Dialectofoon‎ > ‎

Dialectofoon 301-350


001-050
 • 051-100 • 101-150 • 151-200 • 201-250 • 251-300 • 301-350 • 351-400 • 401-450 • 451-500

aflevering 337 - 17 januari 1999
URL van de gadget-specificatie kan niet worden gevonden

In De Taalkamer van het Asses luisteren we deze week terug naar aflevering 337 van Dialectofoon van 17 januari 1999.

Dialectofoon1Dialectofoon2Dialectofoon3_2

Daarin wordt onder meer gevraagd wat de voorwerpen zijn op deze foto’s. Het voorwerp op foto’s 143 en 144, in het bezit van heemkring Ascania, is een zeer oude inktpot -respectievelijk gesloten en open - zoals die destijds werd gebruikt door notabelen (notarissen, onderwijzers..). De twee potten dienden voor rode en zwarte inkt. De respons op de voorwerpen op foto 145 is minder duidelijk. Het gaat om een soort medailles of versieringen in plaaster. Voorts gaat het uitgebreid over de invloed van onweer op de eieren, de boter, de melk, het broeden en de geuze.

Enkele andere woordjes die in deze uitzending aan bod komen:

  • een floenk: een term uit het knikkerspel, maar ook een synoniem voor achterwerk (werd niet opgenomen in het Woordenboek van het Asses)
  • Kwoidskommen: in het minst gunstige, minst aangename geval
  • Een mishand: een zware tegenslag
  • Voerosje: voeder voor dieren, werd niet aldus opgenomen in het Woordenboek van het Asses (wel als voejer)
  • Afblijven of trâven: afblijven of trouwen, een term uit het kaartspel
  • Astrieën: achtereen, maar in het Woordenboek van het Asses opgenomen alsachterieën)

aflevering 339 - 31 januari 1999
URL van de gadget-specificatie kan niet worden gevonden

aflevering 341 - 14 februari 1999
URL van de gadget-specificatie kan niet worden gevonden

In de Taalkamer van het Asses digitaliseerden we deze week aflevering 341 van Dialectofoon, uitgezonden op 14 februari 1999, met Lode Pletinckx en Juliën Van den Broeck. Het gaat hierin onder meer over de controle op tbc en de verschillende inentingendie destijds aan kinderen werden gegeven (al dan niet op school) en hoe dat in zijn werk ging. Er waren onder meer de poeken (poekskes zétn, inenten tegen de pokken), de krabbekes zétn – de krabbekes mochtn ni opkommen – of lepeltjes tegen de kinderverlamming.

Enkele andere woordjes die in deze uitzending passeren:

  • Kèrrestieën: pit van een kriek of kers – kèzzestieën
  • Kwaitsjes: quitte staan, gelijke stand, met dezelfde inzet eindigen als bij het begin
  • Kréft (krùft): zeurkous, kankeraar (afgeleid van kreeft)
  • Aaitkarieëln: de klei- of leemlaag uit de grond graven om er bakstenen van te maken. Een bekende karieëlman (die in de baksteenoven werkt) was Ballekes (Miel Larché) in Walfergem. Zijn kareeloven (steenbakkerij) bevond zich op de Lindendries, waar nu de serviceflats van Providentia staan.

aflevering 343 - 28 februari 1999
URL van de gadget-specificatie kan niet worden gevonden
De Taalkamer van het Asses is deze week een rondje Asse-MerchtemLode en René hebben in aflevering 343, uitgezonden op 28 februari 1999Albert Catoir (foto) als gast. Hij is een geboren Assenaar – Albert is de broer van schilder Louis Catoir op de Kalkoven, ook een trouwe beller in het programma – maar hij is ook sinds meer dan dertig jaar ‘ingetrouwd’ in Merchtem. Dat maakt hem als dialectliefhebber een goedgeplaatst persoon om het typisch Asses en het typisch Merchtems eens naast elkaar te leggen. En wie het verteltalent van Albert kent – hij is niet voor niets een jarenlange acteur bij de Assese toneelkring Vrij en Blij – weet dat hij er in zijn eentje een zeer onderhoudende aflevering kan van maken.

