Koppen van bij ons:
Manke Fiel
 
door Eugeen Van den Broeck
(uit tijdschrift Ascania 1971-1)
 
 
 
Op donderdag 4 maart 1971 stierf te Asse in de Heilig Hartkliniek Theofiel Van Vaerenbergh, geboren te Asse op 11 september 1889. Hij was dus 82 jaar oud.
 
Manke Fiel!
 
Met hem verdwijnt een van de meest typische volksfiguren die Asse ooit gekend heeft. Wat hem van andere vermaarde volkstypen - wij denken hier aan sjampetter Bondt, aan de Luuë van Tenberg, aan de Sjat, aan Fong van Tierens, - onderscheidde, was dat Manke Fiel ook ver buiten Asse, haast in geheel toeristisch Brabant en Vlaanderen door, gekend was, dat hij geen geweldige, brutale toeren heeft uitgehaald en geen opvallende farsen heeft verkocht, maar dat hij een werk heeft opgebouwd dat de bewondering wegdroeg van de kinderen, de verbazing van de groten en de waardering van de wandelaars en toeristen.
 
Manke Fiel gaat de legende in als iemand die met een in-goed hart, een overtuigde christelijke inborst en een kinderlijke omgang met de mensen, enkele generaties verpozend en verlustigend heeft bezig gehouden.
 
Een wonderlijke figuur, een niet te doorpeilen geest en een object van studie voor psychologen, niet van zijn persoon alleen, maar ook en vooral van het werk van zijn wellicht verwarde verbeelding. Een Freudiaans geval.
 
Wij ontvangen thuis veel bezoek, soms ook uit het buitenland, en telkens, na het noenmaal, trekken wij er met de gasten op uit - zij vragen er trouwens zelf naar: een toerken doorheen het Pajottenland, een kennis- of herkennismaking niet alleen met het landschap maar ook met de mens en vanzelfsprekend met de culinaire geneugten. Zo trekken wij naar "De Kilo" en drinken er oud van 't vat of een weg-en-weer, naar Mazenzele en eten er van de zwarte krakers of de vleeskersen, naar het Natuur- en Vogelreservaat Trod-Dokkene te Opwijk-Nijverseel en proeven er de pikante cider, naar de zandtapijten van Hekelgem en lessen er onze dorst met een donkere Affligem, naar Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek en drinken er een kriek of doen ons te goed aan bruinbesuikerde aardbeien, naar de Morette om er in "De Koekoek" een echte geuze te pakken en... als eindpunt steeds naar Terlinden bij Manke Fiel.
 
- Ha, mijnheer Eugeen Van den Broeck, goeie dag allemaal; merci-astublieft dat ge mij de eer aandoet van een bezoek. Kijkt maar nekeer rond, ge moet niets drinken. Merci-astublieft.
Maar telkens dronken wij een limonade of kochten wij een stuk chocolade... en keken.
 
- Is er iets nieuws van 't jaar, Fiel?
 
- Nee, mijnheer Eugeen Van den Broeck, merci-astublieft, niks bijzonders, alleen een klein toreken bijgebouwd en hier en daar wat scherven. De mens wordt oud en ik kan het zo goed niet meer af. Maar naastejaar ga ik toch weer herbeginnen, zulle. En vanwaar komen Mijnheer en Madam, merci-astublieft l
 
- Van diep uit Holland, Fiel. Van Amsterdam.
 
- Ha, Amsterdam, Londen, Parijs. Ik heb er hier nog van diep uit de Luxemburg gehad. Welkom, Mijnheer en Madam uit Amsterdam. Het es een grote eer voor mij zo'n groot volk in mijn museum te mogen ontvangen. Merci-astublieft. Kijkt maar nekeer rond. 't Is voor niks. De mens moet iets doen om zijne hemel te verdienen.
 
Onze gasten keken dan hun ogen uit hunne kop, vielen van de ene verbazing in de andere, betastten de ingebetonneerde scherven, klommen de trappen op, keken door het kijkgat en bewonderden het prachtige Pajottenlandse landschap. Zij stelden vragen, wilden er alles van weten, van het museum, het ontstaan, de groei, de nooit voleinde opbouw, van Manke Fiel, wat hij vroeger deed, hoe hij er toe kwam...
 
- Nou, dat is een uitzonderlijk geval waar een diepgaande studie over te maken is. Zeer interessant. Ben blij dit gezien te hebben. Wij komen hier nog terug.
 
