Karel de Bauw 80
door Eugeen Van den Broeck
De Pajottenlandse gastvrijheid kan men ervaren nadat de stugheid van de gedegen, ernstige boer wordt doorbroken. Eens nader tot mekaar gekomen, mag men zeggen op het boerenerf thuis is en dat de vriendschap figuurlijk en letterlijk kan beklonken worden. Dat letterlijk beklinken gebeurt met geus, lambiek of kriek. In uitzonderlijke omstandigheden kan de drank ook andere vormen aannemen. Wij willen onze kennismaking met en onze bezoeken aan Karel De Bauw baseren op die Pajottenlandse gastvrijheid en op de bezegeling van de wederzijdse vriendschap.
Karel De Bauw is een Pajottenlander, geen boer maar een kunstenaar met penseel en palet. Wij zeggen: geen boer maar hij bezit er alle eigenschappen van behalve dat bij hem de stugheid ontbreekt want hij heeft een open gemoed en komt met zijn kalme verschijning en zijn stille glimlach zelf naar de mensen toe; hij is velen, zeer velen te vriend, daarom niet met iedereen; en zijn vele vrienden, zelfs kennissen en relaties worden in het huis van De Bauw en zijn echtgenote steeds gastvrij ontvangen. En de gastvrijheid wordt er altijd gul beklonken met het woord en met de drank.
In deze bijdrage willen wij onze "Ten huize van...", baseren op de bezegeling van die gastvrijheid en die vriendschap: namelijk de gesprekken die wij bij Karel De Bauw mochten helpen voeren en vooral aanhoren, en de drank die wij mochten proeven en genieten. De drank? zult gij u afvragen.
Inderdaad, de 50 jaren vriendschap, of, zo ge wilt "Ten huize van..." kunnen wij in vijf (of dronk)-perioden indelen. De periode van de geus, de periode van de cider, de periode van de lambiek, de periode van de "Pandoer" en de periode van de Martin's Pale-Ale.
***
De zitkamer van het gastvrij huis van het gezin De Bauw is links geflankeerd door een kleinere inham, waar zich de openhaard bevindt, en links ervan de kelderdeur. Hier staan het lage salontafeltje en de diepe clubs. Ge voelt u als 't ware ingesloten als in een alkoof: wat donker, wat schemerlicht, intiem bij de vlammen en de deugddoende warmte van het openvuur... Echt gezellig. Rond de zware eikentafel in de belendende zitplaats wordt er vergaderd door het Ascania-bestuur, gekaart met de kaartfanaten of ernstige gesprekken gevoerd met de relatiebezoekers.
Onder de "alkoof" echter wordt er gepraat, verteld, moppen getapt en gelachen; hier tast men naar het verleden en bouwt men naar de toekomst; hier wordt er geklonken!... En ondertussen loeren wij naar de vele schilderijen in de "alkoof"-ruimte en in de zitplaats. Wijzelf worden beloerd door Roze van Kwieters uit Walfergem, door Leopold Verdoodt uit Zellik, door drinkers, bidders, filosofen, volkstypen..., en halfsluimerende Brabantse trekpaarden.
- Maar laat ons ne keer drinken, zegt Karel tegen Josephine, zijn echtgenote. Deze opent links de kelderdeur, daalt af en komt weer te voorschijn met een "mandje geus". De bestofte geusfles ligt plat in het wijmen mandje, de teut wat hoger dan de bodem. Alles wordt voorzichtig op de eikenhouten tafel gezet. Dan begint de als 't ware heilige handeling van het geusschenken. Karel neemt de aftrekker en deskundig, gelijk hij het duizenden keren door zijn moederzaliger heeft weten doen, ontkrukt hij de fles. De geusglazen staan klaar - echte, breed open geusglazen -dicht aaneen op een rij, daar zorgde Josephine voor. Geen knal bij het ontkurken, geen bruisend schuim, alleen een haast onzichtbare geuswasem ontsnapt aan de teut. Met volle greep grijpt Karel het mandje en giet de Pajottenlandse godendrank met kleine stripjes van het ene glas in het andere, over de randen heen, zonder één druppel te storten. De drie glazen vullen zich haast zonder schuim; alleen op het einde, wanneer in de fles zowat een klein vijfde van de inhoud overblijft - troebel koensel - zijn de glazen met een dikke centimeter schuim omringd. Zó moet het. Formidabel geschonken, Karel.
- Proef daar ne keer van: dat is kadee van Rie van Rikskes nog! Inderdaad, kadee, godendrank, meer dan eens door dokter Jozef De Doncker als "medicament" voorgeschreven.
Naar gelang wij drinken, zakt het schuim, als aan de rand gelijmd en gelijk gemarmerd, langzaam naar beneden. Dat is echte geus. Hij is doorschijnend die geus. Het glas brandt bruin in het licht. Het bruin vertint, vervlamt, vervuurt... naar gelang de stand: bruin van broodkorst, van boerenvlaai, van tarwegraan, van ros paardenhaar, van klei, van leem. En plots merken wij het: al die bruinen ontdekken wij ook in de schilderijen van De Bauw, in de verrimpelde gezichten, op de verwrongen handen, op de blinkende paardenlijven, in de beploegde aarde van Brabant. Alles is als met geus overgoten en doordrengd. Ook onze geest. Maar geus maakt u niet astrant, niet opgewonden, wel klapzamig naar het verleden toe en naar de toekomst. En wij drinken geus... en Karel vertelt.
Karel vertelt over zijn allereerste tentoonstelling in 1939, in het Belfort van Aalst. Het verleden begint te herleven. Wij vertellen het een beetje met onze eigen woorden. Wij hadden het letterlijk moeten noteren gelijk Karel het daar in de "alkoof" toen heeft onder woorden gebracht. Het was winter en het sneeuwde dikke vlokken. De wind gierde. Karel zat in de uiterste donkere hoek van de Aalsterse Belfortzaal achter een snorrend buiskacheltje, diep ingeduffeld in zijn zware jas, de grote artiestenhoed diep over de oren, geen bezoeker te bespeuren.
