Koppen van bij ons:
Jef Van Belle
(Jef van Bettekes)
(1887-1962)
door Karel de Bauw
(uit tijdschrift Ascania 1963-1)
Een van de schoonste figuren uit de muziekwereld van Asse werd onlangs naar ons kerkhof gevoerd.
Een muzikant van formaat ging heen. Van metselen heeft hij zijn broodwinning gemaakt en van de muziek zijn stiel. Jef was veertien toen de grote droom werkelijkheid werd: muzikant worden; - want hij mocht voor notenleer gaan bij de grote chef, mijnheer S'Jongers. Hij maakte verbluffend-snelle vorderingen... Amper was hij vijftien, toen hij reeds onder de zeven-tigkoppige muzikantengroep opstapte, geladen met de bariton. Na de solsleutel volgde hij vlug de fasleutel en kort daarop ontving hij de begeerde tuba, het instrument voor en van zijn leven. Gedurende zestig jaar zou hij het liefkozend omklemmen.
Vrij vroeg werd hij opgemerkt. Te Asse en aanpalende dorpen en gemeenten werd hij de gevierde balspeler. Vóór de eerste wereldoorlog, toen haast ieder jaar een circus werd rechtgezet op "de plein", werden er voor de gelegenheid à-vue-spelers gevraagd. Jef was er steeds bij. Het duurde niet lang om tot solist nummer-één op te klimmen bij de maatschappij. Dat was toentertijd een referentie van betekenis. Hij moest muziek maken, zoals de merel fluiten moet. Verlangend greep hij naar de tuba, omdat hij meteen een geluk omklemde. De man en de tuba waren met mekaar vergroeid, luisterden naar mekaar in een bevallige en soepele houding, waaruit voornaamheid straalde en zelfzekerheid. Wij hoeven ons slechts de interpretaties van die enig mooie variaties te herinneren. Stippen wij maar enkel de zestiende variatie van Christophe aan. Daarin leverde hij een meesterlijke kadans, eerst onder de baget van S'Jongers, later ook nog onder die van "Den Beer".
Wie is die tuba toch ? Bewonderend luisterende gidsenmuzikanten konden hun verbazing niet verbergen, na dat koncert op het Liedtsplein te Brussel. Ja, hij was slechts een eenvoudige metser, die zoveel temperatuur en volume gaf aan die melodieuze tubatoon. Geen adem is er voor nodig, wel embouchure, zei Jef eens, met daarbij een beetje hart. Dat beetje hart was grote liefde, die tot zelfstandige vertolking groeide.
Eenvoudig, ernstig, haast volks-voornaam, met uitsluiting van elke vorm van ijdelheid, stapte hij steeds fier en rijzig-rechtop in de rangen van zijn maatschappij, en altijd zich volledig gevend. Anders ware zijn leven niet leefbaar geweest. Ook hij behoorde tot de bekende airekens, de schaar uitgelezen muzikanten van de nachtelijke Cecilia-serenaden, de spelers van de intieme herberghoekjes, de solisten bij uitmuntendheid van het heerlijke genrestuk...
Meester S'Jongers had in hem wel klaar gezien: "Fiske, het is vreselijk spijtig dat uw vader zo jong moest sterven en gij als oudste de steun moet worden voor moeder en de jongere kinderen", Jef was inderdaad geroepen, maar ondanks de zware opdracht, de afmattende bikhamer, doofde dat talent niet uit... Wie hem thuis na de lange dagtaak hoorde solfègiëren, interpreteren naar muziek van grote meesters, was steeds verrast door die macht van dat uitzonderlijke voor-de-vuist-optreden. Veel meer nog dan van de genre-muziek, hield hij van de grote ouvertures, de machtige symfonieën. Een bezoek aan zijn diskoteek volstond om zijn voorkeur te leren kennen. Hij dweepte met Mozart, Beethoven, Wagner, Liszt, Weber, Tchaïkofsky, Johannes Brahms troonde als allerhoogste. Hij besprak de "pa-tetische" van Tchaïkofsky. Maar de brok muziek, die hij aanbad, is de Fantastische Symfonie van Berlioz.
Aan zijn lijdensbed, de dood nabij, toen haast geen bezoek meer toegelaten werd, gaf hij mij het schoonste geschenk, dat de gedachtenis kan bewaren. Hij neuriede voor mij de volledige kadans uit zijn geliefkoosde "divertissemento" (air et divertissement). Moeilijk heb ik dat weerstaan. Jef: dan hebt gij mij het lijden met vreugde doen mengen. Lijden... Ja, wisten wij niet allebei dat gij morgen heengingt ? Vreugde... och, eenvoudig om die roerende schoonheid. Het einde kan pakkend en groots zijn, een korte weerspiegeling van een gedroomd leven.
Op 11 november nu, amper vijf dagen vóór hij stierf, smeekte hij zijn vrouw om een laatste wens. "Werp de voorkamerdeur open en het venster langs de steenweg ook, en laat dan de klanken van mijn muziekmaatschappijen binnen". Hoorde hij de wapenstilstandmars door hem gecomponeerd?...
Daarna is de metser, de muzikant, stilgevallen. Voor altijd.
Maar daarboven op die hoogste stellingen van zijn voorgevels in het hart van ons Asse, zien wij hem eventjes zijn rijzige gestalte oprichten, de pijp aansteken en goedkeurend peilen naar ons heerlijk deinende, golvende, lichtende landschap rondom hem, om dan weer bonkend voort te hameren aan die gevel, dat monumentaal xylofoon instrument, welks toetsen van harde baksteen ongenadig de schelklinkende houwen van zijn truweel opvangen.
Frans von Suppé, hier is de tegenhanger van uw beroemde dichter en boer, grijp naar uw rijkste akkoorden en komponeer daar boven de Sint-Martinustoren de "ouverture tot metselaar en muzikant".
Jef van Bettekes, goede vriend, hoe zouden wij u kunnen vergeten...
Karel de Bauw