Documenten‎ > ‎50 jaar Ascania‎ > ‎

Asse, Caput Mundi?


Asse, caput mundi,
het centrum van West-Brabant!?

toespaak door dr. hist. Jaak Ockeley
tijdens de viering van 50 jaar Ascania op 28 februari 2003
in de parochiezaal van Walfergem


Mijnheer de Gedeputeerde van de Provincie Vlaams-Brabant,
Zeerwaarde Heer Deken en Eerwaarde Heren Pastoors e.a.,
Mijnheer de Burgemeester, Heren Schepenen en Gemeenteraadsleden,
Geachte Hoogwaardigheidsbekleders,
Beste Heemvrienden uit Asse, Merchtem, Ternat, Affligem, Meise, Londerzeel enz …..


In zijn artikel Asse, soet prieel in Brabant, schreef Meester Pletinckx: "… en terug van hun dagenlange speurtocht, stonden zij aan zee, hoog op een duinkam, en staarden verrukt het land in. En ze wezen elkaar op vele dorpen en steden die daar in de vlakte lagen gezaaid en waar ze spiedens langs waren gegaan - zie, en dààr ligt Gent, en dààr ligt Aalst, en dààr ligt Dendermonde - en de spitse torennaald die ginder aan de verre einder boven een bos van staakhuizen uitpriemde;: zie en zie, en dàt is "caput mundi"! Aldus de verkenners van het beloofde land. Zie en zie, en dàt is "caput mundi"! Het hoofd van de wereld,. Asca. Want kom naar ons toe, gij, uit zuid of noord of oost of west, ge komt er niet, op dat hoofd van de wereld, of ge moet klimmen. Ge moet berg-op. Ge moet over de Moretteberg of de Kerkberg, of Kleuddenberg of Keierberg of Putberg of Karenberg of Boekhoutberg of Rottenberg of Gasthuisberg of Zellikberg of Vrijthoutberg. Anders gaat het niet.

Die vaststelling, geachte toehoorders, is zo oud als onze geschiedenis. Wij priemen uit boven de andere ons omringende dorpen: Kapellen, Ternat, Essene, Meldert, Mazenzele, Opwijk, Merchtem, Mollem, Kobbegem, en ga maar verder. Ze liggen allemaal aan onze voeten. Asse springt van ver in het hoog. Het hoogste punt, aan de boerderij van Keuninges in de Nieuwstraat, steekt 85 m. boven de zeespiegel.

In de Ijzertijd, werd in Asse, op een in het landschap vooruitgeschoven heuvelrug gekend als Borchstadt, een oppidum aangelegd. Dit oppidum, deze versterkte plaats, gold als het grootste in Vlaanderen, wat aantoont dat Asse toen het centrum was van het noordelijk deel van de Nerviërgouw. Dat moet, 2000 jaar geleden, ook Quinten Cicero opgevallen zijn toen die hier met zijn legioenen aanrukte en Asse, voor de eerste keer in de as legde.

Weldra bouwden de Romeinse veroveraars op de Kalkoven een vicus, een woonwijk, waarvan de archeologische vondsten zo talrijk en zo verscheiden zijn, dat prof. Mertens in 1951 concludeerde dat 'Asse, in deze hoek van Brabant, vanaf de eerste tijden van de Romeinse overheersing een belangrijk centrum is geweest, en waarschijnlijk niet alleen op economisch doch ook op strategisch gebied'. Merkwaardig bovendien is dat hier naast huizen en straten, ook 20 paardenbeeldjes in terra cotta werden weergevonden. Deze ex-voto's verwijzen naar de godin Epona, die er werd aangeroepen tegen paardenziekten, zodat Asse in die tijd niet alleen een socio-economisch- maar ook een cultus centrum is geweest.

Zo rond 60 na Christus lieten de Romeinen een voor die tijd moderne steenweg aanleggen, dwars over 'berg en dal'. Hun wegeningenieurs mikten van op Kesterberg naar de Moretteberg en trokken één rechte Steenstraat van Bavai naar Asse. Ge moet maar even op een Michelin-kaart kijken naar de Steenweg naar Edingen en ge zult er van overtuigd zijn dat Asse het mikpunt is geweest van de Romeinse ingenieurs.