Opeens vloog de eikendeur met ne roef open. In het deurgat stond een zwarte gestalte. De wind en de sneeuwvlokken zoefden naar binnen. Een man - zwarte pet en korte leren overjas - komt aarzelend de tentoonstellingszaal binnen en kijkt speurend om zich heen.
De landschappen loopt hij achteloos voorbij, vóór de prachtig geschilderde paardenkoppen blijft hij even staan maar schijnt er evenmin belangstelling voor te hebben. Tot hij opeens stokstijf blijft staan vóór het schilderij van een driespan. Hij stapt achteruit, buigt dan weer naar voren, drukt zijn rode neus haast tegen de stoere beestenkoppen.
- Miljaar! Miljaar!
De krachtwoorden weerklinken bol in de lege ruimte, even verder blijft hij met dezelfde stomme verbazing vóór een tweespan staan.
- Miljaar toch! Hoe is 't mogelijk!?
Met zware stappen haast hij zich kordaat naar de zwarte gestalte achter het buiskachelkel.
- Zeg eens, mijnheer, hebt gij die paarden geschilderd?
- Ja, mijn vriend, dat zijn mijn schilderijen.
- Dan zijt gij de grootste artiest die ik ooit in mijn leven ben tegengekomen.
Karel De Bauw staarde de man verwonderd aan.
- Deze hier, dat is toch Liza van 't Hof te Bellingen? En is dat niet Mirza van 't Hooghof in Zellik?
- Ja! Maar hoe weet gij dat?
- Hoe ik dat weet? Zou ik dat niet weten!? Ik ben paardenkoopman. Liza heb ik nog gekocht toen ze doodsversleten was. En Mirza heb ik zelf op 't Hooghof gebracht!
- Nu, het doet mij plezier dat gij zo direct die paarden in mijn werk herkent!
- Plezier? Niks te plezieren. Dat is een teken dat gij een echte artiest zijt, en daarmee uit, gij schildert portretten van echt bestaande paarden. Paardenportretten, miljaar, dat is het moeilijkste wat er bestaat. Proficiat!
En Karel besloot zijn verhaal:
- Wij zijn samen een pint gaan drinken "In de Korenbloem" en hebben de godsgrondige avond alleen over Brabantse paarden geklapt.
Én de kunstschilder was echt gelukkig met de lof die hem werd toegezwaaid door iemand die hij als een ware "kenner" beschouwde: een man met een zwarte pet en een korte leren overjas, een paardenkoopman uit de streek.
***
Maar tussen de geuzeteugen in werd er ook naar de toekomst toe geklapt. Wij hadden het over "Ons Volk", het weekblad van de N.V. De Standaard, waar ik, vanaf 1 januari 1938 als vast redacteur-tekenaar-fotograaf en man-doet-al was tewerk gesteld.
In "Ons Volk" drukten wij iedere week een schilderij af, meestal aan de hand van reproducties uit Duitsland - de voor die tijd prachtige typografisch gedrukte schilderijen - reproducties Seemann. Maar soms ook aan de hand van de echte schilderijen die wij bij de artiesten afhaalden en die naar de drukkerij moesten gebracht worden.
Dat was natuurlijk een delicaat werk. De artiesten zagen er tegenop dat met hun werk van de ene plaats naar de andere werd geleurd. Maar toch hadden wij in "Ons Volk" in de jaren 1938 en 1939 reeds ook tal van schilderijen van Vlaamse artiesten gereproduceerd, o.a. van Jos Speybrouck, Gaston Wallaert, Luc De Decker, Alidor Lamote, Jan De Cooman, Herman Verbaere... Tot wij (die tenslotte toch afhingen van de hoofdredacteur Alfons Martens, die kwestie de in "Ons Volk" te reproduceren schilderijen de eindkeuze deed) het werk van een Assese artiest voorstelden: de aquarellen van Cyriel Bogaert. Met als resultaat dat reeds vóór de oorlog een paar aquarellen van Cyrilleken in "Ons Volk" verschenen.
Toen trok ik mijn stoute schoenen aan en sprak met hoofdredacteur Alfons Martens over het werk van Karel De Bauw. Martens stond toe dat ik een schilderij naar de redactie bracht. De Bauw zelf had ik voordien ten huize gecontacteerd en overtuigd om een schilderij mee te geven. Nog eens gezegd: een delicate onderneming. Maar het lukte.
De eerste schilderij van De Bauw verscheen in nr. 2 van "Ons Volk", op datum van 14 januari 1940 (jaargang XXVI): "Late Troost" - den Heuzzel voorstellend, een van de eerste "koppen" uit de beginjaren dertig (Den Heuzzel werkte bij Neleke Slim op Terlinden). Hij leunt, op de schilderij, met zijn linker elleboog op een ronde tafel, waarop een jeneverstoop staat, met een stopsel en een druppelglas; boven hem een lampbels en de slinger van een muuruurwerk. Dit schilderij - ook de latere - was zeer geschikt om, met de drie kleuren (rood, geel en donkerblauw) waarmee "Ons Volk" toen in heliogravure gedrukt werd, te reproduceren. Het werd een succes voor "Ons Volk", voor onszelf en zeker voor Karel De Bauw. Deze reproductie was de eerste die, toen op 40.000 exemplaren gedrukt, onder de ogen van het publiek - een ruim publiek dus - kwam. Want ge moet ook rekening houden dat in die tijd de kleurenfoto en de kleurendia nog niet algemeen in gebruik waren.
Het succes van "Late Troost" was zó groot dat in nr. 3 van "Ons Volk" (21 januari 1940) "Krantenlezer" verscheen en in nr. 18 (5 mei 1940) "Een stille dronk" - dit was in het voorlaatste nummer vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog op 10 mei 1940. Het zou, juist geteld, nog 10 jaar duren vooraleer wij terug de draad zouden opnemen en de persoon en het werk van Karel De Bauw in "Ons Volk" met een grote, geïllustreerde reportage aan bod zouden laten komen.
