Dialectofoon‎ > ‎

Dialectofoon 001-050


001-050
 • 051-100 • 101-150 • 151-200 • 201-250 • 251-300 • 301-350 • 351-400 • 401-450 • 451-500

aflevering 12 - 23 juni 1991
URL van de gadget-specificatie kan niet worden gevonden
Dsc_6042b

Ooit al gehoord van een ‘ossenoog’, of zoals de Fransen (en de Hollanders) zeggen: ‘oeil de boeuf’. Het is een van de ornamenten in de vroegere woningbouw die ter sprake komen in deze editie van de Taalkamer van het Asses. We grijpen deze keer terug naar aflevering 12 van Dialectofoon van 23 juni 1991, een van de prilste uitzendingen van het praatprogramma over het Asses.

Het bekendste voorbeeld van een ‘ossenoog’ – een rond raampje in de nok van (meestal) oude herenhuizen – is dat van het oud-gemeentehuis van Asse aan het Gemeenteplein (foto). Ook de parkhoekvilla aan het Waalborrepark heeft nog een mooi exemplaar, al was dat oog enkele jaren geleden lange tijd spoorloos (tijdens de verbouwing). In de uitzending gaat het ook over verwante termen zoals een ‘lucarne’ of ‘dakkapel’ en een ‘anternoo’ (lichtkoepel).

Ook enkele heel oude Assese termen uit de schoenlapperij komen in deze uitzending van Lode Pletinckx en René De Rop terug tot leven, zoals de ‘konterför’ (hielversterking), ‘tiesj’ (schacht van een schoen), ‘lieëst (leest). ‘Konterför’ wordt in het Asses trouwens ook gebruikt in de betekenis van ‘achterwerk’. ‘Moenek â konterför neki wèrm maaken?’ (zal ik je een pak voor je broek geven?). Veel luisterplezier!


aflevering 13 - 30 juni 1991
URL van de gadget-specificatie kan niet worden gevonden

aflevering 18 - 28 juli 1991
URL van de gadget-specificatie kan niet worden gevonden

Met aflevering 18 van Dialectofoon, oorspronkelijk uitgezonden op 28 juli 1991, gaan we in de Taalkamer van het Asses deze week terug naar een van de prilste uitzendingen van dit programma van Lode en René. Het toeval wil dat het – net als vorige week - opnieuw uitgebreid gaat over Net Karot, de legendarische vrouw die in de Kerkstraat, samen met haar man Pië (Pierre) een bollenwinkel had. Al was het in zekere zin ook de eerste Grand Bazar van Asse.

Op bijgaande foto – een oude postkaart uit de collectie van drukkerij Van Geertruyen – staat Net trouwens rechts vooraan in de deuropening van haar winkeltje.

Een klassieker in de oude Assese volksmond was het plaagrijm over Net Karot. Dat rijmpje ging als volgt:

Nét Karot liet ne prot
Ze was zoe blâ
Ze liet er wel drâ
Ze was zoe verleegen
Ze liet er wél neegen
Ze was zoe verwonnerd
Ze liet er wél honnerd

Naast karot wordt in deze uitzending ook een karotntrèkker behandeld, een volkse benaming voor iemand die zich van een onaangename verplichting wil onttrekken, een lijntrekker, maar ook voor een bedrieger, een beetnemer, fopper.

Het woord karottentrekker - ook bekend in het uit het Frans afgeleide karotjee - is echter niet van een persoon afgeleid maar van een 19de eeuws toestel. Een karottentrekker is een spilvormige rol gesponnen tabak waarvan snuiftabak werd gemaakt. De rol was dik in het midden en dun aan de uiteinden. Dat was om de tabak - en de aroma - jarenlang te kunnen bewaren.

aflevering 20 - 25 augustus 1991
URL van de gadget-specificatie kan niet worden gevonden

Over kolen – in het Asses hoeille of oeille – bestaan enkele prachtige zegswijzen die bij de oudere Assenaren nog steeds vlot in de mond liggen. Zoe zwèt as hoeille (zo zwart als kool) en lost a hoeille (dok maar af, ook: zeg maar je mening) zijn er twee van. In deze aflevering van de Taalkamer van het Asses – Dialectofoon nr. 20 van 25 augustus 1991- komt ook een oude vergeten parel aan bod: dat vêigt zèn gat méj een brok hoeille, wat zoveel betekent als: dat is vanzelfsprekend.