Ook leuk in deze aflevering: de bijnamen van de verschillende Assese begraafplaatsen. Omdat er destijds rond het woord ‘kerkhof’ nogal wat schroom bestond gebruikten de mensen een vervangend woord, gebaseerd op een toponiem of de naam van de vroegere eigenaar van de grond. Dâne lêit oek al lank aan Pot, is bijvoorbeeld een typisch Assese uitdrukking voor iemand die begraven ligt op het 'nieuwe' gemeentelijke kerkhof aan de Oude Mollemsebaan‘Pot’ staat hier voor de gewezen eigenaar van die gronden (officieel Amerijckx, Pot was de volkse naam). Dit kerkhof werd in gebruik genomen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook voor de andere kerkhoven bestaat zo’n volkse bijnaam.


aflevering 344 - 7 maart 1999
URL van de gadget-specificatie kan niet worden gevonden

aflevering 345 - 14 maart 1999
URL van de gadget-specificatie kan niet worden gevonden

aflevering 350 - 2 mei 1999
URL van de gadget-specificatie kan niet worden gevonden
Asse_kasteel_borchstad

In De Taalkamer van het Asses halen we deze week Dialectofoon-aflevering 350 van 2 mei 1999 uit de kast met Assese taalpareltjes als 'het plaatsje van duuzend frang’, ‘ne slêper’, 'magermans' en 'moeille'.

Een van de vragen van Lode en René in deze uitzending was het verschil tussen ‘mâid’ (meid) en ‘mâsn’ (meisen). In dat verband komen demâses van Clipper ter sprake, waarmee de drie dienstmeiden van Marcel De Clippele werden bedoeld. De Clippele (1890-1987) was een rijke kasteelheer die rentenierde op de Putberg in Borchstadt, een landhuis dat hij in 1935 liet bouwen. Hij was decennia lang een der notabelen van Asse en een overtuigde gildeman. Borchstadt was tussen 1954 en 1980 ook bekend van ‘Klipperkermis’, het jaarlijkse zomerfeest van de harmonie De Katholieke Gilde

Een klassiek verhaal over Marcel De Clippele is de volgende bijdrage van zijn kleinzoon Thierry, die we citeren uit het gemeentelijke huldeboek ‘Mensen van bij ons’

Scannen0014‘Meermaals vertelde hij ons ook over zijn oorlogs correspondente. Als luitenant had men hem gevraagd om het goede voorbeeld te geven en, voor de moraal van de mannen, te corresponderen met een oorlogs meter. Tegen zijn zin, omdat hij toen al kennis had met een meisje uit Asse, heeft hij maar geschreven naar een meisje in Parijs. Zeer vlug vroeg ze hem een foto en hij stuurde haar een foto van een varken. Met de volgende brief vroeg ze hem boos een foto te sturen, waar hij op stond. Hij was toen helemaal niet geïnteresseerd in een Parijse vriendin en hij stuurde haar een foto van een man met zo'n grote sombrero (een grote Mexicaanse hoed), omgekeerd gezeten op een ezel. Het is slechts de derde maal dat hij haar een goede foto heeft gestuurd.

In 1918 vroeg men vrijwilligers om naar Kongo te trekken om te gaan vechten in Tabora, maar toen hij ginder toekwam, was de slag van Tabora reeds uit gevochten. Zijn vlucht naar Kongo maakte een abrupt einde aan de correspondentie met zijn oorlogsmeter (saved by the bell).

Meer dan zestig jaar nadien kregen we op een dag op Borchstadt een brief in de bus, geadresseerd Monsieur Marcel de Clippele, Place Communale, Assche La Chaussée. De postbode had bij beter weten gedacht dat het misschien wel voor ons was. En ja, het was zijn oorlogsmeter die, na 60 jaar, terug contact zocht. Ze was zelf voorbij de negentig, pas weduwe geworden en half blind en ze wou haar Belgische frontsoldaat voor haar dood toch eens ontmoeten. Dezelfde maand zijn we naar Parijs vertrokken om met haar kennis te maken. Die eerste ontmoeting was zeer emotioneel. Grootvader heeft nog enkele jaren met haar gecorrespondeerd en meerdere malen is hij ze gaan bezoeken, waarschijnlijk om zijn kwajongensstreken van weleer goed te maken. Enkele jaren nadien is ze overleden. Van zijn veldtocht in Kongo hield hij alleen malaria over.’