelia Bastaerts was dus een "kozijne" van Jan Meert en een nicht van diens vrouw Cornelia Bastaerts. Op 6 september 1770 stierf in het Gulden Hooft Maria Elisabeth Bastaerts, de zus van de bazin en op 2 maart 1773 de bazin Cornelia Bastaerts zelf. Jan Baptist Meert bleef aldus over met zijn nichtje Nelleken, 't Moet zijn dat onze 60-jarige bakker nog trouw-goesting had. In 1774 hertrouwde hij met de 41-jarige Elisabeth Moyson uit St.-Ulriks-Kapelle. 't Jaar nadien werd op 16 mei een zoontje geboren: Gerardus Augustus dat twee dagen later reeds stierf. In de Status Animarum van 1778 (24) lezen we: Op den hoeck in 't Gulden Hooft: Conj. Joannes Baptista Meert, As, 1713 3 Junii - Elisabeth Moyson ex Capelle Sti Ulrici 45 erit 7 9bris. Cognata: Peeternelle Keulemans ex Laken 16 a Majo. Famil. Barbara de Coster. Asbeke 24 a 3 8bris, Judocus Wouters Walfergem 21 a Martio en Joannes Baptista Bombeeck. As 11 April 1751. In de bevolkingstelling van 1796 (25) vinden we onder nr. 51 der huizen Jan Meert 83 (jaar oud) bakker - Elisabeth moijson, 63 ; Petronella Ceulemans, 24; Jan Baptist de Baeremaecker, 48 en Marianna van Humbeek, 26. Het is klaar dat al deze knechten, die hun baas dagelijks moesten helpen in het bereiden van het deeg, ook het recept van de Assekoeken kenden en het later toen zij zelfstandig gingen brood bakken hiervan hebben geprofiteerd.

Van kapblok naar moeïlle

Wat was er ondertussen gebeurd met Cornelia Bastaerts, het inwonend nichtje van bakker Meert? Wel, op 3 juli 1775 was deze molenaars- en aangenomen bakkersdochter in het huwelijk getreden met Jan Baptist de Keyser, een flinke jonge man van 39 jaar oud.

Jan Baptist de Keyser stamde uit een gegoede familie (26). Zijn vader Gillis de Keyser was beenhouwer en biertapper in de Wagenstraat. Zijn moeder Theresia van Thuijcom stamde uit Overijse, waar zij ca 1701 geboren werd. Het "kommerce-huis" van Gielen de Keyser bevond zich waar nu de juweliers-zaak Pelicaen-de Bauw is. Onze Jan Baptist trok met zijn Cornelia naar haar ouderlijk huis in de Wagenstraat. Voorzeker hoorde dit huis (waar nu de pasteiwinkel Dooms is) haar toe uit hoofde van haar moeder Joanna Maria de Smedt die na het overlijden van Corneel Bastaerts met haar tweede man Corneel van Breedam aldaar was gaan wonen. In de Status Animarum van 1778 staat vermeld dat Maria Josepha Victoria Semal er meid was. In het bevolkingsregister van 1796 noteerde men Jan Baptist de Keyser als "herbergier", in 1800 (27) citeert men hem als "cabartier".