Er is in ons land geen enkel dagblad dat niet over Manke Fiel en zijn museum geschreven heeft, geen enkele illustratie die niet eens twee en meer volle bladzijden foto's (ook in kleur) aan hem en zijn werk heeft gewijd; er ging in de nabije of verre omtrek geen fiets- of autorally door of de deelnemers moesten een vraag oplossen omtrent de honderden geheimenissen van het Museum Van Vaerenbergh; jeugdbewegingen, ook van buiten Asse, hadden als eindpunt van hun uitstappen en wandeltochten het Museum van Manke Fiel; zondagwandelaars uit Asse en de omliggende gemeenten en zelfs uit Brussel - die Brusselaars zijn niet te tellen - eindigden hun wandeltocht op Terlinden bij Fiel. Vooral de kinderen, in groep of zomaar, waren zijn trouwste bezoekers. Manke Fiel zonder kinderen, neen, dat kon men zich niet voorstellen. Trouwens, werd het materiaal voor de opbouw van het museummonument, en voor de stoffering van de museumetalages niet door de kinderen aangebracht ? Wie leverde de kleurige scherven waarmee Fiel zijn wonderbare mozaieken maakte? Wie bracht hem de munten, de prentjes, de foto's, de wapens, de potten en kruiken, de waardevolle en de prutserige museumstukken? De kinderen!
 
Het is niet voor niets dat het gemeentebestuur van Asse op Terlinden een Museumstraat boven de doopvont hield. Sprak men met gelijk wie over het museum van Asse dan wist iedere Brabander dat men niet bedoelde een of ander kunst- of heemmuseum, maar dan wist iedereen dat het ging over het museum van Manke Fiel. Hij heeft het begrip "museum" te Asse gestalte gegeven. Hij heeft ook bij de ouderen, vooral bij de kinderen, dat begrip ingang doen vinden. En het bleef niet alleen bij dat begrip: hij leerde de kinderen verzamelen, bewaren, een museum, zijn museum, het museum van Asse, van Jan-en-alleman helpen opbouwen. Zo werd het een museum door de kinderen, voor de kinderen, een museum waarvan de grote mensen meeprofiteerden.
 
Het grootste gedeelte van wat Fiel tentoonstelde, was gemeenschapsgoed, was aangebracht, gegeven, geschonken, door gans Asse, vooral door de kinderen. Wij vinden het dan ook bijzonder spijtig dat, nu die goede Manke Fiel dood is, de vele waardevolle museumstukken - waardevol voor een museum, niet voor een privé-verzamelaar - verstrooid zijn geworden. Wat Fiel opgebouwd had, kwam grotendeels van de gemeenschap en moest, ons dunkens, terug naar de gemeenschap in een dorpsmuseum terecht gekomen zijn.
 
Welke stielen heeft Fiel vroeger uitgeoefend? Van éne zijn we zeker - dat heeft hij ons herhaaldemalen zelf verteld, Fiel was vroeger zeeftenmaker. Een stiel die nu praktisch niet meer bestaat. Hij maakte allerlei zeeften voor de boer en soms ook voor de maalders: fijne, ronde zeeften. Geduldwerk en stielkennis. Onverslijtbaar ambachtelijk werk. Manke Fiel was er een specialist in. Met zijn museum begon het pas voor de jongste oorlog en onder de oorlog kreeg het zijn eerste definitief cachet. Fiel bouwde voor de eeuwigheid : stevig en zwaar, met beton en dik in de cement en daarover een laagje kleursel: pastelkleuren, met veel hemelsblauw. Als decoratie: mozaieken van scherven afkomstig van mooi porcelein; soms kostelijke kruiken in hun geheel voor eeuwig en altijd ingebetonneerd. Bouw, kleur en decoratie kwamen zonder plan, zonder lijn, zonder eenheid tot stand. En toch groeide alles uit tot één sprookjesgeheel. Hoe verward en hoe richtingsloos alles ook naast, op en boven mekaar kwam te staan toch kreeg men de indruk van eenheid, een blije, zonnige, kleurige, verwarrende eenheid die iedereen verblufte. Het geheel en de details waren, bewust of onbewust, een onafgebroken ketting van verrassingen. En dat juist was het succes bij Fiels werk. Zijn schepping - want hij was als een god-de-vader die haast uit het "niet" schiep - stak vol lachwekkende - ik zeg niet belachelijke - verrassingen die groot en klein op het lijf vielen, versteld deden staan, deden lachen, uitroepen uitlokte en de hoofden deed schudden.
 
- Maar hoe komt ge daartoe, Fiel? vroegen de mensen dan.
 
Die eenvoudige vraag klonk voor Fiel nog veel te geleerd. Ge moest vragen: Hoe hebt gij dat weeral gereed gekregen, Fiel? Ge moest niet vragen waarom, maar wel hoe en waarmee en voor wie.
 
