Dokter Leon Goossens
(1878-1953)
Gouden Kruis van Sint-Rombout (1902-1952)
door Karel de Bauw
In maart 1952 bestelde het bestuur van de Katolieke Gilde het portret van haar voorzitter dokter Leon Goossens. Op 21 juli van datzelfde jaar zou het schilderij geschonken worden ter gelegenheid van het gouden jubileum van de geneesheer (1902-1952). Er zou gevierd en gefeest worden.
En wanneer de kerselaren bloesemden poseerde hij al in zijn kasteel op Rampelberg. Hij koos de zetel, die aan zijn standaardhouding gehoorzaamde. Al een heel tijdje was hij ziek. Het hart, zo had hij mij gezegd, kan toch nog zo weinig verplaatsing doorstaan. Daarom was nu mijn atelier in zijn salon opgesteld.
Ik kende den doktoor reeds als kind. 'k Zie hem nog met de tilbury door onze straten galopperen. Toen woonde hij nog in de Weversstraat. Nu liet hij zich gewillig bevelen: kop goed recht en volledig ontspannen! Hij was groot, niet zwaar maar pezig gebouwd. Steeds ernstig, met doordringende blik; sprak beslist maar praatte weinig. Vaak boog hij zich gemoedelijk luisterend over de kleineren of liet de grote hand lichtjes op uw schouder rusten. Hij hielp waar hij kon, wist wat hij wou en kon eenvoudig en natuurlijk zijn wil laten eerbiedigen. Er ging kracht uit van zijn rijzige gestalte, ook voornaamheid. Het was zijn wens geconterfeit te worden. De beeltenis zou de schakel blijven tussen zijn Gilde en hemzelf. Hij was onvermoeibaar. "Kijk niet naar mij, maar werk zolang ge 't zelf uithoudt". Zijn betrachting gaf hem kracht.
Het portret moest driekwart worden; eens de kop erop, mocht de dokter vrij praten. Hij vertelde over de zonderlinge Pee Klak uit Moorsel, die hij goed heeft gekend als wildopjager in de jachtpartijen; over Pië Tuba, uit Asbeek, over de repetities van de Gilde, waarop hij altijd aanwezig was. Dan vroeg hij een partituur aan de chef, nam bril en potlood, zette zich achter een der beste muzikanten en volgde aandachtig. Hij hield van muziek, verstond en beleefde ze. Thuis bespeelde hij vaak de piano. Naar "den Beer", de wonderbare muzikant-boer en vroegere chef van de Gildemuzikanten, ging nog steeds zijn bewondering. Die vent had een woordenschat om van te snoepen. Zie, ge moest den Beer zijn armen zien openslaan met de baget in de rechterhand en bevelend horen roepen: doet allemaal uw blokken uit! Dat betekende: begin zacht en gelijk. Daarna: "Nu gaan we de kantberries afwerken". Dat betekende: nu enkele details verbeteren! Mooie verbeelding, poëzie, geput uit het dagelijkse boerenleven.
't Was mooi, heerlijk zonnig weer op die 21 juli 1952, dag van het jubelfeest, van de viering van de geneesheer dokter Leon Goossens. Monseigneur Suenens was enkele dagen geleden thuis gekomen om hem het Gouden Kruis van Sint-Rombout op de borst te spelden, voor vijftig jaar dienstdoende geneesheer. 't Kan tellen. En nu stroomden op Rampelberg de Gildebroeders en Gildezusters, familieleden en personaliteiten, vrienden en kennissen, 't "goed" in langs de hoge ijzeren ingangspoort. Aangenaam in het koele lommer der hoge bomen was het te kunnen voortslenteren, stoetsgewijs en goedgestemd. Aan de achterkant van 't kasteel, op het zonnig platform van de verdieping, zat de feesteling in een ligstoel. Sinds hij poseerde, drie maanden geleden, was de ziekte niet verbeterd, integendeel. Maar van hierboven had hij een kijk op het ganse domein. Tussen twee hoge boomstammen en in de schaduw van hun dichte gebladerte zag hij zijn portret mooi opgesteld op chevalet, versierd met rood fluweel. Hij vond plezier in dat defileren vóór zijn beeltenis, biezonder omdat men dan ook eventjes naar hem vergelijkend opkeek.