Hiermede was de zogenaamde "periode van de geus" afgesloten. Wij laten hierbij opmerken dat, waar wij in het gastvrije huis De Bauw geus getrakteerd kregen, de poserende volkstypen van de kunstschilder meestal afgebeeld werden met een jeneverstoop of een druppelglas - jenever was immers de verleidingsdrank waarmee De Bauw zijn te schilderen volkstypen verleidde, "omkocht", de trap op naar zijn atelier lokte, kalmeerde en stil hield. Ja, ja, ten huize van... werd er gepraat over de tegenkomsten op zijn eerste tentoonstelling te Aalst, maar ook over de toekomstige reproducties van zijn werk in "Ons Volk".
***
De tweede periode was de periode van de cider, echter voorafgegaan door het afsterven van zijn vader, Miel van de Sjiek, op 6 april 1947. Over dit afsterven heeft Karel De Bauw ons ten huize van... het volgend tragisch verhaal verteld.
"Mijn vader lag opgebaard op de kelderkamer. Mijn moeder, die 10 jaar later is overleden (3-11-1957) zat van verdriet te snotteren achter de Leuvense stoof. De eerste die ons staminee binnentrad om te condoleren, was Henri Van Ginderachter, Mijnheer Henri, Rie van Rikskes. Hij trok direct de kelderkamer in. Wat er tussen hem en mijn vader daar toen "gezegd" of gedacht is geweest, zal eeuwig en altijd een geheim blijven. Maar die twee waren dikke vrienden geweest: mijn vader was jarenlang de chauffeur de maître van mijnheer
Henri, de baas, die overal moest naartoe gevoerd worden. Mijn vader moest steeds paraat zijn en had in alle omstandigheden zwijgplicht. Met rode ogen kwam die kolos van rond de 150 kilo, aangeslagen naar beneden, de gelagkamer in: 't Verdriet had hem totaal overmeesterd. Hij sprak enkele troostwoorden tot mijn moeder en riep mijzelf even terzijde.
- Sjarel, zei Mijnheer Henri, dat ik vele jaren gezwegen heb maar nu uw vader, mijne naarste dagelijkse vriend, gestorven is, moet ik het u zeggen. Gij hebt uw leven aan mij te danken. In het laatste oorlogsjaar had ik mijn mannen bevel gegeven Wies Moens te gaan afschieten. Twee trokken er met een geweer op los. Op een late avond, in den donkeren. Op een bepaald ogenblik stonden zij op de Putberg vóór het huis van Wies Moens. Zij zagen hem doorheen het raam zitten... maar ze keerden terug en zeiden mij:
"Mijnheer Henri, er zit iemand naast hem". "Wie?" vroeg ik "Sjalen van Miel van de Sjiek!". "Niet schieten", zei ik. Gij hebt uw leven aan mij te danken. Mijnheer Henri keerde zich om en was weg. Ook dit verhaal heeft Karel De Bauw ons meer dan eens verteld.
***
Ik schreef daar juist "de periode van de cider". Ha! die cider van onder de oorlog en vooral van na de oorlog! (Het is curieus, dat cider maken heeft daarna een paar tientallen van jaren zogoed als stilgelegen en is daarop, tot op vandaag toe, weer opgedaagd, nu deskundiger en op wetenschappelijke basis gemaakt, en veelal in groepsverband). Maar toen! Cider, mijnheer, iedereen maakte cider; de boeren, de werkman, de man met de aktetas. Van rabarber, troskesbezen, appelen... Of alles ondereen. Niet van, bijvoorbeeld, berkensap zoals er tegenwoordig gemaakt wordt. Het fruit werd toen niet zo nauwkeurig gekozen, de gisting was navenant. De smaak was echter onvergetelijk, verleidelijk! Men dronk hem uit... volle glazen, 's avonds..., aan de warme Leuvense stoof..., op een ander. Onder de doemp van straffe pijptoebak. En als het dan tijd was om op te stappen, te voet of per velo dan stond de boer of wie de schenker ook was in het deurgat u uit te wuiven, gremelend tussen de lippen en loerend wanneer en waar het zou gebeuren. Want de ciderdrinker kreeg in de frisse buitenlucht de klop van de hamer en kwam soms wel eens, al sakkelend, met of zonder fiets, in de gracht terecht.
- Hoe is 't gisteren geweest, hè! vroeg de boer. Cider in die tijd was dodelijk en vanwege de schenker godgeklaagd. Het arme slachtoffer, binnen onwetend, genietend met volle teugen, was zich niet bewust wat hem te wachten stond. Buiten of thuis gekomen werd de drinker ziek om te sterven, braakte alles uit en viel, en werd bovendien ook nog de huid vol gescholden door moeder-de-vrouw.
't Kon ook anders. En goed aflopen. Zo maakten wij in 1953 zelf cider van die gele pruimekes, schudderkes. Een portovaatje vol. Bij onze verhuis in mei 1954 hebben wij dat vaatje met al de gelegenheidsverhuizers totaal leeggedronken. Het was drank van comme ça. En niemand werd er ziek van of is op de Marlier in een gracht of in een doornhaag gesukkeld.
En ook Karel De Bauw had cider gemaakt. Van krieken. Het was donkere, ossenbloed, gelijk zijne geus: kadee! En nu gaat het komen! Eind januari 1950 waren wij ten huize van... Karel De Bauw, samen met onze persfotograaf Karel Ausloos, een Brusselaar die alleen maar Brussels kon praten - hij leeft nog en woont ergens in St.-Gillis.
