Koppen van bij ons:
Soë Des
door Frans Goossens
(uit tijdschrift Ascania 2002-4)
'k Heb het al nekeer iveranst geschreven, als Rieke Flek begost te vertellen over zijn vrolijke belevenissen met soemegste van zijn tijdgenoten kwamper geen inne aan, zeker over Soë Des geraakte de Flek niet uitgebabbeld.
't Was waar, Soë Des was den eersten den besten niet. Ge kon er gene kop aan krijgen, aan die kastaar, ge wist nooitnie wat g' er aan had, met 't serieuste gezicht van de wereld kost hij u zakken opgeven waar ge niet goed van waart, en dingen uitspoken waar ge in de verste verte geen gedacht van had. Soë durfde al wat ge maar kost peinzen of denken, hij ging voor niks of niemand uit de weg, veu giëne minsj op de wereld. En boenken afgeven, om u kreupel en nen boeilt mee te lachen. Maar ge moest attense doen met dat lachen, want Soë was nen hakkelaar, hij pakte nogal nijg naar zijn woorden, dat maakte zijn sappige uitlatingen nog plezanter, maar ge moest attense doen zeggek, want als Soë in 't snoitten kreeg dat ge hem uitlachte koste een hitte gevuiten.
Soë Des was niet te groot van steek, maar pasop, ge mocht er nekeer tegenlopen, ge zaitter u aan mispakt hebben. Een puntige moestasj sierde zijn bovenlip. Schrijnwerker van stiel en stammeneefilosoof bij uitstek, nen hètte viezen, maar dan in de goeie zin van 't woord welteverstaan, en zoals wij zoveel van die viezemannen kenden in ons dorp in die tijd. Soë woonde daar, samen met zijn vrouw Berlin, op de hoek van de Meulestraat met de Kwakstraat, in een klein winkelken van specerijen, ne vêusschoët groot. Alles koster krijgen, van sellesoe tot wasspellen toe, en kemelsvait. En proper en goed gediend. Altijd vriendelijk met haar kalanten en in de weer, Berlin, ze was de goedheid zelve. 't Mensken is in haar leven ewa tegengekommen met die galjaar van hare Soë, 'k zeg u maar dat.
Ze ging zo nekeer kommisses doen naar Brussel, een hele bedoening in die tijd, naar 't stad gaan, peis dat nekeer, en ze had Soë op 't hart gedrukt van goed op de deur te letten onnertussen, want Berlin kende hare zot, ze wist maar al te goed dat ze van Soë alles kost verwachten.
" Se… slopt op twie oëre, ma… asken ", zei Soë.
En Berlin was nog niet goed buiten of Soë vees de deur uit haar hingsels, pakte ze op zijnen drug, die deur vaneigen, en trok ermee bij Venger achter een klainte geus. En tegen dat Berlin thuis kwam hing de deur vedroem op haar plaats en gebaarde Soë pesies of datter niks was gebeurd.
In 't begin van 'n oorlog van veertien achttien zat Soë Des als van gewoonte op zijn gemaksken op de vensterbank van 't stammenee van Poeljaares in de staasestraat alles in d'oog te houden en af te letten, als daar twee Duitse Uhlanen te paard passeerden.
En dien enen Uhlaan hoog tronend vanop zijn paard, triomfantelijk tegen Soë : " Brussel, gans kaputt, gans platt ".
En Soë zonder hakkelen deze keer, en zonder een spier van zijn gezicht te vertrekken : " A bêuzze, zê manneken ". " Auch platt ", zei dien Duits. Hij vermeende het beursgebouw in Brussel.
Soë Des stond aan 'n toëg in 't Pottekot, onner de bumkes aan de gemainteploits, als 'n Doggen van Walfergoem daar kwam binnen gestesseld.
" A… a … awel, waa goidde ge… gaë naatoe, hé ka… ammeraat ? ", informeerde Soë.
En 'n Doggen g'eksplikeerd dat hij bij Zjefken Tistaët achter keperkes gink en datn hêum moest hosten want dat Zjefken toedeed om twêullef uren.
