Documenten‎ > ‎Ascania varia‎ > ‎

Asse en de taalgrens


Asse en de taalgrens

door Rob Lettens
(uit tijdschrift Ascania 1998-4)


In 1996 is bij het Davidsfonds een boek verschenen dat de huidige stand van de wetenschap met betrekking tot ontstaan en verloop van de Nederlands-Franse taalgrens in België en Noord-Frankrijk aan een ruimer publiek bekend wil maken. Gegevens van plaatsnaamkunde, geschiedenis, voorgeschiedenis, taalkunde, demografie enz. worden overzichtelijk samengebracht.

Het verwonderde ons enigszins - en het is hier wel een vermelding waard - in dit boek de naam Asse op acht verschillende plaatsen aan te treffen, in de tekst en op kaarten. Voor een diepergaande verklaring hiervan verwijzen wij vanzelfsprekend naar het boek zelf. Toch willen wij trachten, heel beknopt, duidelijk te maken wat Asse in een taalgrensstudie komt doen. Naar ons gevoelen bevinden wij ons daar immers ver van af (Edingen ligt 25 km. zuidelijker); indien wij althans het vrij jonge taaleiland Brussel buiten beschouwing laten.

Borgstad Romeinse of inheemse versterking?

Uitgangspunt is te weten dat er oorspronkelijk geen taalgrens bestond maar wel een zeer brede overgangszone tussen Kelten en Germanen. Asse en trouwens heel het huidige Vlaanderen lag, toen Caesar hier toekwam, in Germaans (Nervisch) gebied. Pas in Wallonië en in wat nu Picardië heet begon het gemengde gebied. De heerschappij der Romeinen bracht romanisering mee, o.m. van de taal. Met de volksverhuizingen echter begonnen Germanen (de Franken in het binnenland, Saksen langs de kust) binnen te dringen. De Romeinen bouwden versterkingen langs de voor hen belangrijke verbindingsweg tussen Bonen-aan-zee (waar een vlootsteunpunt de overtocht naar Brittannië bewaakte) en het Rijnleger. Deze heirbaan liep over Kortrijk, Velzeke, ASSE, Elewijt en Tienen naar Tongeren, Maastricht en zo verder naar de Rijn. De schrijvers van desbetreffend hoofdstuk, de Mulder en van Durme, twijfelen nog aan de echtheid van het militaire steunpunt te Asse-Borgstad. Wij citeren: "Via beperkte sonderingen werd de aanwezigheid van een wal en een gracht vastgesteld, die een terrein van ongeveer 42 ha. omgeven. Verder onderzoek is echter noodzakelijk alvorens het mogelijk is zich definitief over de aard van de bewoning uit te spreken".

Wij vinden het wel eigenaardig dat deze uitspraak alleen schijnt te steunen op het artikel "Asse-Borgstad. Un oppidum gaulois de 42 hectares du type éperon barre", van de hand van Y. Graff & P. Lenoir verschenen in "Romana Contact" 18, 1980, blz. 7-72. Bestaat hierover echt geen andere wetenschappelijke literatuur? En wat met de luchtfoto's?

Marc Rogge geeft een verklaring voor het verloop van de heirbaan, tevens verdedigingslijn.
"Dat de noordelijke as op het tracé ligt van de weg Kortrijk-Velzeke-Asse-Elewijt-Tienen, hoeft niet te verwonderen. Deze weg bevindt zich namelijk grosso modo op de grens van de zand- en leemgronden. De militarisering van deze as moet volgens ons dan ook beschouwd worden als een poging tot economische revitalisering van het zuidelijk gelegen vruchtbare leemgebied. De weg was anderzijds een frontlijn tegen Frankische penetraties op Romeins grondgebied en vormde de uitvalsbasis voor expedities op vijandelijk grondgebied. De beide oost-west-assen hadden ten slotte ook geen echt verdedigingssysteem in de diepte gevormd indien men niet de nodige aandacht zou hebben besteed aan de verdediging van belangrijke noord-zuid-wegen als Bavay-Velzeke en Bavay-Asse".

Langs voornoemde heirbaan, de noordelijkste van Gallië, werden dus versterkingen gebouwd. Ten noorden stonden nog wel enkel vooruitgeschoven posten zoals Brugge, Gent en Rumst. Tot in 275 hield de lijn stand. In de jaren 275-276 stortte de Romeinse grensverdediging ineen. Gallië werd tijdelijk onder de voet gelopen. De in Asse gevonden muntenreeks vertoont een onderbreking tussen de jaren 275 en 325. Toch herpakte het Romeinse gezag zich nog. De Germanen vormden immers geen politiek georganiseerde groep of leger.
Voor het Romeinse Asse, dat zijn levenskracht vooral uit de "villa"-economie putte, was de beste tijd voorbij: "De laat-Romeinse nederzetting neemt nog slechts een beperkte zone van het vroegere woonareaal in". De economische activiteit schijnt er helemaal stilgevallen te zijn. Vermoedelijk verbleef er hoofdzakelijk een vooruitgeschoven militaire post.

Lang in taalgemengd gebied

Onder toenemende druk en geleerd door de guerrillatactiek van de Germanen, bouwden de Romeinen dan een diepteverdediging uit, met noord-zuid-heirbanen, die steunden op een tweede lijn: van Kamerijk en Bavay (met vertakking naar ASSE) in noordoostelijke richting naar Tongeren toe. Rond het jaar 400 was ten noorden van deze lijn nog nauwelijks enig Romeins gezag te bemerken, zelfs nauwelijks enige bewoning. Asse bevond zich dus van toen af opnieuw in Germaans gebied, voor zover er iemand woonde. De geromaniseerde Germanen en de laatste Romeinen hadden zich op de lijn Bavay-Tongeren teruggetrokken.