Wij waren gekomen om De Bauw te interviewen voor een geïllustreerde reportage in "Ons Volk". Wij deden ons werk; ondervroegen de artiest, noteerden en keken rond. Ondertussen maakte de fotograaf de ene foto na de andere. Altijd op een teken van ons. Foto's van het interieur, van de schilderijen tegen de muur of op de schildersezel en van ons beiden, Ausloos kende zijn werk, een vakman, die zich niet moeide met het gesprek. Hij ontwikkelde op de redactie zelf de foto's: altijd alles wondergoed gelukt. Scherp en "hard", geschikt voor de druk.
- En nu gaan wij iets drinken, zei Karel De Bauw. Ik heb hier iets van eigen gewin. Daar zult gij nog van spreken.
De schilder kwam met een donkergroene fles te voorschijn, een geuzefles mij docht, maar de inhoud was door hemzelf gemaakte cider.
- Van mijn krieken!
Een donkerrode, haast ondoorzichtbare drank; naar het volle daglicht gericht, zag men er een hel rood vlammetje in. En wij dronken. De cider was inderdaad om niet te vergeten: zacht als fluweel, zoet als lindenhoning. Hij ging als vanzelf naar binnen en hij lokte al maar door naar meer. Hij was niet astrant. Wij dronken alle drie, twee, drie glaasjes. De ene niet meer dan de andere. Maar geleidelijk werd de mens gewoon dat hij los kwam, los in de geest en... loslippig. We begonnen over onze woorden te stuiken en plots kregen wij het - niet de twee Karels! De Sjat en den Heuzzel, Pië Claus en Georgsken de bedelaar draaiden gelijk het wiel van een botermolen rond mijn hoofd. Ik pakte naar hen en had mijn eigen hoofd vast.
- Ik ben niet goed! mompelde ik.
En ik strompelde naar de achterkeuken. Te laat. Die goeie cider van eigen gewin kwakte vóór mij uit op de vloer, van in de zitkamer tot in de achterkeuken en rats de pompbak in. Desastreus! Affrontelijk! De twee Karels en de huisvrouw waren recht gesprongen, ondersteunden ons, duwden ons op een stoel... 't ging stillekes aan over maar ik bleef ziek als om te sterven.
De twee Karels hebben ons toen, mij in het midden, zij dicht tegen mij aan, mij even vastgehouden aan de armen, zo onopvallend mogelijk, van de Kalkoven, lossen doorheen de Steenweg, over de Barreel naar Walfergem gebracht en mij thuis afgeleverd. Ik klefferde de trap op en stuikte met kleren en al aan in mijn bed. Naar wij later vernamen zijn de twee Karels, zo monter als 't maar kon, naar huis gegaan: de ene naar de Kalkoven de andere met de tram naar Brussel. Hoe was het mogelijk dat wij alleen de klop van de voorhamer hadden gekregen? Wij hadden in jaren, bij manier van spreken, geen pint bier gedronken, geen staminee bezocht - alhoewel ik tussen "Den Bels" en "Fil van Kras" en zo goed als naast "'t Kanon" woonde; de Breugelfanfare was nog niet gesticht; de echte Vlaamse kermissen moesten nog komen; er was absoluut nog geen sprake van Hop- en Bierfeesten... mijn maag verkeerde nog in de maagdelijke staat.
En dan gebeurde dat ciderdrame ten huize van... Was en bleef dit voor ons een affrontelijke zaak, wij moesten zeggen dat noch Karel noch Josephine, die toen zeer met mij begaan waren, mij dat nooit hebben doorgestoken, er hebben mee gespot of er bij anderen mee hebben uitgepakt, 't Was een accident om er in de letterlijke zin van het woord de dweil over te vagen. Wat niet wil zeggen dat wijzelf over die kriekencider nooit meer zouden gesproken hebben.
Wij willen met dit alles maar zeggen dat op datum van 12 februari 1950 de eerste grote reportage verscheen over Karel De Bauw in "Ons Volk" (nr. 7, jaargang XXXIII): "Karel De Bauw, schilder van het Brabantse volksleven", een portret met 9 afdrukken van zijn schilderijen (Tweespan in de morgenmist (te Zellik), Interieur, Sneeuwlandschap (te Kobbegem), De kantwerkster (te Sint-Ulriks-Kapelle, Kamer-Sleutelbloemen, Herinnering, Een interieur in het kasteel van Gaasbeek, Aan de muur van 't Oude Gasthuis (te Asse) en Dobbelaars (op Ten Berg). Een goed overzicht van het veelzijdig werk van de Assese artiest - geen "koppen", die hadden wij reeds vóór de oorlog in kleur afgedrukt. Deze reportage werd op meer dan 80.000 exemplaren verspreid.
En voor ons althans was de periode van de cider voorgoed - met scha en schande - afgesloten.
***
Aan de periode van de Lambiek hebben wij ten huize van... Karel De Bauw twee formidabele herinneringen. Eerstens toen het bestuur van de heemkring Ascania, waarvan De Bauw voorzitter was (momenteel erevoorzitter) enkele jaren na mekaar in de tuin waar onze artiest, een meetschietingstoernooi organiseerde. In de koelte onder de struiken, later in het tuinhuisje, lag het volle vat lambiek. Iedereen mocht gaan tappen. Josephine, de gastvrouw, zorgde voor Brabantse vlaai, fruittaarten, hartige hapjes... Het ging er gezellig aan toe. De leden van de familie De Bauw waren in het meetschieten altijd de krakken voorop -- ook Josephine - wijzelf en Omer waren de sukkelaars. Jeroom Durnez weet over deze Ascania-toernooien heel wat meer dan wij zelf. Lees maar eens zijn bijdrage hierover.
Over die lambiek alleen dit: hij maakte ons geleidelijk geestdriftig en astrant, nooit ziek; men kreeg er wel op de duur een goed opgevuld zaksel van - want lambiek is bijzonder goed voor de waterwegen - maar er kon op tijd achter de verste struiken geplast worden.