En Soë tegen 'n Doggen datn deveu zover niet moest gaan, en datn maar moest meegaan bij Soë thuis, datter hij daar nen helen hoop had. En 'n Doggen sebiet 't akkoord. En geed ons nog iet. En loit ons nonnekie drinken. 'T Iën achter 't anner.
En op de langen duur 'n Doggen aan Soë gevraagd hoe daddat nu zat met die keperkes.
" Ke… Kom ", zei Soë, en ze stapten het op naar de Meulestraat, en daar loodste Soë 'n Doggen mee naar zijn stalleken. Maar vaneigen, in dat stalleken was geen keperken te bespeuren, nog met gene verrekijker. En 'n Doggen, met ne stijve vloek aan tegen Soë : " Awel, waa zitte naë mê â keperkes ? ". " Ste… ekt â kop oemhoëg ", zei Soë, " ma… ain panne ligger op ".
Op ne moindag van Brusselkerremis stapten Soë Des, de Flek, Tie Pandul, en nog iënegste Brusselwerkers van wie ik mij de naam niet rappeleer, aan 'n alleevert van den trein, niks in form. Ge kost het zo van hun gezicht aflezen datter geeneneene goesting had om gaan te werken.
Wettewarre, ze gingen zij eerst de zondaagse naweeën doorspoelen in een van de vele kavittes aan 'n alleevert. In die tijd wir dikkes en veel ne moindag gemokt. 't Is te zeggen, op zwadder gaan in ploits van te werken. 't Moesten allemaal geen soekkeleis zijn, debaë, achter ons kommer anner, en als de patron van zijn oren miek pakten ze hun boeilten bij mekaar en krapten het op, daar was werk genoeg , en goei stielmans waren overal wellekom. 't Was den tijd van " dei honnerd frang moet op in zjeneivel en zjacob, o ja ! ".
En van 't een kwamp 't anner. 't Was vaneigen Soë Des die op 't gedacht kwam : " Da… ammen nekië naa de f… foër ginken, hé joenges ? ". En de joenges waren direkt van akkoord. Sie, dat was nu nekeer ne goeie geest die Soë dien inval gaf sie, dasse daar zelf niet opgekommen waren, kerdjalen.
En ze trokken door 't hoofd van 't stad en langst de groten boelvaar naar de foire de Bruxelles, aan de midi. 't Was daar van 's morgensvroeg vollen bak op de foër, of dagge mij gelooft of niet, ge koster op de koppen lopen. Brusselfoor was de jaarlijkse uitstap voor de buitenmensen van den omtrek, en ook de Brusselaars waren verzot op hun kermis. Het krioelde er alle dagen van uitgelaten kermisgangers die hun hart een dagje ophaalden aan de foorgenoegens.
Onze mannen waren direkt ondergedompeld in het kermisgewoel. Ze keken zich d'ogen uit de kop naar al die glans en glitter. Pjeiremeules van alle slag en slinger, de carrousel met de fier op-en-neer schommelende witte paardjes, den balanswaar van Devolder, den theater van Seth, Le Paradis, de musee Spitzner waar "tous les raretés du monde " tentoon gesteld lagen. De dansbarak. De boksbarak van Roose die in sappig Gents de mensen lokte om de lut te gaan bekijken, terwijl de ex-champions Charlier, Moris Robinson, en ne zwètten amerikoinner, op het geroffel van trommel en grossecaisse, hun spieren lieten rollen en krollen, en smoelen trokken om u niet op uw gemak bij te voelen. La lutte Américaine, den boks of de lut met den beir, den amateur had de keuze om, in geval van overwinning, ne prim in de wacht te slepen, maar hij moest wel attense doen, want 't was niet tegen " zê schuümeeke " dat hij ging vechten. De cinématographe, de kop van Jut, le tombola " altaaid praais ", de schietkoten, de kramen met crème-à-la-glace, smoutebollen en wafels, de kèrkes met karikollen, mosselen, gernaat en scherregos, 't gejank van de grammofoon en 't getremp van d'êulgers, 't was één schètterwètter rimram door elkaar.
