Koppen van bij ons
Jefken den Baard
(Jozef Verbrugghen)
door Fons Vastersavendts
't Is volop oorlog. Duitse soldaten komen Asse binnen en lopen op de stille steenweg langs de gevelmuren. Wij hebben ons allen samengetrokken in de grote gewelfde kelder achteraan de binnenkoer : Pierre van 't Hotel, Mieken, Louis en Lisette, Louis Rochette en Zander, Staaf van Niskes met Leonie, Marcel, Kamiel, Simonne en Emma en daar langs de brede arduinen trap het ganse gezin van rechtover ons deur : Hilda, Paula, Lucie, Florent, Robert, Godelieve en Marcel met middenin tante Henriette en Jefken den Baard, Jefken Verbrugghen, die eigenlijk Jozef De Smedt heette, maar genoemd werd naar zijn moeder Marieken Verbrugghen.
Daar heb ik hem, naar mijn herinnering, voor 't eerst gezien: klein, weinig grijze haren, en grote grijze baard, een streepbroek, een giléken en achter een fijne kleine bril twee pieterige ogen... Voor mij toen, was hij zó geboren en was hij, zoals wij, nooit kind geweest. Ook toen gaf hij de goede raad : met mij en Hilda op de arm zouden mijn moeder en tante Berta even boven gaan om vlug te kijken wat er op de steenweg aan 't gebeuren was...
Zo begon de oorlog en met hem mijn kinderleven. Daar er toen geen speelgoed was, en de buren allen vrienden waren, ben ik opgegroeid in dat grote warme huis en was ik er als een jongste jong in 't grote nest. Samen met-zijn kinderen ben ik daar voor 't grootste deel gekneed tot wat ik later worden zou.
Genietend van de stilte, waarin men enkel de oude. klok nog hoorde, heb ik er leren lezen in zorgvuldig voor de kinderen gekozen lectuur. Elke zondagvoormiddag werd de bibliotheek bezocht en werd een voorraad boeken aangebracht. Dat hij ons lezen deed, wist ook Karel De Bauw... zou hij niet enkele jaren later één van zijn mooiste werken schilderen in dat mooie huis... "Verboden lectuur" met over de schouders van de slapende vader zijn leesgierige kinderen lezend in wat hen verboden was.
Nooit hoorde ik een luider woord en toch was hij de strenge vader... die nooit straffen moest. Enkelen uit de jeudige bende ervaarden "ons vader" als te streng, maar... was hij wel zo streng? Nooit heb ik hem aldus gekend en kwam hij mij in tegendeel als minzaam voor, vooral vol zorg voor de kinderen rondom hem. Veel later heb ik ingezien dat deze stille man steeds is blijven dromen van de grossfamilie met aan 't hoofd de zorgzame vader die hij altijd is geweest. In het steeds voortschrijdend individualisme dat vandaag ook de nog jonge ongehuwde kinderen het ouderlijk huis uitjaagt, is hij wellicht een van de laatsten geweest die de samenhorigheid en het echte samen-leven van het ganse gezin heeft mogen smaken. Dat samen-zijn, het samen bidden en samen zingen waarvoor hij zoveel aandacht had, zullen voor zijn kinderen wellicht één van de mooiste herinneringen zijn. 's Vrijdags werd, bij zonnedagen, de grote tafel buiten op de koer gezet,en helemaal wit geschrobd om de zondag daarop met 't grote grijs en rood geruite tafellaken gedekt te worden. Langsheen de muur de zware bank, waarop ook ik mijn plaatsje had, vader zat in de zetel "op de kop" van de tafel terwijl de kinderen, naar de leeftijd, aan weerszijden van de tafel hun vaste plaats hadden. Steeds te zeven uur werd het avondeten klaar gezet en was iedereen samen, eerst voor een kort gebed (en in de meimaand 't rozenhoedje) en dan voor een gezellig "aan tafel-zijn". Weinigen is het vandaag gegeven dit geluk te smaken.
Diepgelovig als hij was, was wellicht zijn onvoorwaardelijke overgave aan Gods wil hem een grote hulp geweest in de zware tegenslagen die hem troffen. Christelijk als hij was, bleef hij toch zeer kritisch ten overstaan van sommige bedienaars van zijn eredienst en was niet iedereen even welkom in zijn huis. Ook deken De Coster kon aan zijn kritische bemerkingen niet ontsnappen. Later moest ik inzien (mijn eerste schoolstrijd die katholieken en anderen (ik durf hier het woord vrijzinnigen nog niet gebruiken, want we gingen allen naar de kerk en waren allen - zeer - katholiek opgevoed) tegenover mekaar stelde, brak los in 1947) dat hij toen reeds, al was hij zo conservatief ingesteld, zijn kinderen de grootste verdraagzaamheid heeft meegeven.