De tweede herinnering hebben wij aan het gesprek bij Karel thuis over "Long en zijn driespan". Ik vind het de moeite waard dit echt gebeurd verhaal zoals ik het in 1972 geschreven heb, hier in dit huldeboek in zijn geheel nog eens weer te geven: Veearts Lievens uit het Ninoofse was op bezoek bij de Assese kunstschilder Karel De Bauw. Hij had, samen met de artiest, de vele schilderijen bekeken die in de stemmige zitplaats overal tegen de muren hingen: de Brabantse typen - - de bedelaar, de lambiekdrinker, de filosoof - de sneeuwlandschappen, de boereninterieurs, enz...
Toen vroeg de Karel: - Maar meneer Lievens, hoe noemen ze in uw streek een veearts?
- Paardenmeester, natuurlijk.
- Ik vraag het u alhoewel ik het wist. Kijk hier ne keer, meneer de paardenmeester.
En de Karel trok een doek weg van voor een opgestelde schildersezel... en daar stormde een geweldig driespan op de kijkers los...
- Nondenondenonde!
Drie "nondes"! Voor elk paar één.
- Formidabel! riep de paardenmeester. Bestaat dat nog zo'n driespan? Waar hebt gij die ontdekt? Mijdunk, zijn dat geen echte portretten? Hoe heten die paarden?
Die paardenmeester stormde, even geweldig als het driespan, met zijn vragen op de schilder los. En toen vertelde de Karel het aangrijpende verhaal van Long en zijn driespan. Luistert!
Hoeveel driespannen zouden er nu nog in onze streek - het Pajottenland - te vinden zijn? Vóór twintig, dertig jaar trof men ze aan op het Hooghof te Zellik, op het Torenhof te Kobbegem, op het Verbrandhof te Asse, bij de hengstenboer te Bellingen... Maar nu? De meeste driespannen, en zelfs de vele tweespannen, zijn verdwenen en hebben plaats gemaakt voor de tractor. Dat is de evolutie van onze tijd. Ook bij de boer. Het is algelijk spijtig. Het driespan dat ge hier geportretteerd ziet - want het zijn echte portretten waarin ik bovendien de kracht, de bezieling en de goedheid van het Brabantse paard heb gelegd - trof ik aan te Ternat, op Semst bij boer Verhasselt.
De paarden heten Bella, Bles en Grace. Bella, zacht van karakter maar als 't er op aan kwam kordaat; Bles, soms wat nukkig en dweis maar met 't verstand van een mens; Grace, steeds de kop in de lucht, fier als een filmster. Ik ben verscheidene keren op het hof te Semst gaan schetsen. Ik kende de boer en, wat in het geval van mijn "werk" van grote betekenis was, ik kende ook de paardenknecht, Long heette hij. Een jongman, al ik weet niet hoeveel jaren in dienst. Al de dagen van elk seizoenwerk moest Long zijn bier hebben, lambiek van 't vat. Regelmatig bracht men hem op 't veld een grote kan met telkens vijf liters lambiek in. Te halverelf in de voornoen zijn 5 liters, te halvervier in de achternoen zijn 5 liters, en te halverzes in de valavond zijn 5 liters. En... die werden telkens tot de laatste druppel leeggedronken. De boer had in zijn koele kelder enkele vaten lambiek liggen die om zo te zeggen alleen bestemd v/aren om de onlesbare dorst van Long de kop in te drukken. Op zekere dag reclameerde hij dat hij te halvertwaalf in de voornoen ook zijn kruik moest hebben. Maar daar heeft de boer toch een stok in 't wiel gestoken. Long werkte al die lambiek af vooral als hij met zijn driespan achter de dubbele ploeg stapte of met de breker de schellen vette Brabantse leemgrond moest kleinen... Om niet te spreken van de volle zomer wanneer de oogst werd binnengereden.
Toen enkele jaren geleden de boer sprak van een koppel paarden van de hand te doen en een tractor te kopen stoof Long op:
- Als dat gebeurt dan ben ik hier weg. Geen tractor op 't hof! En de paarden bleven.
Ik was weer te Semst.
- Zijn ze op stal? vroeg ik de boer.
- Ploegwerk! Op dat stuk achter de boomgaard. Maar houd hem niet te lang op.
- Zij gerust.
En ik trok op zoek naar Long en zijn driespan, het schetsboek werkend gereed.
- Ha! Long!
- Sjarel!
- Alles in orde?
Ik stopte hem slinksweg een briefken in zijn verweerde handen. Hij foefelde dat in zijn vestenzakje.
- Hoe wilde't? Ruststand? Trekken? Of forsig?
- Long, deze keer al het geweld dat gij in uw gespan kunt leggen. Nu direkt want ik ben er "in".
- Sjarel ik zeg u maar één dingen: nooit overhaastig tewerk gaan. Eerst ne slok want wat ik nu ga doen dat zult gij nog nooit of jamais van uw leven te zien gekregen hebben.
En Long hield de kruik aan zijne mond en slokte, éne slok: een volle liter! Met zijn mouw gaf hij een veeg over zijn natte lippen, zette de kruik, precies of het was een ingebusseld plat kind, voorzichtig tegen de kant en:
- 't Is 't moment. Ik rij eerst naar beneden en als ik terugkeer, gaat het gebeuren! Houdt u gereed!
- Ju, Bles! Tik, tik, Bella! Godver, Grace!
Het driespan verdween in de mistbanken van de diepe vallei. Ik stond boven op de Brabantse heuvelbuik.
Ik hoorde 't geklik van de dubbele ploeg die werd gedraaid en de rauwe commanderende stem van Long. Ik wachtte... En toen opeens:
- Bella! Bles! Grace! Miljaardemiljaar! Grace! Bles! Bella! Meer niet! Maar daar doemde voor mij op: een donker gedrocht eerst, omgeven door flarden mist; een geweldige oorlogstank daarop, die al wat leefde onder zijn rupsraderen verpletterde; een reuzenlocomotief tenslotte, die langs alle kanten stoomstralen spoot... Neen, geen donker gedrocht, geen oorlogstank, geen reuzenlocomotief... maar een driespan waarvan ik alleen de koppen en de voorpoten zag, geen ploeg, geen menner...