In de lijst van 1796 komen 13 bakkers voor: Jan Meert, Joos Arents, Gielen de Nil, Filip Arents, Guilliam de Boeck, Joos de Bisschop, Sebastien Louies, Arnout de Bidou, Jan Baptist de Doncker, Peeter de Meerschman, Jan Luypaert, Jan Baptist Bombeeck, Guilliam de Buyst. Opvallend is wel dat al deze bakkers in 't Centrum wonen. Op de gehuchten bakten de boeren voorzeker nog zelf hun eigen brood. Onder deze bakkers moeten er zeker verschillende zijn die Assekoeken hebben gebakken. De vader van de beide Arents ging er trouwens prat op zijn stiel bij Lahoese te hebben geleerd. De Grave (28) zegt : "In den Moriaen. Bij Philippus Arents Backer ende bloemist binnen Assche recht over de afspanninghe het Lammeken maeckt ende verkoopt men de selve soorte van suyker-koexkens die men placht te verkoopen op den hoeck bij den overleden Sr. La Hoese ende hij is den eenigsten in de Parochie die de zelve wetenschap bij den voorschreven La House heeft geleert. Hij verkoopt ook excellente mastellen". Het is klaar, vader Arents heeft het geheim doorgegeven aan zijn beide zoons, geheim dat hij als 18-19 jarige jongen bij de oude Lahoese zelf had geleerd. Maar ook de jonge Joos de Bisschop bakte Assekoeken. Dit lezen we in het reisverhaal van Robert Southey, een Engelse toerist die in 1815, op hotel was in "Den Ossenkop" (29). Trouwens de laatste zin in het reklame briefje van Philip Arents († 1776) wijst erop dat er nog waren in de 18de eeuw die Assekoeken bakten. Alleen zegt het dat bakker Arents de "enige" (nog levende) persoon was die het bij de uitvinder heeft geleerd.

Hoe kwamen die van Keysers aan het geheim?

Uit de echt de Keyser-Bastaerts sproten zes kinderen :
1. Anna Maria, geb. 5 juni 1776, ongehuwd overleden 17 december 1831 ; in 1829 woonde ze bij haar broer Gielen,
2. Barbara Petronella, geb. 28 juli 1778, leeft nog in 1834,
3. Egidius Jan, geb. 7 juni 1780, over hem later meer,
4. Jan Egied, geb. 3 maart 1782, uitwijkeling,
5. Maria Theresia, geb. 26 december 1784, † 13 juni 1788,
6. Elisabeth, geb. 6 april 1788 en de elfde daarop overleden.
 
Egidius Jan de Keyser wou bakker worden. Hij leerde de stielvaardigheid van het Assekoekenbakken bij nonkel Jan, in dezelfde bakkerij waar Lahoese zijn proefstuk kneedde en klopte op de handpalm. Meer nog, daar oom Jan geen kinderen had bestond er een geredelijke kans dat hij huis en "kalandizie" kon overnemen. Voor het eerste had hij pech. Nonkel Jan stierf in 1799 voor zijn tweede vrouw en die haar nichtje Petronella Ceulemans was er als de kippen bij om tante Elisabeth Moyson te overtuigen het Gulden Hooft aan haar en haar man af te staan. Er stond Egied Jan dan ook niets anders te doen dan zijn stiel uit te oefenen in de ouderlijke afspanning. Een bakkersoven werd daartoe gemetseld achteraan in de hof - die aan de Mollestraat paalde. Hier oefende hij minstens sinds 1807 (jaar waarin hij huwde) zijn beroep uit. Zijn vrouw Elisabeth Peeters, die uit Jette stamde, schonk hem drie kinderen : l. Jan Baptist, geb. 25 oktober 1808, 2. Frans Jan, geb. 15 december 1809 en 3. Barbara Joanna, geb. 26 juni 1811. Zowel in 1808, 1809 als in 1811 wordt vader Egied Jan de Keyser aangeduid als "boulangier" - broodtmaeker. Dit was ook het geval toen hij het overlijden ging aangeven van zijn moeder Cornelia Bastaerts, † Asse 7 augustus 1809 en van zijn vader Jan Baptist de Keyser, † Asse 2 januari 1814.
 
Zowel in het bevolkingsregister van 1829 (huis nr. 103) (30) als in de kadastrale legger van 1836 (31) als in het bevolkingsoverzicht van 1848 (huis nr. 120bis) (32) als in dat van 1851 (huis nr. 119) (33) wordt onveranderd aangegeven dat de bakkerij de Keyser in Asse Centrum op de plaats van de huidige pasteiwinkel Ghijsens (vroeger Dooms) is gelegen. Volgens het bevolkingsregister van 1829 woonden bij de familie de Keyser volgende dienstboden : Philippus Jozef Arijs, toen 26 jaar oud en Petronella de Smedt, 21 jaar oud. Later kwam Petronella van der Steen, uit Ternat, een hand toesteken ; na een jaar dienst vertrok zij in 1842 naar Brussel.