Was dit fel verminderd na het heengaan van zijn veel te jong gestorven vrouw Maria Van Meerbeeck (van wie 'k mijn moeder nog steeds hoor zeggen dat ze schoon zwart haar had en toch zo braaf was), dan was hij voordien zeer actief bij meerdere verenigingen. Zo was hij vooral doende met christelijke en katholieke werken (zoals de H. Kindsheid bvb.) en niet in het minst met de helaas vandaag teloor gegane toneelvereniging "Uit houwe troue". De decors, kostumering en requisieten van deze toneelgroep werden ondergebracht op de grote zolders en in de schuur (tijdens de oorlogsjaren voor ons de uitgelezen plaats om ons te vermaken); zelf niet op de planken was hij vele jaren één van de stuwende krachten achter deze vereniging die in onze gemeente een belangrijke (en dit niet alleen culturele) rol heeft gespeeld. Bij zonnige zomerdagen, och, waar is die mooie tijd toch..., zat de ganse steenweg op straat. Aan de zonnekant, langs de warme gevel, zat het ganse gezin buiten op de stoep. "Ons vader" zat er in zijn zetel en langs weerszijden van hem de kinderen op een plooistoeltje.
Terwijl ik dit tekstje schrijf is 't herfst geworden met gekleurde blaren en vallende noten van een moe geworden notelaar, 'k Heb er enkele geraapt, deze middag bij dat mooie zonneweer. Straks zal ik ze voorzichtig kraken en de helften ongeschonden laten, want over een goeie twee maanden heb ik ze nodig : ik zal ze kleuren in zilver en in goud, ze zullen blinken in de kleurige denneboom wanneer het Kerstmis is en 'k zal weer denken aan de tijd van toen... Hij zal zijn zetel naast het groot fornuis in de grote keuken hebben verlaten en wij zullen ons hebben teruggetrokken in de kleine voorplaats die met de Leuvense stoof beter te verwarmen is. Zijn zetel staat er, rechts van de stoof en daar zal hij lezen. In de hoek langs de straatkant staat de Kerstboom tot 't plafond met daarin ook mijn zilveren noot en mijn uit hout gesneden rood gekleurde vogel: 'k Zal 't Kerstliedje zingen met U mee en hij zal weer gelukkig zijn.
En op Kerstmis zal ik 't pakje mogen plukken van een te hoge tak en gelukkig zijn, ook ik, voor 't rood portemoneetje dat ik van hem kreeg, dat ik tot 't einde mijner studies bij mij droeg en dat ik nu bewaar als een relikwie nog steeds gevuld met al de vriendschap en de goedheid die 'k bij hem gekregen heb.
Fons Vastersavendts
VADER
door Robert De Smedt
(uit Ascania-tijdschrift 1959-3)
Grauw en stoffig was het ding dat boven tegen de muur hing, en helemaal uitgerafeld. Dat het eertijds goudgeel en vermiljoen geschitterd had, kon men wel vermoeden, en dat het ding zelfs ééns een vaandel was geweest, maar dan in miniatuurformaat, kon men zelfs heel duidelijk merken. Doch voor het overige was het voor ons, kleine mannen, erger dan voor Adam en Eva de verboden vrucht uit het Aards Paradijs. Het was het heilige der heiligen, en daar moesten we afblijven.
Gij die dit leest en allen folkloreliefhebbers zijt, zult wellicht de houding van onze vader begrijpen, want het fameuze "ding" was de trots van de eerste wielrijders van Asse geweest, de vlag der wielrijders. Wij zagen er naar op met een soort bewondering, doch diep in ons voelden we toch de ernstige twijfel of zo een versleten lapje stof aan een bamboestok wel rechtmatig zulk een hoge plaats bekleedde in ons huis. Denkt maar eens aan, wat al genoegen en rijkdom voor ons, snotneuzen van 10-12 jaar, die mooie bamboestok niet zou geweest zijn ! Dat lapje eraan kon men ons stelen. Het was immers niet groot genoeg om ons tot karnavalkostuum te dienen. Maar juist dat lapje was het, waar vader van hield. Gelijk hij diep in de schuif van zijn bureel nog dingen bewaarde die voor ons mooi speelgoed zouden geweest zijn. Maar ook dat alles was taboe. Later kwam ik te weten dat die ronde stenen platen met koddige tekeningen op, welke in die bureellade lagen, patakons genoemd werden en dat het oude boekje op slecht papier, dat daar in de buurt lag, een van de zeldzame exemplaren was van de geschiedenis van de mirakuleuze Heilige Kruisen van Asse.