Daar hebben zij de invallers over zich heen laten stormen. Het lege gebied ten noorden ervan werd opnieuw gevuld met Germanen, ditmaal Franken. Had de verdedigingslijn waarop Asse lag de Germaanse vloed langer kunnen tegenhouden, dan had de taalgrens wellicht een heel stuk noordelijker gelegen. Dit betekent niet dat de taalgrens precies langs die tweede verdedigingslijn is ontstaan. Ze is ontstaan door het opdringen van Germanen en het terugwijken van Romanen. De invloed van de Franken in Gallië is enorm geweest (ontstaan van de "langue d'oïl" en van... Frankrijk) maar het aanzien en het inderdaad hogere peil van de Romeinse beschaving hebben het Germaanse taalgebied achteraf opnieuw doen inkrimpen.

Tot in Asse hebben de aldaar gevestigde Franken de verleiding van het Romaans ervaren. Nog in de 8e eeuw (400 jaren later!) bestaat onze taalgrens in feite uit een brede taalgemengde zone. Pas ten westen van de Schelde - ongeveer rond Oudenaarde - versmalt deze zone tot een strook die bij Bonen aan de zee eindigt. Een groot deel van Pajottenland, met Asse als noordelijkst punt, bevindt zich in dit overgangsgebied, dat zich zuidwaarts uitstrekt tot Aat en vandaar zelfs tot Bavay (nu Frankrijk) en langsheen de valleien van Samber en Maas tot Luik. Uiteindelijk zal ook deze zone versmallen tot een lijn die Asse voor de derde maal opnieuw in het Germaanse taalgebied brengt.

Een jong taaleiland

De onvaste toestand van de hier smalle, daar brede taalgrenszone had, bij de geleidelijke inkrimping, als gevolg dat Romaanse taaleilanden en schiereilanden ontstonden. De hele vallei van de Midden-Moezel bv. vormde zo'n lang gerokken taaleiland. Dichterbij lag er een aan de Rupel en een in Gent.

Luc van Durme botst in zijn hoofdstuk "taaleilanden en -enclaves" op het geval van de talrijke Romaanse plaatsnamen in en rond Asse. Hij gaat na of ook Asse soms zulk taaleiland was, m.a.w. of daar, later dan elders, romaanssprekenden door hun Frankische omgeving opgeslorpt zijn. Zijn antwoord is duidelijk negatief. Onze lezers weten waarschijnlijk wel dat deze Romaanse plaatsnamen gegeven werden door steenkappers die door de abdij van Affligem in de 11de en 12de eeuw uit hun Lotharings woongebied (op de Frans-Duitse taalgrens) gehaald werden. Zij kenden een stiel die hier toen nog onbekend was; wat hen een zeker aanzien verleende, misschien versterkt door het culturele meerderwaardigheidsgevoel dat Romanen tegenover Germanen tot op heden kenmerkt. Zodat zij in staat waren, hun taal enkele generaties lang te handhaven en zelfs een aantal door hen gegeven terreinnamen door hun Frankische omgeving te doen aannemen.

Van Durme heeft Lindemans ("Toponymie van Asse") gelezen maar niet afgeschreven. Hij heeft zelf onderzoek verricht en is op grond daarvan tot het besluit gekomen dat "de semantische inhoud en de fonetische kenmerken van heel wat Romaanse toponiemen een kolonisatie suggereren vanuit het oosten en zuidoosten van België en aangrenzend Lotharingen".

Maar er is meer. Hij maakt gewag van een eerste "Romaanse golf" nog vóór de stichting van de abdij van Affligem (1083). Hij heeft het over "eigendomstitels van plaatsen die Romaanse namen dragen". Hij preciseert: "De promotoren van deze kolonisatie waren de hertogen van Brabant, die later in een soortgelijke rol te Rozieren actief waren. Bij hen konden de Romaanse kolonisten rekenen op een voorkeursbehandeling. Het geografische beeld van de Romaanse "pioniersstichtingen" is dat van een zorgvuldig georganiseerde nederzetting. Het aantrekken van kolonisten maakte deel uit van het algemene herstelbeleid van de Brabantse hertogen. Daarbij was de nieuwe westgrens van hun territorium, dat omstreeks het midden van de 11de eeuw in de oorlog met de Vlaamse graven erg geteisterd was, hun eerste zorg".

In dit beeld passen evenwel bezwaarlijk Teralfene en het zuiden van Hekelgem, die immers volgens de oudste bronnen tot het graafschap Vlaanderen, niet tot het hertogdom Brabant behoorden. En waarom zouden graaf of hertog precies Romaanse kolonisten aan hun grens hebben gewild? De auteur zelf weet op deze vragen geen antwoord. Maar het is al een stap vooruit, goede vragen te stellen. Zonder vraag, geen antwoord. Wat er ook van zij, Asse en omgeving hebben ooit een "jong" Romaans taaleiland gevormd, nooit een oud.

Zoals de lezer kan vaststellen, hebben Davidsfondsleden die dit boek uitgekozen hebben voor hun lidmaatschap van het jaar 1997, een goede neus gehad. Misschien laat de openbare boekerij van Asse zich verleiden om het werk aan te kopen.

Rob Lettens

D. LAMARCQ en M. ROGGE, De taalgrens, van de oude tot de nieuwe Belgen, Davidsfonds, Leuven, 1996, 254 blz., 795 frank.
Comments