De tijden waren toen zeer gunstig voor onze Assekoekbakkers. We lezen (34): "Het groot getal vreemdelingen die dagelijks door Assche trokken met de diligences deden er den handel in Asschekoekskens bloeien. Het verbruik was zoo groot dat de meiden in de groote gasthoven uitsluitelijk verhuurd werden op den verkoop van Asschekoeken. Zij gingen bij den bakker het mandje halen, en kregen een stuiver per mandje". De Grave (35) vertelt ons nog : "een enkele bakker verkocht voor 10 à 12.000 frank Asschekoekskens 's jaars ".

Een koninklijk goudstuk

Een der voornaamste gebeurtenissen voor bakker de Keyser was de ontvangst van koning Leopold I te Asse op 19 juli 1831. We lezen (36): "Franciscus De Keyser bood den koning een mandeken Asschekoekjes aan en las een dicht af. De koning proefde welwillend van dit fijn gebak onzer streek...". In De Grave (37) lezen we hier over: "... Daarna stelt hij Egidius Frans de Keyser voor, die in kleedij van pasteibakker den Koning een verguld mandje asschekoeken aanbiedt. De Keyser bood dit lekker suikergoed aan als een oud en vermaard voortbrengsel der nijverheid van de gemeente Assche. Zijne Majesteit de Koning nam het met dankbaarheid aan en met gulhartigheid stak hij een goudstuk van twintig frank in de handen van onze verheugden bakker".

We hebben een ogenblik getwijfeld aan de identiteit van de aanbieder. Deze werd in de volksmond "Fisken van Keysers" genoemd. Fisken zou zoveel betekenen als ons "menneken". Onze bakker heette Egidius Jan de Keyser, zijn tweede zoon Frans Jan. Deze was, op het ogenblik van de overhandiging van het mandje aan Leopold I, 22 jaar en in de ogen van de vorst misschien nog maar een "menneke" of "Fisken". Zo dachten we dat de zoon van de pasteibakker de Assekoekjes had aangeboden. De kadastrale legger van 1834 geeft ons de juiste toedracht. Daar staat vader Egidius Jan de Keyser ingeschreven als Egidius Franciscus de Keyser. Later zag men de fout en met rode inkt doorstreepte men Franciscus en verving men het door Joannes. Voorzeker moet Fisken de Keyser gewoonlijk zijn aangesproken als Frans. Het is dus klaar Leopold I kreeg zijn Assekoeken van een 51-jarige volwassen man en niet van diens zoon.

In 1847 was Egied Jan de Keyser reeds een oud man en al 15 jaar weduwnaar. Als beroep staan aangegeven "rentenier". Toen hij 3 december 1847 stierf had hij nog twee dienstboden : Frans Sterckx "koetsier" en Guilliam Mommens, knecht. De zaken waren toen reeds in handen van zijn oudste zoon Jan Baptist de Keyser.

Deze Jan Baptist de Keyser huwde met Joanna Francisca de Donder, die uit Merchtem stamde en 14 jaar jonger dan hem was. Wij kennen van hen 9 kinderen, waaronder de volgende de volwassen leeftijd bereikten : Marie Rosalie, geb. 5.12.1842 gehuwd met Jan Theofiel de Smedt, Jan Baptist Gustaaf, geb. 4.2.1841 man van Maria Elisabeth Pouliart, Melanie Francoise, geb. 2.7,1848 trad in de echt met gemeenteontvanger Louis Borré, die als gepensioneerde ook Assekoeken heeft gebakken. Dan is er nog Rosalie Philippine geb. 17.2.1858 die een huwelijk aanging met gemeenteonderwijzer Pierre Frans Theusscn uit Herentals.