Vader hield van die dingen, en als we groter waren, vertelde hij vol heimelijke trots over die rijkdom. Want voor hem was folklore geen hobby, doch een band met al het schone en typische van ons Brabantse volk. In de laatste jaren van zijn leven begon hij zelfs een idiotikon aan te leggen. Woorden en zegswijzen, -eigen aan de mensen van onze streek, - Er waren woorden bij die wij nooit gehoord hadden, omdat ze stilaan wegvielen uit het taalgebruik, en die nu uit de vergeethoek werden gehaald. Vader hoopte dat ooit iemand van ons er zich zou aan interesseren, en daarom bewaarde hij dat. Nu, veel later, beseffen wij beter wat hij bedoelde en gedaan heeft voor ons eigen schoon. Nu herinneren wij ons weer de eerste vertelselkens over Kleudde met zijn keet, verschenen in "Eigen Schoon en De Brabander", waaraan vader trouwens een der eerste medewerkers was. Die verhaaltjes had hij opgetekend als een echt verzamelaar, met de metikuleuze zorg die hem eigen was. Zo lag er boven in het kamertje, waar de wielrijdersvlag van de eerste fietsende Assenaren hing, ook een verzameling liederen, waarin de wrede moord van hier en het smartelijk ongeluk van ginder, bezongen werden door de marktzangers en de kerkdeurtroubadours. Waar die liederen thans heen geraakt zijn, weet geen van ons, wat natuurlijk heel spijtig is.
Een hele verzameling doodsbeeldekens, twee sigarenkistjes vol, had hij ook bewaard, nog uit de tijd van grootvader, die koster was. Maar ook dat is, langs onze vandalenhanden om, in de vuilnisbak terechtgekomen.
Een betere raadgever en wegwijzer dan vader konden wij ons niet dromen, toen wij op een van onze snuffeltochtjes door oude paperassen, die op zolder in een kist lagen, een stukje stamboom gevonden hadden en het in ons hoofd hadden gehaald die aan te vullen. Wat al perijkelen ons toen nog te wachten zouden staan, konden we moeilijk bevroeden, maar met vaders hulp zijn we ook daar doorheen geworsteld, zodat we nu op een stam-boompje mogen bogen waar heel wat liefhebbers in het vak jaloers kunnen op zijn.
Dat onze vader op het gebied van folklore zijn sporen heeft verdiend, staat buiten kijf, en toen me gevraagd werd daar eens een zo mogelijk chronologisch stukje biografie over te plegen, toen heeft men me een zeer moeilijke taak opgedragen, Hoe wilt ge immers hoe ik bijvoorbeeld de werkzaamheden van vader zou beschrijven bij die Gasthuistentoonstelling in 1928 of bij de verscheidene Guldensporen- en andere stoeten van vóór de oorlog, waarin de folkloristische kant toch steeds een groot aandeel heeft gehad? En heeft de sinds lang verloren gegane "Volksontwikkeling" en de nog steeds bloeiende toneelkring Uyt houe Trouwe geen zeer effectieve werking gehad voor de vrijwaring van eigen schoon en volksleven? Maar om daarover te schrijven zou ik bij hen te rade moeten gaan, die ooit met vader hebben samengewerkt, toen ik nog een schooljongetje was met de vaste overtuiging dat het klimaat in Achter-Indië veel belangrijker was dan al die rijkdom en schoonheid rondom ons en in de ziel van ons Brabantse volk. Telkens ik een der ouderen herinneringen hoor bovenhalen over vieringen en huldigingen, wordt vaders naam er onvermijdelijk tussen genoemd, en daarover ben ik fier.
Wij, kinderen van Jefke Verbruggen, zoals vader bekend stond, weten zeer goed dat het niet zozeer om onze eigen kennis is, als wij soms bezoek krijgen van de een of ander, die ons komt vragen eens een jaarschrift op te stellen voor de inhaling van een nieuwe pastoor of burgemeester of voor een jubilee van zoveel jaren getrouwd. "Uw vader kon dat ook zo goed..."
In die folklore die vader lief heeft gehad, zal hij zelf ook blijven voortleven. Of wist ge soms niet dat ons pompierskorps een eigen lied bezit, dat ikzelf nog nooit gehoord heb, maar waarvan ik weet dat onze vader de "vaarzen" heeft aaneengeregen?
Alles bijeen is dit artikeltje heel wat langer geworden dan ik voorzien had, en ik ben er vast van overtuigd dat het ver van volledig is.
Hoe spijtig toch dat onze vader Ascania niet meer gekend heeft!
Robert de Smedt