  • doijer - dodderzaadolie, dodderzaad is een kruisbloemige olieplant die als zomeroliezaad werd gekweekt, maar die ook in het wild kon voorkomen. Dodderzaadolie was gewild als lampolie, vooral omdat ze minder kwalijk rook dan de koolzaadolie. Het fijne stro van de teelt werd bij ons gebruikt als
  • doijerbùstel, een bezem die door de hopboeren werd gebruikt.
  • Mezét - (ook muzét) zak die met haver gevuld om de kop van het paard werd gehangen, gemaakt uit zakkengoed, met ijzeren komvormige bodem. 
  • Blèster - (ook blajster) glanzende opsmuk (bij voorbeeld op kledingstukken)- branden, gloeien, flikkeren, (glanzende opsmuk) als parels. 
  • hèst (ook: est) term uit de schoenmakersstiel: hars, stof uit naaldhout waarin de (vlas)draad (hèsndraad) werd gedrenkt om hem te verstevigen. 
  • Kréjâr – (’t és kréjâr) gezegd van een bontgekleurd kledingstuk, afgeleid van het Franse criard (opzichtig) 
  • Sant (ook ne zant) – het korenaren dat niet was meegegaan met de pikbinder werd handmatig verzameld in een busseltje, om later door de kippen te worden uitgepikt. 
  • Schuffeln (ook schoefeln) – schrokken. 
  • Tami – schildersterm voor de zeef waar men verf doorheen liet lopen (tamizeern: zeven).

aflevering 23 - 15 september 1991
URL van de gadget-specificatie kan niet worden gevonden

Tijd om de Taalkamer van het Asses nog eens vanonder het stof te halen. Deze week luisteren we naar Dialectofoon aflevering 23 van 15 september 1991

  • Hoeprêik: houten hark aan weerszijden met lange tanden, dienend om de hop van de droogtafel te schieten.
  • Spùrre: spurrie – onkruid (spergula arvensis), groeit op arme zanderige grond, destijds als voedergewas gebruikt, gedroogd zaad was voer voor vogels
  • Èrkput: uitgegraven kuil in de ark, waarin aardappelen, wortelen en kolen werden bewaard en tegen bevriezen werden gevrijwaard.
  • Déstel: (in deze uitzending in de betekenis van) dissel, hakgereedschap voor houtbewerking. Werd ook gebruikt door wagenmakers. Ook distel (algemene naam voor distelachtigen)
  • Ooverschietn: (landbouw) kappen van kleine voren waarlangs het water kon weglopen.

aflevering 30 - 3 november 1991
URL van de gadget-specificatie kan niet worden gevonden
In de 
Taalkamer van het Asses luisteren we vandaag naar aflevering 30 van Dialectofoon, daterend van 3 november 1991, dus nog uit de allereerste jaargang van het programma met Lode Pletinckx en René De Rop. Een van de bijzondere woorden daarin is ‘ne snurk’. Een snurk, ook bekend in het woordenboek van de Brabantse dialecten, is een grote, meestal zwarte doek die om de schouders werd geslagen en die afgezoomd was met franjes. Voor de overjas – de paltoo – algemeen ingang vond behoorde de snurk in onze contreien tot de dagelijkse klederdracht, wanneer de mensen hun huis verlieten. Waar het woord snurk taalkundig vandaan komt is niet helemaal duidelijk.


Een ander interessant oud woord, weliswaar ook in het Algemeen Nederlands gekend, is haaijzekesmèlker, iemand die krotten verhuurd aan woekerprijzen. Het woord huisjesmelker is pas de voorbije tien jaar opnieuw opgepikt, vooral door de media en het gerecht, maar het is dus zeker geen nieuw woord.

Vooral de Schipper (het gebied van de Koensborre tot de Kalkoven, foto Ascania), destijds de armste wijk van Asse, was hiervoor berucht. Interessant en mooi om terug te horen in deze uitzending is de getuigenis van Jeanneke Van Achter, die deze periode van grauwe armoede - kort na de Eerste Wereldoorlog - als kind heeft gekend. Opmerkelijk is ook dat het afgeleide woord haaijzekesmèlk (de huur) wel gekend was in het dialect, maar niet in de algemene standaardtaal.


aflevering 31 - 10 november 1991
URL van de gadget-specificatie kan niet worden gevonden