De bekende historicus dr. Jan Lindemans is van oordeel dat omwille van die Romeinse vicus en die rechtstreekse verbindingsweg met Bavai, Asse in de tijd  van de Romeinen het administratieve centrum was van een pagus, we zouden nu zeggen van een arrondissement. Volgens Lindemans bleef Asse ook gedurende de Merovingische en de Karolingische tijd de hoofdplaats van de Brabantgouw. Aanvankelijk ging het om een gebied tussen Schelde en Dijle, maar in de 9de eeuw toen te uitgestrekte domeinen in verschillende graafschappen werden opgedeeld, bleef Asse zo het centrum van het gebied waarin we het graafschap Brussel herkennen. De kerkelijke indeling in archidiaconaten en decanaten bevestigt dit. Het archidiaconaat Brabant kwam overeen met de gouw, het decanaat met één van de vier oude graafschappen zoals die worden vermeld in het verdrag van Meersen (870). Dat Asse in de vroege middeleeuwen de zetel van een decanaat was, kan afgeleid worden uit de titel van pastoor Rocelinus van Asse, die in 1098 eusdem loci et parrochiae decanus, deken én van Asse én van de parochie, wordt genoemd.

De er residerende gouwgraaf bouwde in Asse-Centrum niet alleen een borcht, maar ook een kerk. Zoals dat bij adellijke initiatiefnemers gebruikelijk was, werd deze kerk toegewijd aan Sint-Martinus, de beschermheilige van al wie de wapens droeg. Onderzoek heeft aangetoond dat waar men Sint-Martinus als patroonheilige aantreft, men vaak te doen heeft ofwel met een koninklijk domein dat ten dele kan teruggaan op oud Romeins staatsgoed ofwel met een hoog adellijk heerschap die dan aan de basis ligt van de stichting van de parochie.

We stellen vast dat in de vita Berlindis (9de eeuw) graaf Odelhard twee castra bezat: Ascum en Condacum, Asse en Condé. Asse werd verwoest door de Noormannen en verloor zo een eerste maal zijn centrumfunctie voor West-Brabant. De administratieve zetel van wat we later kennen als het graafschap Brussel verhuisde toen naar Ukkel en in 979 naar Brussel zelf, toen hertog Karel van Lotharingen daar op het Sint-Gorikseiland nabij de Beurs, zijn residentie koos.

Dat Asse koninklijk domein was, weten we uit de feodale periode. De heerlijkheid Asse is immers tot in 1505 rechtstreeks afhankelijk geweest van de hertogen van Brabant en hun opvolgers de hertogen van Bourgondië en de eerste Habsburgers. Graaf Lambert II van Leuven zou 'dit overblijfsel van een oud karolingische koninklijk bezit', zoals Jan Lindemans Asse en omgeving noemt, verworven hebben enerzijds door erfenis van zijn vader graaf Lambert I met de Baard, die het zelf omstreeks 1000 had verworven door omwisseling met de villa Burones, het huidige Buvrines in Henegouwen, en anderzijds in opvolging causa uxoris van hertog Gozelo van Verdun (+ 1044), wiens vader Godfried in 974 van keizer Otto I de verdediging van de rijksgrens was opgedragen. Nergens anders in West-Brabant hielden onze nationale vorsten een gebied zo lang in eigen handen als te Asse. Dit wijst nogmaals op het belang van Asse in het hertogdom Brabant.

Het bestuur en de verdediging van de 'invalspoort van West-Brabant', droegen de Brabantse hertogen op aan de 'heren tot Assche'. Als vergoeding hiervoor mochten ze in het Land van Asse de helft van de rechterlijke boeten opstrijken. De heren van Asse bouwden nabij de kerk het Hof van Assche, een borcht, d.i.een met wallen omringde vesting, van waaruit zij de grote handelsweg Brugge-Keulen beheersten. Om hun goede diensten werden zij erfelijk standaarddrager van Brabant, een ambt dat, naast dat van seneschalk, kamerheer en maarschalk, in Brabant hoog in aanzien stond. Noch de heren van Merchtem, noch die van Gaasbeek, Ternat of Grimbergen konden bogen op een dergelijk ambt van aanzien in West-Brabant.