- Ha, mijnheer Eugeen Van den Broeck, merci-astublieft. de kinderen brachten mij weeral wat scherven en vaasken en ik moest die toch ieverst een plaatsken geven. En zie, zo komt dat. De kinderen hebben daar plezier aan. En ge moet in 't leven mekaar plezier doen.
 
Zeg nu nog eens dat het geval van Manke Fiel geen psychoanatisch geval was, een Freudiaanse studie waard. Ik heb reeds enkele grote verdiensten - altijd betrekkelijk grote - opgesomd maar dat is nog niet alles. Fiel woonde op een van de schoonste plekjes van Asse-Terlinden, een parel van het Pajottenland. En hij bouwde zijn trappen en verdiepingen, zijn terrassen en balkons en torekens zodanig dat men dat Bruegellandschap op de meest voordelige wijze kon bewonderen. Hij had zelfs een hem eigen oriëntatietafel - of beter: oriëntatietorentje - gemaakt: een brevet van Fiel. Doorheen kleine gaatjes kon men het landschap in verschillende richtingen bewonderen. Mag Fiel de vader van het Asses museumwezen genoemd worden, hij was tevens het aantrekkingspunt, de magneet en de public relationman van het Asses toerisme - op zijn manier, en alles relatief bekeken.
 
Moeten wij u zijn portret nog nekeer maken? Een magere, haast nietig mannemensken, rechtop, met zware baanschoenen of op zijn blokskes, een flodderige zwarte broek, een kouwelijk loshangend blauw kazaksken, een zwart zijden mutsken... Een verrimpeld gezicht met precies wat teringachtige blozende kaakskes, een grote, grijze, bijkanst vieselijke moustache en rood omrande altijd tranende oogskens. Hij trok zijn een been wat aan. Zijn stem was zangerig naar een hoge noot toe. Altijd beleefd: merci-astublieft. Als hij met "geleerde" mensen sprak, trachtte hij beschaafd te spreken :
 
- Een mensch moet immer beleefd zijn; met de hoed in de hand, komt men door heel het land!
 
Hij sprak veel met spreuken, alleen met algemeen gekende spreuken. Zalvend, lessen gevend, prekend, gelijk een halve bijbelse profeet. En dat klonk niet belachelijk. Men kon ten hoogste nekeer gremelen. Maar de kinderen die keken op, met grote ogen, met ontzag en gewillig.
 
Van alles afblijven, menneken: eerlijk duurt het langst. Wat van een ander is, is niet van u en moet ge respekteren. Ook later, als ge groot zijt.
 
Op de muren van zijn fantastische bouwwerken, stonden reuken die een museum en een kerk waardig waren.
 
Hebt gij Fiel dikwijls horen of zien lachen? Ik niet. Hij was altijd naar de serieuze kant. Nooit kribbig, nooit hettefrettig.
 
Ha, mijne vriend - Op wandel? En is dat uw vrouwmens? Een schoon masken. Ze ziet er braaf uit. Mekaar respekteren, joengsken, dat duurt het langst en dat is het schoonst. En voor wanneer is't? Proficiat. Merci-astublieft. Muzikaal aangelegd? Wij gaan dat niet beweren. Hij zong, op aanvraag, zijn lijfstuk, op de manier gelijk wij dat op elke trouwpartij zouden horen: wat stijf, accentloosweg, wat vals... 't Was hem alleen om de woorden te doen. Zijn kramakkig trekzaksken deed even kramakkig mee tot het vóór enkele jaren voorgoed slook is gevallen. Wij luisterden allemaal naar zijn lied omdat hij zo gemeend hartelijk en overtuigend zong.
 
Een farseur? Geen apprentie van. Hij heeft nooit of jamais een vlieg kwaad gedaan, geen mens in 't hart gestoken, ook niet met een forsig of scha woord, want ge kunt, zonder dat ge 't weet, iemand met een zot woord diep kwetsen. Dat zat in Fiel niet in. Zeker geen brutale farsen, geen bulderend gelach, maar slechts een simpatiek open lachsken van "allee, het leven is schoon en we moeten ook nekeer kunnen lachen".
 
Hijzelf werd weleens getempteerd. Door de kinderen, wel te verstaan - de grote mensen hadden voor Fiel een bewonderenswaardig kinderlijk respekt.
 
- Maar ja, hoe zijn de kinderen. Ge moet hen dat vergeven. Ik kan daar tegen. Ze menen het niet want morgen brengen ze mij weer schoon koleurige scherven. Ze zien mij geern, joeng. En ik zie ze ook geern, zulle!
 
