Koppen van bij ons:
Molleken
(Alfons Van Molle)
(1861-1945)
Muziekchef bij de Harmonie St.-Cecilia
door Karel de Bauw
(uit tijdschrift Ascania 1961-2)
1903. De Harmonie St.-Cecilia floreerde. Ze telde meer dan 70 spelende leden. Allen hadden minstens 3 jaren teorie achter de rug, alvorens ze hun instrument mochten in ontvangst nemen. Alfons Van Molle, kortweg gekend als Molleken, was toen 42 jaar oud. Hij bespeelde de dwarsfluit reeds 28 jaar. Ja, dat kon, want amper in zijn veertiende jaar speelde hij al flink mee. Hoe zou het anders kunnen : nog in de roes van de jubelende feesten, toen d'Harmonie haar 50-jarig bestaan vierde, werd bij de familie E.J. Van Molle, het kerstekind Alfons geboren - 25.12.1861 -. Vader Van Molle was muzikant grosse-caisse geweest, 36 jaar lang (1830-1866). Jef, de oudste zoon, was kleine trommel (1846-1856), terwijl Louis, de tweede, kleine fluit-solo was (1850-1859). Louis hield veel van zijn kleine broer Fonske. 't Was dan ook grotendeels aan Louis te danken dat Fons, die intussen voor elkeen Molleken was geworden, zo verbazend snel zijn instrument - het instrument van zijn broer - leerde bespelen.
En nu had hij reeds 28 jaren praktijk achter de rug. Eigenlijk had hij ook wat schoenlapperen geleerd. Dat zou in geval van nood te pas komen voor vrouw en kinderen. Maar van deze stiel hield hij weinig ; er kwam weinig van terecht ook.
Hij droomde. De muziek slorpte hem haast volledig op. De allerbesten onder de muzikanten keken met bewondering en eerbied naar hem op. Hij liet zijn dwarsfluitje gehoorzamen precies hoe hij het verlangde, volgens tempo en innerlijk gevoelen. Dat meesterschap over partituur en instrument verbaasde allen. Kijk, die verbluffende concentratie en dat doodeenvoudig ongekunstelde bij een solo-passage, waren doorslaande argumenten voor eerbied en ontzag.
Als schoenlapper ging hij in de massa verloren. Geburen vertelden dat hij voor de handel niet was weggelegd. Weliswaar stond de fysische bedeeldheid er wat voor in. Hij was namelijk klein van gestalte, schraagde zijn lichaam onevenwichtig zowat naar rechts nijgend. Eigenaardig was die houding, ze verraadde de muzikant-flutist. Men liep in de Nieuwstraat waar hij woonde wel druk over en weer, maar steeds betrof het leerlingen... Ja, leerlingen in de muziekkunst. Molleken had een gevoel van minderwaardigheid, een gevoel van niet begrepen te zijn. Dat leidde hem tot de eenvoudigste nederigheid, waarvoor wij hem nu oprecht vereren. Zijn kleine handen waren vergroeid met de toetsen van zijn fluitje.
Reeds enkele jaren was S'Jongers de muziekchef van d'Harmonie. De muzikanten hadden wel gehoopt op Molleken, maar deze had krachtdadig de kandidatuur van S'Jongers gesteund. En nochtans fotterde het al een tijdje niet meer tussen de flutist en de chef. Reeds in 't voorjaar van 1903 vertoonde Molleken zich niet meer op de repetities.
Drie weken vóór het zomerkoncert dat d'Harmonie zou uitvoeren op de Grote Markt te Brussel, bleef Molleken nog steeds afwezig. S'Jongers zat in moeilijkheden, want reeds lange tijd had hij, met het oog op dit koncert, een arrangement gemaakt voor kleine fluit op "les amours d'un rossignol" van Damaré. Prachtig werkje, maar uiterst moeilijk. De chef geloofde wel dat Alfons die solo meester kon, maar... Na de repetitie gaf de chef dit arrangement aan Jef van Bettekes, de toen zestienjarige en veelbelovende tuba: "Fiske, toon dit eens aan Alfons van Molle en vraag of hij het spelen kan en wil. En Jef, die Molleken oprecht vereerde, bracht het korte maar besliste antwoord terug aan S'Jongers; ik kan en ik zal dat spelen, breng die partituur gerust terug; ik zal ze slechts op de Grote Markt bezigen. S'Jongers kon zijn verbazing niet verbergen, toen hij zijn tekst opnieuw in ontvangst nam.
De vooravond van de grote dag kwam Molleken naar de repetitie met zijn instrument om... de dynamische tekens met de chef te bespreken en 'n paar van de vlugge passages te interpreteren.