In de eerste helft van de 13de eeuw hebben de hertogen van Brabant aan een viertal dorpen in West-Brabant immuniteitsrechten verleend. Kapelle-op-den-Bos verwierf zijn statuut ca. 1232 om de ontginning van de heide te Zemst te stimuleren. Gaasbeek was een wel overwogen creatie gericht én tegen Vlaanderen én tegen Henegouwen. Merchtem werd in 1251 een 'vrijheid' om 'de grote verkeersweg van de Rijn naar de zee te beveiligen en anderzijds om de Berthouts uit Grimbergen in bedwang te houden. Waarom en wanneer in Asse een libertas werd gecreëerd is niet bekend, omdat de originele oorkonde er in de brand in 1356 verloren ging. Was het uit strategische overwegingen gericht tegen invallen vanuit Vlaanderen, was het om de Berthouts in toom te houden die ca. 1215 ook heren tot Asse waren geworden of was het om de economische heropbloei te intensifiëren? Lindemans is van mening dat Asse-Dorp na de verwoesting in oktober 1213 en in september 1227 door de graaf van Vlaanderen, 'herbouwd werd op een nieuw plan' en dat naar aanleiding daarvan een vrijheidskeur werd verleend. Voor Verbesselt moet 'dit reeds geschied zijn rond 1230, toen de meeste keuren zijn uitgevaardigd'.

Hoe dan ook, de dorpsagglomeratie te Asse werd in de 13de eeuw  ten zuidoosten van de borcht uitgebouwd met de aanleg van een Nieuwe Markt (het huidige Gemeenteplein), de bouw van een Lakenhalle, een Vleeshuis, een vroente of gevangenis en de aanleg van de Hallepoel. De 'stad' werd omringd met een muur aan de zijde van het Muurveld en langs de Nieuwstraat, de Mollestraat en de Kattestraat met 'vesten' of aarden wallen. Omstreeks 1260 werd het Gasthuis opgericht waar passanten een onderdak kregen en de hertogelijke vierschaar wekelijks zetelde. Aan de Oude Markt waren zeker al in 1309 Lombarden gevestigd die gespecialiseerd waren in kortlopende kredietverlening. Omwille van hun woekerpraktijken - men noemde ze daarom 'Joden' - werden ze door de kerk afgekeurd en door de volksklasse gehaat. Hun aanwezigheid ligt overigens ook aan de basis van de H.Kruisverering te Asse waarvoor paus Johannes XXII in 1317 een aflaatbul toestond. Asse werd hierdoor o.a. te Maastricht bekend als een strafbedevaartsoord, wat mag aangezien worden als een unicum in de geschiedenis van West-Brabant.

In de 13de- 14de eeuw was in Asse ook het kantoor gevestigd van de rentmeester van Overzenne die instond voor het innen van de hertogelijke cijnzen. Dergelijke 'gewestelijke ontvanger van de belastingen ' avant-la-lettre ontstreept opnieuw het belang van Asse in de West-Brabantse regio.

Dat Asse uiteindelijk niet is uitgegroeid tot een volwaardige stad als bv. Halle of Vilvoorde en hierdoor zijn centrale functie in West-Brabant niet heeft kunnen handhaven, kent voornamelijk twee redenen. Het dorp was wel gelegen aan de weg Brugge-Keulen, maar mistte een bevaarbare waterloop, het transportmedium bij uitstek in de middeleeuwen, waardoor import en export werden bevorderd. Anderzijds betekende de heerbaan de ideale weg voor een Vlaamse inval in Brabant, waarbij Asse steeds de eerste klappen kreeg op te vangen. Dat was in de 14de eeuw het geval in 1333 en zeker in 1356 toen graaf Lodewijk van Male Asse liet afstoken, waarbij o.a. de St.-Martinuskerk totaal uitbrandde en meerdere huizen in de vlammen opgingen. Ook nog in 1420, in 1485, 1489, 1515, 1576, 1684, 1691 en 1694 werd Asse het slachtoffer van oorlogsgeweld.

En toch kreeg Asse in West-Brabant nog een zekere rol toebedeeld. Jan, heer van Asse, werd in 1415 voogd van de minderjarige hertog Jan IV van Brabant en zijn broer Willem van Asse werd de eerste kanselier van de in 1425 gestichte universiteit te Leuven. Jan III de Cotereau, wiens grafsteen we kunnen bewonderen in het hoogkoor van de kerk, werd in 1551 luitenant, d.w.z. voorzitter,  van het Leenhof van Brabant. Zijn schoondochter barones Marie de Cotereau wist in 1626, mits de som van 49100 gulden, de hertogelijke heerlijkheid van Asse te verwerven. In West-Brabant werd in 1663 alleen het Land van Asse tot markizaat verheven; slechts Grimbergen verkreeg een hogere titel en werd in 1686 een prinsdom. Marie de Cotereau is ook diegene die in 1647 het initiatief nam tot het opstarten van een ziekengasthuis in Asse, een instelling die tot in de 19de eeuw nergens anders in West-Brabant bestond.