Soë Des stond te gapen naar een baraksken waar in felle kleuren een mysterieuze madam stond opgeschilderd : Madame Blanche, votre avenir … De Soë koster niet van over, en als hij van een kermisklant vernam dat die madam een waarzegster was en de toekomst kon voorspellen, wou hij per fors naar binnen, maar d'anner mannen waren daar pesies niet scheutig naar.
" Ten ge… goinnek alliën ", besliste Soë. Zo gezegd, zo gedaan. En de kameraden, met een daëzend gat en op hun kevieven, want met de Soë wiste nooit, toch maar meegegaan. Samen uit, samen thuis. In 'n halven doenkeren stond Soë voor een tafelken waarop nen doodskop lag te spoken in 't schemerlicht van een blikkerende kaars. Achter de tafel, op ne stoel, de waarzegster, een soort toverès waar ge jaar noch dag kost op plekken.
En de Soë derekt tegen dat scharminkel : " E… ès da waa madam, k… koeinde gaë zeggen waddatter gaa gebeurn ? ". Vaneigen, die madam knikte van ja datter hare kop bekanst afviel.
" Te… djuue ", zei Soë, " da… as kerjeus, hé mann ! ".
En veneir tegen die madam : " Daddoet daggegaë we… wet waddatter gaa veuvalln ? ".
En die madam schudde nog nijger van ja.
Zonder ne krimp te geven deed de Soë ne stap vooruit en hij gaf dat wijf daar een voenk op haar kaak dat 't menske met stoel en al achterwesover viel.
" A… awel, da wiste toch nie, hé masken ", glorieerde Soë.
Ge kost dat peinzen, de mannen in volle viekap naar buiten, lopen 't lijf sta bij, tot als ze ver genoeg weg waren van dat spektakel.
En Soë Des, op zijn duuzend gemakskes, verwonderd en van ver zjestikulerend met zijn elleboog, " Waaveu go… oidde gaaiele loëpen hé, schaaiters, zen moest begot maa nie gelogen hemmen hé ! ".
Ziedet nu, 'k heb het u gezegd hé, dat g'er moest mee oppassen met Soë Des of dat hij u liggen had. Die kastaar dierf alles. En hij wist het van tien negen zo te flikken dat een ander met 't affront zat en met de gebakken peren. En liëp datn was. Hij kost iemand wijsmaken dat ons Hiër op ne kezzelei zat.
Maar 't moest zjust gaan bij Soë, recht voor de vuist, geen rond-de-pot-draaierij en geen valse streken of profiteerderij, daar kon hij niet tegen, dan moester dubbel voor uit uw ogen zien.
Soë was zo nekeer in Brussel op gank als hij daar Zjef van Bettekes en de Zwètte vâ Moittes bezig zag aan een battement op den Boelvaar Zjubelee. Lange Wainnes van Loemmek was daar miëstergast . Wainnes stond gekend als nen dikke profiteur, iemand die geren van een ander zijn geld dronk, en daveu niet geren gezien was onder de maitsers.
" Tien Wainnes ", flemde Soë Des, " Wie da… men daa hèmmen, das lank leen, go… oidde gaa mee ne pot pakken, hé joeng ? " En de Langen sebiet van akkoord, en dat hêum dat niet kon schillen, en datn al kwoidder werk gedaan had in zijn leven.
En de Langen met Soë Des mee op stap. Als ze al zo een poosken gemarsjeerd hadden sollesteerde de Langen of datn nog ver was, want de mannen waren alleen op 'n travoo, en ge wèt, als de kat van huis is.
" Ge… ginner, 'n hoek oem ", zei Soë.
En aan een groot herenhuis bleef Soë staan, belde aan de deur en sebiet kwamp er een pront joenk maësen opendoen, de Soë wipte naar binnen, en tegen de verbavvereerde Wainnes:
"He… hie bennekik bezeg, sie. Wainnes, saluu hé ".