Die zaten nog in de mist, van geen tel en van geen nut voor mijn schetsboek. Drie op- en neerknikkende koppen, drie schuimende muilen; zes stralen hete lucht spuitende neusholten en zes stampende ruig behaarde paardenpoten. Een beeld om nooit te vergeten. In enkele trekken stond dat beeld vaag, heel vaag op papier maar in enkele ogenblikken ook lag het beeld vast, heel vast in mijn geheugen. Als een lawine zwaaiden gespan, ploeg en Long mij voorbij.
- Hoe was 't?
- Ik vind geen woorden, Long. Formidabel, machtig, schoon! Proficiat!
- Ik zit er voor niks tussen.
En Long wees met een breed gebaar naar Bella, Bles en Grace. Ook dat beeld is mij bijgebleven.
- Nondenondenonde! zei de paardenmeester uit het Ninoofse.
En de Karel ging verder: Verleden week was ik weer op Semst bij mijn vriend de boer.
- Alles in orde?
- Karel! Karel! Karel! Ik heb hem daar juist binnengebracht.
- Wie binnengebracht?
- Long! Dood! Op 't veld. Hij lag daar op zijn zij, achter de ploeg.
De paarden stonden stil en keken om. De lambiekkruik was half leeggedronken.
- Wat dat ge nu zegt!
Ik stond stokkestijf van de alteratie en opeens voelde ik mij een beetje schuldig.
- Ge zijt er precies van aangedaan! zei de boer.
Ha, dat kan ik geloven!...
Long is dood. Een van de laatste paardenknechten in het Pajottenland is niet meer. Dat doet mij iets...
Wanneer ik binnen enkele weken op Semst zal komen, zullen Bella, Bles en Grace misschien ook verdwenen zijn, plaats gemaakt voor een spiksplinternieuwe tractor. Dat is de evolutie van de tijd. Ook bij de boer. Ik wilde het portret nog schilderen van Long. Het heeft niet mogen zijn. Maar hier staan Bella, Bles en Grace vereeuwigd en mij dunkt dat ik achter hunne rug, daar ergens in de mist, Long zie stappen die het gebaar maakt naar zijn paarden: ik zit er voor niks tussen!
- Nondenondenonde! zei de paardenmeester uit het Ninoofse.
***
Met de periode van de "Pandoer" willen wij kort zijn alhoewel dit bier vele jaren lang ten huize van... werd gedronken. Het "Pandoer"-bier was ontstaan naar een schilderij van Karel De Bauw, "Fong van Tierens" voorstellend, met een stel speelkaarten - een pandoer" - in de hand, destijds door Leon Rogiers aangekocht en hangend in de gelagzaal van "Malpertuus" op de Markt te Asse. Op het etiket van het bierflesje staat de bewuste schilderij afgebeeld. Natuurlijk dat voortaan dit "eigen" biertje op tafel van onze artiest kwam.
En aan huis vertelde Karel over Fong van Tierens. En nu moet ge langzaam, zeer langzaam lezen want Fong sprak zó op zijn gemak dat g'er op de zenuwen van kreeg. Fong was in de Malpertuus niet weg te slaan. Hij deed er alle koefelwerk. En zorgde er ook op tijd voor nen haas.
- Fong, ik heb vanavond ne souper. Kunde mij genen haas bezorgen?
- Hoeveel moet hij wegen, hè?
- Ha, zo apeupret vier kilo.
- Vanavond hebt g'hem, gestroopt en gekuist.
Inderdaad, Fong wist in de kouter langs zijn streek, alle hazen liggen. Hij kende zijn streek en ook de hazen als zijne broekzak. Hij trok in de achternoen met zijn lange stok op de man af naar de vier kilo wegende haas toe, draaide er met ne cirkel rond, de ogen steeds gericht naar het slachtoffer toe dat niet boegeerde maar hemzelf in 't oog hield. Op 't gepaste moment sloeg hij daar waar de haas... niet lag maar trof hem in de nek toen het beest zijn eerste ontsnappingsprong had gedaan.
- Hier zie, zei Fong, vier kilo geslagen.
Zó vertelde Karel over al zijn volkstypen die hij voor zijn schildersezel had weten te lokken.
Wij lieten Karel, al "Pandoer" drinkend (met mate deze keer! Hoe zoudt gij zelf zijn!?) niet los. Een tweede reportage verscheen in "Ons Volk" op datum van 30 januari 1964 (nr. 5, jaargang XLVII): "Kunstschilder Karel De Bauw, weelde en geweld in Brabant"; vijf bladzijden met 13 reproducties van zijn werk, drie foto's en één tekening; met bovendien een eigen verhaal van Karel zelf over "Pië Klaus". Wij zouden nadien ons licht in de "alkoof" van de artiest nog menig keer gaan opsteken en zijn verhalen en belevenissen en verslagen over zijn vele tentoonstellingen publiceren in o.a. "De Galm", "De Asschenaar"...
***
Toch nog een woordje over de Pale-Ale-periode. Een zacht bier, kloek bier, geschonken in tinnen bekers. Wij geloven dat de tinnen bekers van Karel De Bauw nog afkomstig waren van het "Café des Arcades" op de hoek tegen het station van Asse. Karel wist over dit café, de tinnen potten, de Pale-Ale en de bewoners, de juffrouwen Van Overstraeten, heel wat te vertellen. Ook over de Zweedse ingenieur die er inwoonde.
Wat al verhalen heeft hij ons ten huize van... niet verteld over de prominenten van Asse, over hun portretten of hun interieurs die hij schilderde: Louis Delvaux, Marcel de Clippele, doktoor Goosens, Cantillon van Ternat, Pol Verdoodt van Zellik, kopstukken uit Amerika...
Eenvoudige verhalen, sterke verhalen. Alles overgoten met de haast aristocratische Pale-Ale, die drank die paste bij de figuur van de Assese prominenten.