Ook in 18de eeuw bleef Asse een belangrijk centrum in West-Brabant. In 1705 werd op initiatief van de centrale regering van de Zuidelijke Nederlanden de steenweg van Brussel naar Gent over zijn hele lengte gekasseid en rechtgetrokken vanaf de Weverstraat te Asse tot in Zellik. Vanaf de Nieuwstraat tot aan de Wijndruif werd de steenweg nieuw aangelegd dwars door de Kalkoven-kouter. Deze "eenigen steenweg die Brabant met de twee Vlaanderen verbond", zoals De Grave schrijft, bracht een heropbloei mee van de plaatselijke nering. De Brusselaar bakker Jan Baptist Lahouse profiteerde hiervan om het alom bekende Assekoekje op de markt te brengen. Een paar decennia later passeerden niet minder dan 35 diligences met bestemming Brugge, Oudenaarde, Kortrijk, Gent, Oostende en Sint-Niklaas en een twaalftal postkoetsen toen dagelijks door Asse, waar ze in de paardenposterij van trekdieren konden wisselen. Asse was trouwens een halteplaats van tweede klasse - in België waren er maar vijf van eerste klasse - en zou dit blijven tot in 1861 toen de lijn werd opgeheven.

Reeds in 1738 werd Asse door de Raad van Financiën aangewezen als gewestelijk ontvangkantoor voor de belastingen, te heffen op ambachten en manufacturen; in 1764 fungeerde dit kantoor als centrum voor de telling van de industriële activiteit. Dat Asse was geëvolueerd tot een klein stedelijk centrum blijkt overduidelijk uit de diversiteit aan beroepen die daar in 1755 werden uitgeoefend. Naast strikt agrarische beroepen als pachter, keuterboer en dienstbode en verder pastoor, koster, herbergier, smid, kleermaker, schoenmaker, metselaar, winkelier, molenaar, timmerman en wever, trof men er. ook een chirurgijn, een kuiper, een gareelmaker, een radenmaker, een brouwer, een notaris, een beenhouwer, een huidenvetter, een vroedvrouw, een gerechtsdienaar en een schoolmeester aan, beroepen die volgens een onderzoek van prof. Van Uytven 'als eerder stedelijk te beschouwen zijn'. Uit een volkstelling uitgevoerd in het jaar IV (= 1796) blijkt dit des te meer. Naast beroepen die duidelijk met de landbouw en zijn toelevering te maken hebben, komen alleen in Asse-Centrum voor: een schrijnwerker, een stoeldraaier, een lattenkapper, een zeeldraaier, een mandenmaker, een gareelmaker, een slotenmaker, een brouwer, een steenkapper, een zwartverver, een glazenmaker, een hotelier, een pruikenmaakster, een hopkoopman, een tabakshandelaar, een notaris, een geneesheer, een advocaat, een vrederechter en een griffier, een landmeter, een huidenvetter, beroepen die duidelijk op een verzorgende functie wijzen. In de ons omringende gemeenten zijn heel wat van deze beroepen niet te vinden.

Hiermee zijn we al in de hedendaagse periode. Asse is nog wel een belangrijke gemeente, maar naast haar zijn er gemeenten als Grimbergen, Herne, Lennik, Londerzeel, Merchtem en Wolvertem die in West-Brabant eveneens een centrum functie opeisen. Bij de fusie van gemeenten die in 1796 was doorgevoerd, werd Asse hoofd van een municipaal kanton waartoe negen gemeenten behoorden. Opgeheven in 1800 als administratieve entiteit, bleef Asse, naast Wolvertem en Lennik, wel hoofd van een gerechtelijk kanton met 16 onderhorige gemeenten. In 1817 werd Asse tegelijk hoofd van een militiekanton met 16 afhankelijke gemeenten. Hoger is Asse niet meer geraakt. In 1963 werd nog een moment gehoopt dat het nieuwe administratieve arrondissement, opgericht door splitsing van het arrondissement Brussel de naam Asse-Halle-Vilvoorde zou krijgen, maar dat was voor Asse blijkbaar te hoog gemikt. Asse fungeert nog wel als een kiesdistrict en werd ook de zetel van een politierechtbank, maar de arbeidsrechtbank verloor het dan weer aan Vilvoorde.