Saaves op den trein gremelde Soë tegen Zjef van Bettekes : " He… heit de Langen niks gezeid, hé, 'k he…mmen daa ne faaine pjètcosjon afgetrokken, de vaaile se… schuffel ! ! ".
Frans Goossens
Verklarende nota's:
RIEKE FLEK : Hendrik VAN BELLE, geboren te Asse 16.3.1888, er gehuwd met Irma VAN DEN ABEELE en er overleden op 7.2.1976. Zijn bijnaam erfde hij van zijn grootvader die het beroep uitoefende van blikslager, " flekslager ", zegt men in Asse. Rieke Flek was schrijnweker van beroep maar muzikant in hart en nieren. Eerst bij de " Harmonie St. Cecilia " en daarna, na de interne strubbelingen bij d' Harmonie, bij " Peper en Zout " (zie : De Koninklijke Harmonie St. Cecilia Asse : Dorps- en Muziekleven sinds 1811 - F. Goossens - 1983). Muziekmeester van de Socialistische Harmonie " De Roode Vaan " (1920-1938) en van " De Lustige Sloebers " (zie : De Lustige Sloebers van As' - F. Goossens - 1973). Aan deze volkse figuur bij uitstek werd, buiten in vernoemd " De Lustige Sloebers van As', ruime aandacht besteed in " Rieke Flek " door Adolf Van Geertruyen - 1963, en " 24 Volkse figuren uit Asse " door René De Rop - 1986. Rieke Flek was een uitstekend muzikant. Hij bespeelde verschillende instrumenten waaronder de bugel en de viool. Met zijn " fijfel " (blokfluit) maakte hij furore in de vele herbergen van Asse. De Flek was eveneens goed van de tongriem gesneden. Hij sprak immer als het ware in vertraagd tempo, alsof hij ieder woord wikte en woog alvorens het uit te spreken. En ze hadden hun gewicht, zijn woorden. Wanneer hij, tussen pot en menige pint, vertelde uit " de goeie oude tijd ", toen hij met enkele spitsbroeders bal ging spelen, 't allen kante in de omtrek, hing zijn gehoor hem aan de lippen. Een licht spraakgebrek - de v werd f, de d een t en de z klonk s - zette het relaas van zijn vrolijke belevenissen nog meer in de verf. Enkele van zijn geijkte uitdrukkingen zijn ons bijgebleven : " Past op aaile merbels, hé joenges ! ", waarmee hij zijn muzikanten attent wilde maken op de ernst van het ogenblik. " Pas op feu de kartaitskes ", wou de aandacht vestigen op het korrekt aanwenden van de bémols. " Tei horloisse gaat hie uure feu ", moest het laatste slaapmutsje wettigen. " Naë pakkemen korrespontense mê te faaiëfentaggeteg " beduidde dat hij huiswaarts ging en " En sossetaaiët ta nie trinkt is giën sossetaaiët ", hoeft geen nadere uitleg.
BERLIN : VAN DER CRUYCE Maria, ° Asse 11.9.1879 x DE PAUW Pieter Frans (Soë Des) ° Asse 26.10.1878 - Weversstraat 1
MEULESTRAAT : Molenstraat
KWAKSTRAAT : volkse benaming voor de Weversstraat.
VENGER : Victor BLOMMAERT, geboren te Asse 19.1.1906, gehuwd met VAN NIEUWENBORGH Rosalia (dochter van Waär Kloeits), oudstrijder 1940-45 (krijgsgevangene), herbergier in de Neerstraat " In 't Kapelleken " .Verwoed duivenmelker en wielerliefhebber. Afkomstig van Asse-ter-Heide. Erfde zijn bijnaam van zijn vader. Bij Venger was het geregeld " vollen bak " . Alle volkse figuren en " pottepees " kwamen er samen. Venger zelf bleef nooit ten achter om plezier te maken en te zorgen dat er leven in de brouwerij kwam en … geld in zijn schuif. Een " historisch " gezegde van hem was " Dag joenges, dag Venger " en ook " Santé joenges, santé Venger ", wat als niet mis te verstane wenk was bedoeld. In 1954 kwam Venger door een dom ongeval om het leven. Door een misstap viel hij van zijn keldertrap, 't fas af.