Op de Grote Markt krioelde het van 't volk. 't Weder was meegevallen. De koncerten hadden nog bijval in die tijd en daarbij stond d'Harmonie in de muziekkunst voortreffelijk genoteerd bij de Brusselaars.
't Werd stil op de kiosk. De menigte volgde. Overtuigd en kalm, met de ongedwongen zelfzekerheid van de virtuoos, slingerde Van Molle zijn zoetluidend timbre en zijn eigen kadans over de Markt in een reeks van vlugge aanlopen tot het uiterst gevoelige, in het zo moeilijke ritme van "les amours d'un rossignol". Tot het einde hield hij de perfektie vol. Lang daverde het verdiend applaus met bis-geroep, tot de heer S'Jongers zich in bewondering tot Molleken richtte: a prima vista, ik wist dat ge 'n sterk muzikant waart, maar... en ze drukten mekaar langdurig de hand, terwijl opnieuw een gezamenlijk applaus en huilend bis-geroep losbrak. Een kudde bewonderaars bestormde de kiosk, en vijf mannen tilden de flutist hoog boven de menigte op, en droegen hem juichend in een wilde vreugderoes ,De Zak' binnen. Toen hij deze herberg verliet, kon er van "bis" geen sprake meer zijn.
Neen, in het domein van zijn talent stonden geen palen; alles speelde hij voor de vuist.
Vóór 1914-1918 zijn in de schoot van d'Harmonie d'airekens geboren, bestaande uit een groep van 12 der beste muzikanten. In de nacht die het Sint-Ceciliafeest voorafging, brachten zij elk bestuurslid een serenade. Zij waren het - in welke stad ook een muziekconcert werd gegeven - die lang, heel lang bleven naspelen.
Wie waren de mannen van d'airekens uit "la belle époque", die Molleken had samengesteld :
Molleken zelf (dwarsfluit); Jefken Tistaert (klarinet); Armand Dooms (klarinet); Door van Kras (Van den Bossche) (bugel); Jef van Bettekes (Van Belle) (tuba); Den Olekop (Jef Van Frachem) (trombon); Robert Van Beveren (cor); Toontje Buggenhout (piston); Petje van 't Grawoeltje (Frans De Smedt (klarinet); Juul Van Dooren (klarinet); Waar van Kloeitses (Van Nieuwenborgh) (trompet); de Zwarten van Pruises (Fr. de Wandeler) (alto); Sooi van de Witten (Van Huyneghem (bariton).
Zij speelden en bewezen diensten aan de muziekkunst. Overal grote bijval.
Molleken werd muziekmeester in 1912. Dagen en nachten schreef hij muziek voor zijn Harmonie, arrangeerde en transponeerde, verklankte gedachten en gezangen, ontving leerlingen met de vleet, en improvizeerde dat het een lust was. Hij zelf schreef wondermooie brokjes:
Zachte dromen (wals)
De koekoek (polka)
Een blauwe bloem (wals)
De schone Katharina (wals)
Mijn goede vriend (polka)
Goede luim (wals)
Attention (mazurka)
Prinses Maria Pia (gavotte)
In 1932 werd bij koninklijk besluit Alfons van Molle vereerd met de medalie der orde van Leopold II voor bewezen diensten aan de muziekkunst.
93 jaren heeft de familie van Molle ononderbroken gemusiceerd.
Alfons was 37 jaren onderchef en spelend lid, en gedurende 20 jaren (1912-1932) muziekleider.
Aan goede vrienden, en inzonderheid aan Jef van Bettekes (van Belle) - de sterke tuba, door Molleken hoog gewaardeerd - heeft hij volle kisten muziekschriften nagelaten; ook zijn instrument waarmee hij beroemdheid verwierf.
Hij was geroepen, maar helaas niet uitverkoren. Zijn generatie begreep hem niet, en een groot talent kreeg niet de gelegenheid zich te ontwikkelen. Nu komt hij tot ons als de grootste muzikant die ooit in Asse heeft geleefd. Dagen en nachten gedurende 57 jaren, heeft hij gezwoegd voor de standing van zijn Harmonie; vaak ten koste van de welvaart van zijn gezin.
Men heeft u niet vergeten, Molleken, ondanks die jarenlange stilzwijgendheid. Andere groten hebben ook dit lot gedeeld. Maar wij zijn hier nu en later zullen er nog komen om te bewijzen dat u niet voor niets hebt geleefd.
Op 22 januari 1945 werd Alfons van Molle ten grave gedragen. Een klein aantal trouwe vrienden vergezelden hem voor de laatste maal. Nog totaal ontredderd door de tweede wereldoorlog waren de muzikanten nog niet herenigd. Zijn muziek, zijn Harmonie, was niet daar...
Karel de Bauw