Bij de invoering van de postnummers in 1977 werd Asse hoofd van een postdistrict en kreeg het 1700 als postnummer,  maar reeds in 1990 werd gekozen voor Dilbeek als hoofdpostkantoor en zakte Asse af tot postnummer1730 dat alleen maar wijst op een belangrijke gemeente.

Reeds in 1845 dacht men eraan Brussel met Gent te verbinden via een spoorlijn. Ondanks petities van de gemeenteraad en andere drukkingsgroepen werd de lijn in 1856 aangelegd over Ternat en Denderleeuw en viste Asse achter het net. Asse kreeg pas in 1879 voldoening toen het werd verbonden met Dendermonde. In 1881 zal die lijn worden doorgetrokken tot in Jette en kon men zo van Asse naar Brussel sporen. Een tramstelplaats 'voor den electrieke tram' kwam er in 1937, maar Londerzeel en Lennik kregen die ook. Asse kende wel voordien al vanaf 1904 een stoomtram en in 1928 een private busverbinding met Aalst en Brussel.

Fungeren we dan nergens meer als centrum in West-Brabant? Toch wel! Toen in 1798 de Gendarmerie Imperiale werd opgericht, werd Asse uitgekozen als zetel van een brigade. Aanvankelijk ging het maar om 5 manschappen en 5 paarden. Ondertussen is Asse uitgegroeid tot zetel van het district Asse-Brussel, waaraan alle korpsen in West-Brabant zijn ondergeschikt.

Reeds in 1832 kocht Asse zijn eerste brandweerpomp, waarmee Asse de eerste plattelandsgemeente was die daarin investeerde. Een vrijwilligers pompierskorps kwam er al in 1885. De noodzaak om over een eigen brandweerkorps te beschikken, hebben andere West-Brabantse gemeenten pas in de tweede helft van de 20ste eeuw ingezien. Asse was wel graag hoofd van het Korps Burgerlijke Bescherming geworden, maar uiteindelijk werd geopteerd voor Liedekerke.

In 1928 kochten de gasthuiszusters van de erven Van de Putte op de Markt het oud notariaat Crick en startten er in een eigen instelling met ziekenverzorging. Nergens anders in West-Brabant kennen we een dergelijke instelling. Na de aanleg van de Bloklaan in 1960, kregen de gebouwen aan die zijde nog een paar nieuwe vleugels bij. Voor een paar jaar ging de H.Hart-kliniek te Asse een associatie aan met het O.L.Vrouw-ziekenhuis te Aalst-Mijlbeke wat een gelukkig initiatief blijkt te zijn. Enig in West-Brabant was ook het weeshuis dat in Asse in 1822 werd geopend door de Zwartzusters van Asse.

De centrumfunctie van Asse blijkt overigens nog uit het hele gamma onderwijsinstellingen. Naast basisonderwijs dat in iedere gemeente wordt aangeboden, kreeg Asse reeds in 1908 zijn voortgezet onderwijs te Walfergem met het Klein Liefdewerk van de Missionarissen van het H.Hart, waar Gerard Walschap en minister Jaak Gabriels nog school hebben gelopen. Onder impuls van deken Jan Heyvaert zal de Apostolische school te Walfergem in 1967 samen met 'den Belvédère', een middelbare school voor meisjes gesticht in 1928 - omgevormd worden tot het huidige Ascanuscollege. Ook als eerste stichting in West-Brabant werd in 1947 een Rijksmiddelbare School, later Koninklijk Atheneum in Asse opgericht.

Asse heeft lange jaren als enige in West-Brabant eveneens muziekonderwijs aangeboden. Het was burgemeester Jan van Hoof die in 1942 een eerste poging ondernam. In 1948 stichtte burgemeester Gerard van Wijnendaele de huidige muziekschool, die in 1968 is omgevormd tot muziekacademie August De Boeck, met onderafdelingen o.a. te Liedekerke, Hekelgem en Londerzeel. 
 
Wekelijks op dinsdag wordt te Asse een druk bezochte markt gehouden. Die gewoonte dateert al van in de 13de eeuw, vermits er in 1285 reeds sprake is van een 'vetus forum', een Oude Markt om ze te onderscheiden van een Nieuwe Markt die werd aangelegd naast de Hallepoel aan het huidige Gemeenteplein. Asse heeft zo lang mogelijk gepoogd dit recht alleen te behouden, maar reeds in 1839 verkreeg Opwijk een zaterdagmarkt, en Ternat in 1859 een donderdagmarkt. Merchtem had al van in de middeleeuwen een woensdagmarkt.