Toen Jan Baptist de Keyser op 30 maart 1864, slechts 56 jaar oud, stierf, waren zijn kinderen nog jong. Moeder de Donder nam dan zelf het roer in handen hierbij geholpen door haar dienstpersoneel. In de bevolkingsregisters van 1848 en 1870 staan er heel wat vermeld : Marie-Thérèse de Witte, "fille de boutique", Pierre Jean Palstermans "domestique", Caroline Slaghmulder "servante", Jean Baptiste Wermoes "domestique", Jeanne Francoise Verhasselt "servante", van Stichel Henriette "servante", Henri van der Slaghmolen "domestiqu ", Pierre August Bejaer "domestique". Toen moeder de Donder op 9 september 1890 stierf had zij de zaak reeds overgelaten aan haar jongste zoon Louis Jan.

Louis Jan de Keyser werd geboren te Asse op 2 augustus 1852. Hij was in de leer eerst bij vader, later bij moeder en haar knechten. Vaardig als zij was, sneed hij zelf, in beukenhout, de koekeplanken voor zijn St.-Niklaas-spekuloos. Louis trouwde te Asse op 26 augustus 1881 met Maria Catharina de Schepper, zelf geb. te Asse op 24 februari 1860. Het jonge koppel zocht vlug naar een eigen nest. Toen in 1881 het hoekhuis van de Vironstraat-Steenweg door de erven Pregaldino te koop werd aangeboden waagden zij hun kans. Hier hadden vroeger ook bakkers gewoond (38). Het lot was hun gunstig en in oktober 1881 verhuisde het jonge paar. Weldra streek hier ook de ooievaar neer. Op 6 juli 1883 werd hen een zoon geboren: Gustaaf Jan, op 11 augustus 1885 kwam Leon Pierre, op 21 september 1887 Jan René en op 4 februari 1891 Frans Xaveer. In die tijd waren er volgende knechten en meiden : Jan Jozef Bejaer, Veronica van der Borght, Henri Tollenaer, Marie Thérèse Vayens, Lucie Teugels, Caroline Scheers, Marie Anne Sterckx, Marie Louise Rapaille, Jeanne de Smedt, Pau-line Verhasselt, Eugeen Frans Sedeyn, Anne Fran?oise de Pauw, Henriette van Stichel en Francis Guillaume Verhasselt (39).

Gustaaf, Leon, René en Frans de Keyser werden vroeg wees. Ze waren nog te jong om de stiel bij hun ouders te kunnen geleerd hebben. Frans Guillaume Verhasselt, hun knecht, en Leon de Schepper, moedersbroer, ontfermden zich over hen en leerden hun de stiel (40). Gustaaf, de oudste, zou tenslotte de zaak verder zetten. Hij huwde met Maria Angelica de Vos (geb. Asse 29 oktober 1884). Uit dit huwelijk werden geboren : 1. Louis Jan, geb. l december 1906, Celine Melanie, geb. 22 januari 1909, de vrouw van meester Boulpaep, Germaine, geb. 21 juli 1912, gehuwd met Jan Beeckman en Marie Louise, geb. 21 januari 1924. Gustaaf liet de bakkerij over aan Louis. Deze huwde met Maria Adriana van Brabant (geb. St.-Ulriks-Kapelle 3 september 1911), een molenaarsdochter uit Asse-Terheide. Uit dit huwelijk werden geboren : Angèle, Gilbert Paul de Keyser, de nieuwe banketbakker, gehuwd met Marcella Diane Galle, Lucie en Vital.