De muzikanten stonden ordentelijk en voltallig klaar. Alle tafels en stoelen waren vlug bezet. Groepen kapten zich af in zon of schaduw of kuierden rond uit puur plezier. Met volle manden werd het eten aangebracht en het bier en de wijn liepen om het rapst in en uit de glazen. Den Boeren-Breugel leefde. Fortissimo knalde d'eerste maat van de feestmars zwellend over 't "goed". 't Feest brak los en honderden ogen straalden naar boven, naar de voorzitter. Even bleven allen onbeweeglijk staan. De muziek sprak nu. Er stak ineens veel geluk in de kelen, in 't gemoed, in 't hart. Schoon zijn de ogenblikken als muzikanten alles geven, als luisteraars intens genieten het genot van de innerlijke gezelligheid, van de gezonde menselijke waarde. Men wou dat geluk uitschreeuwen of uitzingen... maar 't ging niet. Slechts zij, die wat vocht in hun ogen voelden, zij konden het wel uiten, wanneer hun zwemmende blik traag naar boven kroop en aan het platform stilhield.
Toespraken volgden: "... en toen in 1924 de h. Leon De Coster om wille van zijn gezondheid ontslag nam, riep hij uit: gij krijgt een nieuwe voorzitter, een Leo - dus een leeuw en op deze leeuw zal de Katolieke Gilde mogen tellen". En verder: "Dit geschenk weze de blijvende herinnering van de genegenheid en verkleefdheid onzer leden... ". En Sus Tirry dichtte :
Gij eens de flinke hoogstudent
Die glanzend deedt uw toekomst borgen,
In die beloften lag de kiem
Die groeide tot het fijne vliem
Dat gij zo fijn hanteren kondt,
Waar Cooreman versteld van stond
Als hij u wonden zag verzorgen.
Wellicht dacht de dichter hier aan het drama van de Hoogpoort op 21 november 1918, toen Romain van Marinus daar aan de rand van het bos geschoten lag door de Duitsers in aftocht. Geen enkele chirurg was bereikbaar en Boerke van Ziëper draafde met 't gespan van 't hof naar de Weversstraat, naar dokter Goossens. In die nacht van 21 op 22 november, op een kamerke van 't pachthof, waar het slachtoffer het einde afwachtte, badend in het bloed, met de darmen uit het lichaam, heeft "den doktoor", geassisteerd door twee boerenknechten, elk met een karbuurlicht in de hand, "gelijk een beste chirurgijn die hij in feite bleek te zijn", daar op het nippertje een mens gered met... zilverdraad, zweet, wilskracht en heelkunde.
Pet Van Achter, namens het beroemd kaartspel, stak zijn humor-toespraak af. Zijn mooie ruiker, waaraan een oud spel kaarten bengelde, werd in de armen van de feesteling gelegd... onder oorverdovend applaus, gelach en rumoer. Maar... de dokter lachte niet gemeend, hij begreep immers best dat de klucht in deze humor slechts een heel dun vernislaagje was. Dat kaartspel had inderdaad vele jaren weelderig gebloeid, 't was een klaverke van vier intieme vrienden, dat elke zondag een paar nieuwe herbergen koos, van eender welke kleuropinie. Maar het blaadje van de dokter ging verdorren, die van Cees Rochette en Staafke Proft weldra ook ontrukt; alleen dat van Pet zou nog langer 't stengeltje houden, als vaandrig en symbool van 'n schone tijd, van 'n schone vriendschap.
Er werd gezongen en gespeeld dat Rampelberg daverde.
Vrij laat is de gevierde naar bed gegaan, "maar laat in Jezus' naam de deur en 't venster open", want nog altijd wou hij de stemmen en klanken horen weergalmen van zijn Gilde, zijn vierende Gilde. De nachtelijke jubelkreet: lang leve onze voorzitter, lang leve... doofde in de donkerte over Rampelberg.
Zo is die kopman in zijn brede eigen glimlach, zoetekens ingedommeld, zacht prevelend tot allen: mijn lieve Gildebroeders, ik dank u; de heerlijkste dag heb ik vandaag gekregen van u. Muzikanten! ik omarm u allen. "Geven", mijn goede vrienden, daarin schuilt het hoogste genot.
Nog eventjes moest hij wakker blijven; hij hoorde zijn muzikanten nog "Oude Kameraden" spelen,
Karel de Bauw