Er stak geen kwaad in die mens!
 
Allee, en zo ne mens moet sterven en van ons weggaan. En zijn levenswerk moet verdwijnen. Ne mens leeft na zijn dood twee keren voort: in de eeuwigheid met zijn ziel, en in de tijd met zijn achtergebleven werk, stoffelijk opgebouwd werk en onstoffelijk in de herinnering van de mensen.
 
De lansen en geweren, de penningen en de vazen zijn reeds verdeeld, naar 't schijnt. Misschien is alles al weg en pronken er al stukken ergens in een wreed schoon salon te Brussel! Straks zullen de gebetonneerde sprookjesmuren de grijparmen van de bulldozer voelen. En de vraag van de rally zal luiden: Wat ziet gij op de plaats waar het museum van Manke Fiel heeft gestaan? Waar zullen wij met onze vreemde gasten nog naartoe trekken? En de Assesse zondagswandelaars, de jeugdgroeperingen, de Brusselaars, de toeristen?
 
Wij hadden verleden jaar nog afgesproken met een filmman om in het museum van Manke Fiel een sprookjesfilm te draaien: met een mooi prinsesje, een pronte prins, een vieze heks, een afschrikwekkende draak en Manke Fiel, zo gelijk hij altijd is geweest, als torenwachter. Een sprookje waarvan de kinderen zouden gedroomd hebben en waarin Fiel omzeggens de hoofdrol, de sleutelpositie zou innemen. Alle, 't mocht niet zijn. Wij komen te laat. Wij zijn dikwijls te laat, wij grote mensen, die het schone en het goede willen maar er meestal gene komaf mee maken.
 
Hoe zou Manke Fiel gestorven zijn? Zijn broer Rie een paar uurkes na hem thuis. Maar Fiel in de kliniek!
 
Hij is twee-, drie keren dood geweest. In de mening van de mensen althans. Was hij ziek en was 't museum gesloten en Fiel in de kliniek... dan ging de mare dat hij dood was.
 
Maar stoemmelings verscheen hij weer op het toneel. Tot, ja, tot het dan toch serieus werd. Opgenomen in de kliniek.
 
De masseurkes en de infirmjeirkes hebben hem bijzonder goed opgepast.
 
- Eigenlijk was hij niet ziek, zulle, meneer, maar versleten. 't Hart, hč, mens. Tot de laatste dag nog gegeten en gedronken en bij zijn volle verstand. Geen ambras mee gehad. Hij was niks lastig. Kolossaal beleefd: Merci-astublieft, masseurken. En onderdanig: Ge hebt gelijk, juffrouw, ge hebt gelijk. Beleefd en opgeruimd tot de laatste moment en met zijn volle goesting berecht en alles gehad wat Ons Heer betreft. Bezoek? Van oud en jong. Veel kinderen en al wat in de kliniek verzorgd werd en te been was, en al de bezoekers gingen Fiel een goede dag zeggen: flessen wijn, en fruit en toerten. Allee, alles brachten ze. Merci-astublieft, mensen. Hij werd algemeen door iedereen geerne gezien. Een schone mens, schoon gestorven.
 
Fiel, joeng, wij mannen van "Ascania", van de heemkundige kring en van het dorpsmuseum-in-wording, zijn maar beginnelingen, in alles, ook in beleefdheid en onderdanigheid en hulpvaardigheid. Wij hebben veel van u geleerd, toen wij nog klein kadeeën waren, en goesting kregen in scherven en oud gerief. Gij zijt ons voorafgegaan...
 
Het is dus maar goed dat wij in ons lijfblad over u dit zeer gebrekkig artikel schrijven.
 
Ik zie Fiel aankomen aan de hemelpoort...
 
Het Guldenboek, Fiel - wij hebben er u in 1942 nog een bezorgd en na drie weken stond het vol namen en handtekeningen en spreuken, meestal van de kinderen maar ook van grote mensen en geleerden die in uw simpelheid en eenvoud geloofden - het Guldenboek lag daar op een klein tafelken bij Sinte Pieter. 't Is precies of ik hoor deze zeggen:
 
- Zijt gij daar, Fiel? Hier zie, teken het Hemels Guldenboek met dees gouden pen...
 
En gij hebt cito getekend en "Merci-astublieft" gezegd tegen Sinte Pieter en toen, toen zaagt gij voor u een paradijselijk sprookjespaleis en gij waart er direct thuis.
 
Als 't zo niet gebeurd is, mijne kop-af.
 
Eugeen Van den Broeck
13 april 1971