Koppen van bij ons:
Pië Tuba
(Pië Stek)
(1871-1963)
door Karel de Bauw
(uit tijdschrift Ascania 1963-3)
Honderd stappen verder dan de laatste kronkel van de Putberg, daar woonde Pië Tuba. Ge mocht hem ook Pië Stek noemen. "Stek" was meer bedoeld voor Asbeek zelf en de Asbekenaren wisten waarom. Hier in de Steenweg was het eerder "Tuba". De muzikant en het instrument werden daarmee inééns bedoeld. Kwam er iemand met: ben ik bij Petrus Van Vaerenberg? Ha, neen, geen ijle streken en Pië zond u bravekes door. Aan de overkant van de straat grensde het bos van de Putberg. De lange voorgevel was in drieën verdeeld. Rechts was de herberg; op het uithangbord las men "In den Tuba", In het midden de winkel ; doch één ingangsdeur voor staminee en winkel. En links was het werkhuis : Pië Stek was schrijnwerker. Hij bewerkte ook wat land. Maar hoofdzakelijk was hij muzikant, 'n beste tubaspeler bij de Gilde. Hiermee kent ge zijn vijf stielen: herbergbaas, winkelier, schrijnwerker, boer en muzikant.
Nu is het huis veranderd: geen herberg meer, geen winkel en ook het werkhuis is verdwenen (althans beneden). Sinds 1924 is het een driewoonst geworden, nadat zijn oude moeder en ook zijn vrouw kort na elkaar gestorven waren. De mooie oude herbergdeur doet nog haar dienst; ze heeft immers nooit de brandende zon gekend. Het ganse huis staat de hele dag in de lommer van de hoge bomen. Vandaag is het 21 augustus in 1952. Een maand geleden, dag op dag, zag ik Pië Stek nog op het jubelfeest op Rampelberg. Men klopt nu op die herbergdeur. Eigenaardig. Nevens u, aan de muur, hangt nog de paardering. De deur piept traag open, en daar staat Pië Tuba in de deuropening. Hij paft aan de zware kromme pijp, maar schijnt precies het doel van mijn bezoek te kennen. Inderdaad: den doktoor had hem immers gezegd: in 't kort komt de schilder bij u en laat er u maar schoon opzetten.
In het ganse huis is beneden zeer weinig licht. Op de zolder is een werkhuisje gemaakt voor de schrijnwerker-bij-gelegenheid. Uit het grote zoldervenster valt mooi licht; het speelt op oude spinnewebben en bestoft alaam. Het is jaren geleden dat hier nog serieus gewerkt is. 'n Uur later zal Pië Tuba hier pozeren... met z'n volle goesting. Getooid met de grote strooien zonnehoed zal hij uitgebeeld worden als Brabantse boer ; blootshoofds met de lederen voorschoot : de schrijnwerker ; met de zijden muts, rode sjaal en kromme pijp wordt het "de schalkse boer". Terwijl dat alles groeit, komt mijn model spontaan los:
"Hier ben ik ingetrouwd. Eigenlijk ben ik van Pullewaa en ik ben daar gebleven zolang ik jongman was. "Den Beer" was ook van daar. Hij woonde nog geen boogscheut van t'onzent. Ne biezondere piston was hij en ik, ik was tuba en ofschoon ik het zelf zeg: "Ik kost mijn partie". O, dat was toch 'n schone tijd toen bij de Gilde. Op weg naar de repetitie, aan Mans; Boer, voegden de muzikanten van Pullewaa zich bij die van Asbeek. En met onze zestienen trokken wij 's winters altijd al spelend over de donkere Geestkouter, zo langs Cooremanneken den berg op naar Asse. Aan Waeters - 't huizeken is nu afgebroken - bleven wij even staan. Waeters stond ons af te wachten op zijn brugsken. Al de muzikanten vormden dan een nauwe kring rond hem, en de Waeters kreeg zo zijn pardeblee-serenadeken. Eens toch waren, gedurende de pardeblee, enkek mannen het lemen boerderijtje binnengeslopen en sleurden al de meubelen en ook de stoof buiten, 't Laatste stuk was de tafel met het geweer erop en de brandende petrollamp. Er was voor ons geen onmiddellijk gevaar, want wij stapten muziekmakend verder en Waeters bleef ons toch nog lang nakijken. Hij heeft nooit geweten dat "den Beer" en ik zelf ook tussen die meubelkwestie zaten... Zie, dat was 'n tijd !... We speelden meid en knecht van onder de koe".
"Als Pullewaa en Asbeek niet op de repetitie waren... awel dan was die om zeep. Ik was tuba-solo en ben dat gebleven tot ik al mijn tanden kwijt was. Dan heeft Jef van Bettekes mijn plaats gepakt en voor dien tuba lang ik nog mijn mutsken af. "Den Beer" die had 'n ijzeren ambosjuur en Boeintje, hum!". Pië Tuba stak hier zijn wijsvinger in de lucht ter bevestiging.
"Met die mannen heb ik vroeger jaren nog in Essene gespeeld; we waren de trots van 't dorp... Ik had in mijn leven maar één vijand en ik ga u dat eens vertellen: 't Was nog vóór 14-18, dus heel lang geleden, dat de Poes van Cleirens om een klomp pullekens in onze winkel kwam. Op de winkeltoog stond nog een houten grillewerkje. Toen ik mij omdraaide om de pullekens aan de Poes te geven, spatte ineens een rot ei op mijn gezicht kapot. En de Poes weg. 'k Wist niet waar kruipen van de stank en de koleire... Maar nog geen drie dagen later sleurde ik de Poes uit de melkwagen van Leon Slap. 'k Heb er tegen onze gevel tien minuten mijn goesting mee gedaan... Later heb ik geweten dat de drie mannen : Poes, Prains en Fleüt, lotje hadden getrokken voor dat rot ei; 't lot viel aan de Poes en hij hield woord...
Speelde ik later niet meer mee, naar de repetitie ging ik toch. Als ik daar aankwam had ik toch mijn twee of drie glaasjes "joenk" al binnen. Den doktoor zijne raad vergeet ik nooit: "Pië, 'k 'n kan u geen betere medecijn geven". En ik heb er mij altijd goed mee bevonden... Een zekere repetitiedag moesten de muzikanten op Jef van Bettekes wachten. Volgens de voorzitter moest hij zich nog wassen. Toen ik daarop zei dat ik mij in de week maar een beetje 't stof afdeed en slechts op zondag wat water nam... toen lachte den doktoor hardop... 'k weet niet waarom".
En Pië Tuba die vertelde voort, voort... Verschillende keren werd hij uitgebeeld, maar met "schalks type" trof ik best de nagel op de kop. Hij stierf dit jaar op 26 maart in het zicht van de lente. Van zijn 92 doorleefde winters, was de laatste de strengste geweest. Muzikant van het goede soort, man van de zware arbeid, van de ruwe grap en de losse ravotterij, toch was hij volgens sommigen 'n beetje "reêit".
Vierenzestig Ceciliafeesten werkte hij af, tot de laatste man. Pië Tuba was een van de vele uitstervende volkse figuren, waarop noch kasteelheer noch sjampetter de greep kon vinden... omdat alles gebeurde in de sfeer van lol en fuif, omdat het volk achter hen stond, ze lief en nodig had, en omdat uit hen als uit de dingen de bekoorlijkheid kwam, die de emotie in ons verwekte.
Karel de Bauw