In de jaren 50 van vorige eeuw werd in Asse  door de Tussen Gemeentelijke Maatschappij voor Watervoorziening het waterleidingsnet aangelegd, het eerste in West-Brabant. Verder is Asse nog de zetel van een Afdeling van het Kadaster, van een Controle der Belastingen, van een Kantoor van de Registratie en Domeinen, maar al deze openbare diensten vinden we ook o.a. in Merchtem, Londerzeel, Meise, Grimbergen, Ternat, Lennik enz. Dus niets bijzonders!

Op kerkelijk gebied bleef Asse toch een rol spelen. Bij de herstructurering van het aartsbisdom Mechelen in 1803 werd Asse een zelfstandige parochie met niet minder dan 15 succursalen en vanaf 1815 ook hoofd van een dekenij met 19 afhankelijke parochies, aantal dat in 1963 was opgelopen tot 27 waarmee de dekenij Asse de grootste was van het aartsbisdom Mechelen-Brussel. Bij de reorganisatie in 1966 werd Asse hoofd van het district Pajottenland-Noord en nadien weer van een dekenij, functie die het nog steeds vervult.

De Vlaamse Gemeenschap opende te Zellik het Nationaal Instituut voor het Archeologisch Patrimonium dat het archeologisch onderzoek voor heel Vlaanderen coördineert. De provincie Vlaams-Brabant heeft in de voormalige luchtmachtkazerne te Relegem een aantal van haar diensten ondergebracht, o.a. het PIVO, het Provinciaal instituut voor Vorming en Opleiding. Ook HAVIMO, het vormingsinstituut voor de middenstandsopleiding voor Halle-Vilvoorde  en de intercommunale Haviland vonden in Asse onderdak.

Het betreft echter vooral privé of gewestelijk-provinciale initiatieven. Eigenlijk is mijn overzicht voor de laatste vijf, zes eeuwen voor Asse een verhaal in mineur geworden, waarbij we ons afvragen: waar blijft het initiatief van Asse zelf ? Waar is 'der ouderen fierheid nu gevaren"? Zit er dan geen fut meer in de Assenaren, durven zij geen initiatieven meer nemen, hebben zij geen visie voor een lange termijn meer ? Van hét centrum van de Romeinse wereld in West-Brabant evolueerde Asse tot een kleinstedelijk centrum dat nog wel enige aantrekkingskracht uitoefent op zijn hinterland, maar helemaal niet meer die allure heeft zoals in het 1ste millennium van onze jaartelling.

Voor onze politieke verantwoordelijken is hier duidelijk een opdracht weggelegd: Asse herstellen in zijn oude glorie. Vooral de diensten en de culturele sector dienen uitgebouwd te worden. Asse dient opnieuw hét centrum van West-Brabant te worden en dat kan als we die initiatieven nemen die in de buurgemeenten niet aan bod komen. Ik denk daarbij niet zozeer aan een sportcomplex - o.k. dat moet er ook zijn - of aan industriezones - met al die files naar Brussel is werkgelegenheid in eigen streek daarvoor wel een oplossing. Ik denk voornamelijk aan een administratief centrum waar alle administratieve diensten, niet alleen de gemeentelijke maar ook de nationale en gewestelijke kunnen worden ondergebracht, aan een ernstige uitbouw van de culturele infrastructuur met een behoorlijk Cultureel Centrum zoals de Westrand in Dilbeek of in Strombeek, aan een centrale bibliotheek die fungeert als referentie voor West-Brabant, aan een West-Brabants heemmuseum in het Oude Gasthuis waar onze nostalgie een uitweg krijgt, en zeker, nu West-Brabant voor archiefzaken naar Leuven moet,  aan een streekarchivariaat, niet alleen voor Asse, maar tevens voor een wijde kring van buurgemeenten waar zoveel mensen voor het opvullen van hun vrije tijd aan hun trekken kunnen komen. We hopen maar dat wie het schoentje past, het ook aantrekt!

Geachte Aanwezigen, groot was mijn verwondering toen ik het boek Geuren en kleuren, een publicatie uitgaande van de provincie Vlaams-Brabant opensloeg en mocht vaststellen dat Asse er wordt gerekend tot één van de zeven Vlaams-Brabantse steden. Voor de 'buitenwereld' hebben we blijkbaar toch nog enige betekenis.

Ik dank U!
dr. hist. Jaak Ockeley
Comments