Jaak Ockeley

VOETNOTEN:

1. J. LINDEMANS, Toponymie van Asse. Tongeren, 1952, p. 117.
2. J. SPANHOVE, Gasthuisleven te Asse rond 1560. Asse, Ascania-Bibli-oteek, 1966, p. 28.
3. J. SPANHOVE en J. OCKELEY, Het Gulden Hoofd. - Ascania, IX, p. 18-23.
4. J. LINDEMANS en E. VAN DEN BOSSCHE, Oude Brabantse Geslachten, nr. 36'. van den Bossche. - Overdruk E.S.D.B., 1957, p. 14.
5. ARA. - Office Fiscal du Brabant, nr. 357.
6. J. SPANHOVE, De grafstenen binnen de kerk van Asse, 2 eeuwen ge-schiedenis van Asse. - Asse, Ascania-Biblioteek, 1964, p. 130.
6bis Uit een notariële akt (E. Crick 1705/112) dd. 18 nov. 1705, blijkt dat Lahoese in 1707 een tweede pachttermijn van 6 jaar aangaat. Zie de akte in bijlage.
7. J. SPANHOVE, Patisserie of Ijzerwinkel. - Ascania, VIII, nr. 4, p. 24-26.
8. J. LINDEMANS, De Heerlijke rechten in het Land van Asse. - Overdruk E.S.D.B., 1950-51, p. 24-28.
9. R. DE SCHRIJVER, De eerste kasseiwegen te Hekelgem, - Overdruk uit De Brabantse Folklore, 1962, p. 3-4 en J. OCKELEY, Historiek der Straten van Asse. Asse, Ascania-Biblioteek, 1967, p. 48.
10. Ascania-archief.
11. Ascania-archief.
12. J. SPANHOVE, De grafstenen..., p. 129-137.
13. Minuten ter studie van notaris Gilbert de Smet - Asse.
14. ARA. - Schepengriffie Asse, akte dd. 19.8.1749.
15. Deze zijn: 1. Jan, geb. 4.6.1713; 2. Gillis, geb. 9.7.1715; 3. Catherina, Joanna, geb. 5.10.1717; 4. Gerard, geb. 23.4.1720; 5. Catharina Joanna, geb. 13.9.1722 ; 6. Petrus Henri, geb. 13.3.1725; 7. Joanna Maria, geb. 210.1727; 8. Anna Theresia, geb. 12.7.1730; 9. Corneel, geb. 15.10.1733; 10. Jacob, geb. 26.4.173...
16. J. LINDEMANS, Oude Brabantse Geslachten, nr. 8: Meerte, - Overdruk E.S.D.B. 193.
17. J. LINDEMANS, Van Meiseniersbloed. - Overdruk E.S.D.B., 1953.
18. ARA. - Office Fiscal du Brabant, nr. 364.
19. ARA. - Rekeningboek Affligem 1727 - Kerkelijk archief.
20. Ascania-archief.
21. Ascania-archief.
22. J. SPANHOVE, o.c., p. 95-96.
23. J. OCKELEY, Portrettengalerij. - Ascania, 1972, p. 120-121.
24. Ascania-archief.
25. ARA. - Bevolkingstelling van het jaar IV.
26. J. LINDEMANS, Oude Brabantse Geslachten, nr. lis de Keyser. -Overdruk E.S.D.B., 1939.
27. J. OCKELEY, o.c., p. 120.
28. D. DE GRAVE, Geschiedenis der Gemeente Assche, 1900, p. 524.
29. J. DURNEZ, Herbergen en Herbergleven te Asse. - Asse, Ascania-Biblioteek, 1963, p. 68.
30. Ascania-archief.
31. ARA. - Niet geïnventarieerd archief der gemeente Asse gedeponeerd in 1971.
32. Gemeentearchief Asse.
33. Dekanaal archief Asse.
34. E.S.D.B., 1911, p. 130.
35. D. DE GRAVE, o.c., p. 291.
36. E.S.D.B., 1911, p. 54-155.
37. D. DE GRAVE, o.c., p. 219.
38. F. DE SMEDT, Noticieboek. - Ascania, 1969, p. 29.
39. J. DE KONINCK, Over Assemastellen en vlaai. - Ascania, X, p. 16.
40. J. DE KONINCK, Nog over Assekoeken. - Ascania, XII, p. 133.
Comments