FELIX POULIART : in de volksmond " Dikke Poeljaar ", was aannemer-landbouwer-paardenfokker-herbergier "In den Anker" , (sinds 1891), gelegen op de hoek van de Stationsstraat met de Neerstraat, waar nu tandarts Geeurickx woont. In september 1959 werd " den Anker " afgebroken. Voorheen woonde Felix " In de Waag ", op het Gemeenteplein. Hij werd geboren te Asse in 1851 en was gehuwd met JoannaVAN NIJVERSEEL, geboren te Mollem-Bollebeek op 21.4.1851. Er waren vier kinderen in het gezin : Joanna, geboren op 9.2.1888, ongehuwd (Zjanneke Poeljaar), overleden 28.9.1965 ; Ludovicus, geboren 15.3.1889 ; Emiel Carolus, geboren 19.12.1890, gehuwd in Zwitserland en verhuisd naar Parijs ; Maurice geboren 22.6.1898, ongehuwd. Felix was lid van de Harmonie St Cecilia en lid van de handboogmaatschappij " Concorde " (gebalotteerd 16.6.1877), waar hij zich koning schoot in 1882. De familie Pouliart was afkomstig uit Rebecq, een dorpje op de taalgrens. De stamvader te Asse was Joannes Baptist POULIART, geboren te Rebecq op 8.4.1745, gehuwd te Asse met Anna Catharina VAN DEN CRUYCE op 18 februari 1772 en er overleden te Asse op 24.7.1791.
't POTTEKOT : zeer oude herberg achter het oude Gemeentehuis. Officiële benaming "De Lindeboom". Ook nog "Onder de bumkes" naar de boompjes die er geplant stonden in de straat (nu overbouwd door het nieuwe gemeentehuis)
'n DOGGEN : WENES Josephus Henricus ° Asse 19.9.1876 x DE GREEF Anna Catharina ° Asse 3.6.1878, schrijnwerker . Walfergem, 232. Herberg "Den Doggen".
ZJEFKEN TISTAËT : TISTAERT Jozef ° Asse 6.2.1863 + 22.6.1934, schrijnwerker-ondernemer, muzikant (klarinet) - bestuurslid Kon. Harmonie St. Cecilia - lid Handboogmaatschappij " Concorde ", herberg x DE RIJCK Clementina ° Asse 23.9.1870, hoek steenweg - Prieelstraat
TIE PANDUL : DE NIL Frans Joseph ° Mechelen 29.12.1880 + september 1954, schrijnwerker, herbergier in de Nieuwstraat op de hoek met de Oudestraat, nu parking x VAN KERCKHOVE Rosalie ° Asse 16.5.1889 + 30.3.1966. Vader was horlogemaker.
ZJEF VAN BETTEKES : Jozef VAN BELLE, ° Asse 8.4.1887 + Asse 16.11.1962, x Florencia Clemence BOGEMANS ° Wemmel 27.7.1886 + in 1987 (vierde in 1986 in intieme kring haar 100ste verjaardag). Ze woonden eerst op het Gemeenteplein, daarna in de Nieuwstraat om te eindigen op de steenweg. Zjef was meester-metser (samen met zijn broer Jules), muzikant (tuba), eerst bij de Harmonie St. Cecilia, daarna bij De Katholieke Gilde. Hij werd tot de beste muzikanten van uren in 't omliggende gerekend. Metser en Muzikant, gaf kunstschilder Karel De Bauw hem als eretitel.
Oude prentkaart. Uiterst rechts het specerijwinkeltje van
Berlin en Soë Des (hoek Molenstraat en Weverstraat)