***
Niet alleen volkstypen heeft Karel De Bauw vereeuwigd, ook vooraanstaanden; niet alleen de Brabantse paarden, maar ook het Pajottenlandse landschap; niet alleen de bloemen, geplukt langsheen de bermen, maar stillevens en interieurs.
Drieëndertig tentoonstellingen werden van hem genoteerd; tientallen artikels over hem en zijn werk verschenen in kranten en tijdschriften; twee huldeboeken werden aan hem gewijd; een pracht van een reportage verscheen over hem op de Vlaamse T. V.; Albert Baeyens brengt Karel ten tonele in zijn boerenroman "Een jong leven zoekt zijn weg". En nog is zijn inspiratie niet leeg geblust en zijn werkkracht stilgelegd, nog zijn wij en anderen over hem en zijn werk niet uitgepraat en uitgeschreven.
Wijzelf bezegelen onze vijftig jaren vriendschap en onze vele ervaringen "Ten huize van... Karel De Bauw" - in onze verbeelding althans - met ne geus, (ne cider), ne lambiek, en ne Pale-Ale... Ad multos annos.
Eugeen Van den Broeck
HET GEHEIM VAN KAREL DE BAUW
door Gaston Durnez
(uit Ascania-tijdschrift 1965-2 - toespraak op 21 november 1964 bij de opening van de tentoonstelling Karel de Bauw te Schellebelle)
Niet zonder enige schroom maar toch met diep genoegen, kan ik u vanavond het geheim van Karel de Bauw onthullen. Ik heb het deze week bij hem thuis in een begenadigd ogenblik zelf ontdekt. Wij zaten samen naar zijn jongste schilderijen te zien en wij zwegen een beetje omdat wij elkaar te veel te zeggen hadden. Mijn hart reed op een kermismolen als ik de forse portretten van mensen uit mijn jonge jaren herkende, lachende of nadenkende boeren, pintendrinkende of pijprokende arbeiders, -maar altijd mannen van 't goed leven, Brabanders van kop tot teen, al zag ik alleen de kop. En dan die paarden! Zij trokken met drie en vier tegelijk, zo straf, zo kloek, dat ik ze moest bij de teugel grijpen of ze kwamen met bietenkar en al uit de lijst gestormd, de woonkamer binnen. Wij keken naar de kleuren die blonken alsof er vuur in werd gestookt. Het rood van de wangen en van de halsdoeken maakte mij goedgezind, de sneeuw van de winterlandschappen gaf mij een warm gevoel. Toen wist ik ineens waarom. Karel de Bauw maakt zijn verf klaar met bier. Ik heb het hem gezegd. Hij bloosde en legde onmiddellijk bekentenissen af. Met geus, glimlachte hij. Dit verklaart alles.
Ik had er eigenlijk al veel eerder moeten aan denken. U moet er eens op letten hoeveel koppen er bij hem een pint in de hand hebben, als ik het zo mag zeggen. En zelfs als hij geen drinkebroer schildert, zelfs als hij een stille filosoof uitbeeldt, een ernstige heer, dan nog ziet ge dat het mensen zijn die de vreugde van een Brabantse dronk kennen en begrijpen, mensen die wéten waarom de dichter sprak over "Geus en humanisme". En de paarden maken daar geen uitzondering op. Zij glimmen van die sterke, innerlijke feestelijkheid, die in Brabant zo'n onverbrekelijke band vormt tussen boerenpaarden en brouwerijpaarden, zodat ge ze nog moeilijk uit mekaar kunt houden. Iedere schuur waar ze voorbijschonken, kan familie zijn van een brouwerijschuur. Elke boerderij ligt verzadigd in de plooien van het landschap en het veld zelf gloeit van geheime stokerij.
Mijn broer Jeroom heeft verleden jaar een boek uitgegeven over "Herbergen en Herbergleven te Asse". Na veel documentatie te hebben verwerkt, is hij in een helder ogenblik tot de conclusie gekomen, dat Asse percentsgewijze het grootste aantal herbergen van het land telt. Voor elke 15 gezinnen is er één café. En vroeger waren er nog veel meer, zucht hij, bedroefd omdat hij te laat is geboren. Ik heb in dat boek van mijn broer 24 verschillende uitdrukkingen geteld om van iemand op z'n Asses te zeggen dat hij dronken is - en het woord dronken zelf is er niet eens bijgerekend. Er bestaan in de gemeente 30 verschillende benamingen voor een zatladder en ik meen te weten dat er binnenkort al een tweede, vermeerderde druk van het boek moet verschijnen. De kerken en herbergen staan bij ons zo dicht bij elkaar, dat de mystiek zich wel eens van deur vergist. Is er één taal waarin "kapelletje" synoniem is van herberg, zoals bij ons?
Karel de Bauw is in Asse, op de Kalkoven, in één van dat recordaantal geboren en getogen, hij heeft er zijn eerste tekeningen gemaakt op de achterkant van gele notarisaffiches en zijn eerste succes geoogst bij de zondagse klanten van de tapkast. Hij leerde er een levenslustig Brabants kennen, mensen die met volle teugen van het leven kunnen genieten na het werk op de vette grond van hellingen en dellingen. Brabanders, échte Brabanders, zijn feestelijke harbalorifa-zingers, al schijnen zij voor vreemdelingen minder luidruchtig dan de "Vlaanderaars". Vooral dan de West-Vlamingen, die zelfs dramatisch zijn als ze leute maken. De Brabanders zingen, maar ze doen er hun tanden niet voor van mekaar.
Hun humor, zei Wies Moens, komt van achter het bolwerk van hun tanden. En hij voegde eraan toe: "Wie uit het vlakke Scheldeland bij Dendermonde overwipt in het zacht heuvelend Brabants kwartier, dat even voorbij Opwijk begint, heeft de indruk dat hij uit een weekdags in een zondags gebied terechtkomt". Wies Moens zag de Scheldekant als een landschap waarin alles hem sprak van strijd, verweer en labeur. Dat bracht het geweld van de stroom daar mee. West-Brabant zag hij jubilanter, met blonder en tintelend licht en minder zwoegende wolken.
Een zondags gebied...
Er zijn al 25 jaar voorbij sinds Moens zijn hartelijke ontboezeming schreef en een goede 50 sinds Karel de Bauw thuis over de vloer kroop en de witte zandtekeningen uitwiste. Er zijn ook in West-Brabant al enkele weekdagen op de kalender komen staan, Betonwegen rukken gesloten gemeenschappen open en maken de heuvelen minder stijl. Villa's gaan op de tenen van de bossen staan en doen de bomen bang achteruitspringen. Aan zwarte rookpluimen bengelen fabrieksschouwen. Wie paarden wil zien, kan al lang niet meer in alle boerderijen terecht. Een drie- en een vierspan op één rij? Daar reed men voor naar Bellingen, zelfs als men koning was, maar nu ziet men ze zelfs daar al niet meer. De stevige, natuurlijke volkstypes leven nog, maar ze trekken zich wat van de wegen terug, in hun eigen kringetje. Ze hebben leren lezen en schrijven en er zijn er al die 's avonds naar de televisie kijken en daar zo stil bij zitten dat zelfs de goudvissen er een schrik van pakken. En het bier, het bier, lieve mensen! Er bestaan al herbergen die geus in kleine flesjes met een blikken hoedje opdienen. Ja, er zijn al cafés waar men geen geus, en zeker geen lambiek van 't vak, meer kan krijgen !
Het ongerepte, het aartsvaderlijke, het Brabant-van-buiten bestaat nog, maar het ligt niet meer zo fris en bloot voor onze ogen, wij moeten er soms naar zoeken en als wij het vinden, spreken wij al dat fatale woord "openluchtmuseum". Stilaan worden wij van bewoners, toeristen in eigen land. En drinken coca.
Karel de Bauw niet. Hij gunt de werkdagen geen kans. Hij is een échte zondagsschilder, dat wil zeggen: een schilder van de zevende dag. Zelfs de gewoonste kuismorgen is voor hem een zondag. Als hij ergens zijn penseel te voorschijn haalt, slaat het koperwerk vonken, de bloempotten dansen in de rij en het licht speelt orgel in een pint bier..
Tussen de schilders van de grauwe maandag en de kleurloze dinsdag, de kunstenaars van het uitgeregende tv-spel en de vrijdagse vis, doet het deugd nog eens een schilder te ontmoeten die op zijn zondags is gekleed. Karel de Bauw kent de werkdagen ook, maar hij idealiseert ze. Een rood sjaaltje rond de hals van de oogstboer wordt een kermisvlag, een ongeschoren baard onderstreept de roes of het roos van de kaken. In het landschap trekt hij de elektriciteitspalen met wortel en al uit en sloopt de villa's. Hij mengt in zijn verf de kleuren van nu en van zijn jeugdjaren. De wereld en de mensen zijn lelijker, hij bekijkt ze door het venster van de levendige herberg waarin hij kind is geweest. Het Brabant dat hij schildert, is bezig te veranderen - en tot onze vreugde en onze weemoed legt hij er de kleuren van de herinnering op. Herinnering die alles weer mooier maakt.
Karel de Bauw is een selfmade man. Op zichzelf noem ik dat geen eretitel. De cultus daarvan is ook al voorbij. Er zijn tegenwoordig al enige universitairen die bekwaam zijn en ik ken zelfs een selfmade man die nergens voor deugt. Karel de Bauw heeft zich hardnekkig in lange jaren studiewerk bekwaamd. Eenmaal op zijn eigen weg gekomen, is hij, met de koppigheid van een man die heeft leren vechten voor zijn taak, onverstoorbaar doorgemarcheerd. Tot zijn leertijd zou men kunnen rekenen: zijn vroegere anekdotische genrestukken, waarin hij, gezeten in een landelijk decor, gemoedelijk vertelde a la Claes en Timmermans, minder als de buurman Walschap. De Bauw was nooit wrang of scherp, hij was blij omdat hij zien kon. Zijn landschappen vormden de overgang naar groter werk. Hij idealiseerde zijn streek met een lichtend heimwee, of maakte er een kermis van, maar geen wilde: een kermis van iemand die zijn pint naar het licht houdt en daar gelukkig om is. In de techniek bleef hij een voortzetter van het precieze realisme, dat bijvoorbeeld aan een de Braeckeleer kon doen denken. Hij was ook niet bang, documentair werk te leveren. Een album met reproducties van bepaalde, talrijke schilderijen, zou een beeld oproepen van het landelijke West-Brabant zoals men het vooral tussen de twee wereldoorlogen nog kon vinden. Zulk album zou een belangrijke heemkundige betekenis hebben.
Gaandeweg is de Bauw forser gaan schilderen. Hij bereikte een vlotte kracht en een virtuositeit met kleuren, die het mogelijk maakten om anekdotisch genrestukje, de vertelling, meer te verlaten en zich tot het voornaamste te gaan beperken. En de vreugde om die kracht werkte hij uit in een lange reeks van taferelen met paarden en vooral in de portretten.
Op de schilderijen van de jongste twee jaar, waaruit hier op de tentoonstelling een keuze is te zien, heeft hij de koppen meer in close-up genomen, groter en aandachtiger dan ooit. "De kop is alles" zegt hij. Het levensverhaal zit niet in de gebaren van de mens, maar in de rimpels van zijn gelaat en de glans van zijn ogen. Het werk van de Bauw is er mannelijker en essentiëler door geworden.
Brabant, het zondagse Brabant, kijkt ons nu nog beter aan. Het trekt aan de glazen handboom en wij heffen onze pint en klinken op zijn heuvelen, zijn mensen en zijn dierbare schilder
Gaston Durnez
Over Karel de Bauw, zie ook: