Mijn kameraad Poizen (zo noemt Bert zijn vriend) zit op mij bezig en hij kan mij niet missen.
Op zekere morgen treed ik de woonkamer binnen. Het stof danst speels in de zonnestraal van het venster tot de scheve leunstoel. Op de schaafbank, die hier ook voor tafel dient, liggen zes papieren, blijkbaar dezelfde. Zojuist heeft de fakteur er nog eentje bijgebracht. "Laatste Waarschuwing, Belasting op de wegen: 19,20 fr." lees ik.
Onze smid barst blijkbaar, de armen omhoog, in toorn uit. "En mijn patiënse" is uit, "grat uit", en hij (de gemeenteontvanger?) weet zeker niet met wie hij te doen heeft; nog één papierken, één enkel maar, en Mijnheer Louis Moerenhout laat hem vierkantig van de trappen van 't gemeentehuis vliegen. Alei, alei, hij moet toch weten dat ik met "conterbuses" niks of niks te maken heb. Oreoo, minister van finanses Leon, den dien heeft dat gearrangeerd. Neh!".


Gans die preek sprak hij uit met opgeheven baard, vlijmscherpe stem en hoog door 't venster kijkend. En dan, kalmerend zacht en ietwat plechtig, knipoogt hij me met een "dat blijft onder ons, eh!"
Sjat pozeert nu voor "achterdocht". Ik wil er een sterke karakterkop van maken. Hij mag in de richting van de berrebank kijken en zo vrekkig en toornig mogelijk. Ineens heft hij weer de baard op, knijpt de kleine oogjes op 'n kier en luidkeels: "Otfer! otfer! smerige ploster, smijt mijn kommeken opgelegde haring niet af!" En boven de berrebank, op de tweede hang, tussen potten, kruiken en pannekes, kijkt ons een dikke rat gemoedelijk en vragend aan. "Ziet ge 't, ze trekt er vanonder met heure staart op de buik geplakt. Met beesten zoals met 't vrouwvolk: enige dikke kartetsen en... ons Wanne wist dat ook".
't Loopt naar de middag. Buiten is 't stikkend warm en hier binnen walgend heet. Reeds van acht uur staat zijn koffiewater op een gloeiend vuur, dat hij om het kwartier met een schuppeke goei smiskolen aanport. De bomvolle emmer staat op het blote vuur nu te koken. In 't water een handvol grofgemalen koffie geworpen, tien minuten laten trekken, en de heerlijk geurende koffie is klaar voor drie volle weken, in de warme middagzon fiets ik huiswaarts, terwijl de mensen zich nestelen in 't koelste plekje van de huiskamer, en voor mij is het een echte verfrissing buiten.
Dat Sjat geschilderd wordt, dat verwondert niemand, en hém het minst. Gisteren nog ne schilder geweest van Oostende, zegt hij, - verleden week een vrouwmens van Brussel. En tweehonderd frank per uur komen biêën. Tatata! Ze weten natuurlijk wie hij is. Hij heeft immers het rondste lijf van heel 't land. Gekeurd door drie doktoors en overtast door drie en zestig kunstschilders op de grote zaal van 't stadhuis van Brussel. Den Bert geraakt tot in de "colidor" nog niet. Een lijf, zo rond als ne reep; 't schoonste van geheel de "tamajour". En daarbij mogen gaan fretten in 't grootste hotel van Brussel metropol. En verniet, "grat" verniet. En gans zijn leven van de "conterbuses" vanaf. Maar, ghu! laat die schilders maar komen één voor één,.:, één enkele mag zijn lijf uitschilderen.
En op een stille namiddag toont Sjat mij zijn "gouden decoratie". hem door twee heren thuis plechtig overhandigd. Ik ben de eerste die de "madoille" mag zien. En ik lees met de mond dicht gesloten de cirkelvormige tekst: Koninklijke Harmonie St. Cecilia - Hekelgem 1881. ~ Proficiat! en de inhoud van 't kruikske zakte drie vingers lager. Die "madoille " kreeg hij in de korte maand, en een lange maand op gedronken... Later heb ik geweten wie die twee heren waren; ook zij hebben die plechtigheid vloeibaar gevierd.
Het genrestuk "wantrouwen", met steeds de twee vrienden als model, begint met een aardig toneel, 't Is maandag en de bijeenkomst op het smidse-atelier is te één uur stipt. Vijf vóór kom ik aan en ik zie Bert nog juist de baan oversteken met ne peekapper op de schouder. Maar... die peekapper dient uitsluitend om de mensen de mooie illusie te laten, dat hij naar "'t zetsel" gaat. Verleden zaterdag hadden wij de voorspoedige week besloten en gevierd bij "de mus" met enkele goei peirelei's. Ik had ook een kruikske voor dees week meegebracht, ontstopt en eventjes een voorsmaakje genomen... Bert is opgeruimd. "Wantrouwen" belooft. Wij stappen de smidse in en roepen onze "présent" met een luide: jao!!! Geen antwoord. Alles afgezocht: hof, stal, smiszolder. Niks, niemand. Sjat ! Sjat !... Na lang zoeken waag ik mij in zijn kamer. Dat doe ik niet graag, want daar middenin' staat een ketel die voor allesomvattende "lavatory" dienst doet. En eens vol, helpt een goeie vriend hem in de boomgaard leeggieten. Noch roepen, noch zoeken moet ik: er ligt een pak in 't bed, gans dichtgedekt. In één zwaai werp ik al de oude dekens weg en... daar steekt de rampzalige Sjat ijlend in hoge koorts... Sjat! wat scheelt er? fluister ik medelijdend. Traag draait hij zich om, en ons kruiksken, dat hij verliefd met beide handen tegen de borst drukt, sleur ik met een ruk uit zijn forse greep... Leeg, gans leeggezopen. Hij wil opstaan, maar zakt als ne lege hopzak ineen. Ik help hem opnieuw in bed, terwijl hij mompelend stottert: "Me...met dien Bert haalt ge 't een affront op 't ander, geloof me!".
Bert treurt en vandaag ligt "wantrouwen" stil.
En ondanks die duizend en één belevenissen, - onaangename en plezierige, - ondanks last, geduld en strijd, ondanks wanbegrip en beperkte mogelijkheden, - is Sjat een grote vriend. Onbewust heeft hij zich gegeven, heeft hij mij "zijn" levend materiaal geschonken. Bewust heeft hij nooit de edele draagwijdte van ons werk begrepen; maar neemt dat iets van zijn grote verdienste af? Begin 1957 is hij heengegaan en zijn woning en smidse zijn tot de grond afgebroken. Wie schreef eens: "le plus beau souvenir, c'est le souvenir"?...
Aan de sponde van zijn sterfbed stond ik met een onontstopt kruikske jenever, gans alleen bij hem. En met een moeizaam afwijzend gebaar, gebaar dat zijn genietende aard vreemd was, lispelde hij "Draag het bij Bert".
Louis Moerenhout, ik dank u, ik dank u duizendmaal, u, de ongekunstelde schoonheidsgever! Ik geloof dat gij voor mij, én ik voor u, moesten leven en werken.
Karel de Bauw
Daar komt een man vinnig aangestapt. Hij laat een zware hamer hangen in de rechterhand en met de linker houdt hij de stok op de schouder in evenwicht, waaraan een logge zak te bengelen hangt. Sterk voorover gebogen, klimt hij de heuvel op langs het wegeltje dat vlak naast mij doorloopt tot de "Zeven Mastellen". Wanneer hij naast mij doorgaat, zie ik dat hij een stoppelbaard heeft. Met een "Dag baas" groet ik de ernstige kleine man. Hij keert nu even de kop en over zijn antiek brilleken kijkt hij verwonderd op, schouwt vlug ezel en materiaal en gaat met een nog ernstiger uitdrukking, zonder een woordje, verder. Wat een zonderling! Waar heb ik die figuur nog ontmoet??
En de namiddag loopt stilaan naar zijn einde, want daar komt mijn vriend Juul van Cleirens met zijn makker "den doktoor" aangeslenterd. Zij komen hun dagelijks bezoekje afleggen... "Karel de Brabander!", zo roept de Cleiren steeds een goeden dag. Ja, de baas van de Zeven Mastellen gaf vrienden en klanten hun passende bij-de-streek-horende bijnaam. En of ik nu die kerel gezien had, waarover hij mij zo vaak sprak? Zo, zo, dat was dus die smid ! Hij was daar juist zijn herberg, nat van 't zweet en dood van dorst, binnengestapt. Die vent moet ik absoluut vandaag nog van dichtbij zien. Een half uur later kwam ik zelf in de kroeg, waar de radio de godganse dag mooie deuntjes musiceert. De Cleiren stond reeds zingend achter zijn toog en "bestelde" duchtig frisse "Peirelei's"... Wat een figuur! Sjat, noemt men hem, die smid daar. Vinnig, nerveus, ongekunsteld, vettig van kop tot voet, kijkt hij u aan met het ernstigste gezicht van de wereld. Hij is smid en wagenmaker. Alleszins de meest befaamde wielenbinder van de streek. Men zegt dat hij liegen kan, dat hij 't zelf gelooft. Het kost wat tijd eer ik weet hoe hem aan te pakken. Maar 't moet, ik laat hem niet meer los. Samen leunen wij aan de toog en spreken af om zijn laatst afgewerkte wielen te gaan zien. Men zegt dat men aan het gedokker van de wagen Sjat's vaardigheid herkent...
"Zijn" wielen lopen vast, ring-rond, dof en vol; nooit kweddelen daarmee! Nevens het glazen bord, waarboven ordentelijk als een halssnoer, zeven echte mastellen bengelen, hangt de foto van onze smid-aan-de-arbeid: het meesterwerk van de fotograaf-baas. En steeds kijk ik opnieuw naar dat beeld, en steeds kijken auteur en model mij trots en vragend aan. Prachtig, mannen! Ik voel me stilaan in de gunst komen. Nu is het te Iaat, maar morgenvroeg - en dat zal vóór alles gaan - loop ik naar de smidse. Als ik weg ben, zal de Cleiren schoon en goed alles zachtekes verklappen.
Een boogscheut van Kruisborre, zo'n halve hectometer van de baan, weggestopt achter een boomgaard kromme oudgeworden fruitbomen, ontdekt men langs een smal kruiwagenwegje, de witgekalkte doening. Alles schijnt hier verlaten; 't Gras groeit er welig tot in 't portaal van de ingangsdeur en hoog aan de smidsepoort. Van veel beweging geen sprake, 't Valt mee... 'k Heb al mijn ateliermateriaal meegebracht, 't Is nog vroeg in de morgen en zie, daar als een blijde verrassing, jankt en knarst de smispoort traagjes open. En in die brede donkere opening, verschijnt mijn zilvergebaarde man, heerlijk in de stralende, door-het-geboomte-priemende morgenzon. Ik had hem kunnen omhelzen. Wat een pracht! Onuitputbare bron: doel, verlangen, hoop. Ik acht mij alles ineens geschonken. Er is behoefte om luid, heel luid te zingen. En al dat intens geluk, die uitgelaten vreugde, doet de smid slechts verwonderd opkijken. Een kruikske jenever wordt hem in de hand geduwd, mijn arm rust op zijn schouders, en daar stappen wij als dikke vrienden door de smidse naar de woning, waar ik mijn werkplaats ga opbouwen. Sjat lacht, lacht met scherp afgekapte schokjes; een trillende rode tong achter twee bruin besjiekte korte tanden, omkranst door die behaarde brede glimlach, schenkt de overtuiging dat het vertrouwen voorgoed is gewonnen.
De spindraden vóór de gescheurde ruitjes in 't kleine raam, temperen het invallend licht. Een schaafbank staat daar vlak voor. Wij schuiven dichtebij en... Sjat pozeert. Ik ga er "de Smid" van maken, van normale expressie. Hij mag de eerste dag niet moe worden, ook niet ontmoedigd. En 't gaat. - De "eerste steen" is gelegd!
't Ene werk groeit en 't volgende wordt voorbereid. Mijn atelier staat nu voorgoed op Katerverent. Na "De Smid" volgen: "Achterdocht", "Levensvreugd", "Baas", "Olijke Boer", "Tevredenheid", "In de Smidse", enz.
Bert, zijn boezemvriend, die op Terlindenweg woont, komt hier alle dagen. In de zomer in de weg lopen, en 's winters zijn botten uitwarmen. 't Duurt dan ook niet lang, of Bert krijgt ook zijn pozeerstoel, tegen de zin van de huisbaas in. En uit deze twee prachtmodellen, groeien de bekende genrestukken : "Betrachting", "Wantrouwen", "In Gesprek" e.a. Drie volle zo-merseizoenen hebben we daar samen gewerkt, maar dat ging niet altijd zomaar vanzelf. En wat schijnbaar niet bleek, Sjat ontpopt zich vlug als de ontevredene, de zaag, - terwijl Bert, de gezonde optimist, de kwinkslager in werkelijkheid is.
In "De Asschenaar" van 8.2.1948, onder hoofding "Bert en Sjat aan de eer", typeert Karel Pletinckx verbluffend raak onze typen:
"Wijl De Bauw onverpoosd voortwerkt en zijn "model" voortdurend beloert en ontleedt, weet hij het innerlijke ervan, "de eigenlijke mens", naar voren te toveren, en samen met het fysische ook het psychische - het karakter - weer te geven. Zo zal men bij al de doeken van deze reeks kunnen vaststellen dat Bert is: de optimist, de filosoof, de onverstoorbare kalme, de goedhartige, die de dag plukt en overloopt van sprankelende, gezonde humor. Sjat, daarentegen, is het eeuwig wantrouwen, de zenuwachtige natuur, de prikkelbare, hij spreekt met de rapiditeit van een weerlicht, zijn stem is scherp als een dolk en tevens schor als een rasp: zij ratelt, zingt, kraakt en schettert tegelijk. Sjat heeft zijn baard laten groeien: hij lijkt een patriarch, een dweper, een zielenjager; hij heeft veel weg van een opperrabijn".
Dat ik van u was, knorde Sjat, aan Bert zou ik die goei verf niet verspillen. Dat is nu geen mens, hij is lang en opgeschoten, juist een busseltje pannelatten. Dat ik er "affronten" zal van halen, dat hij geen klop doet en alles opdrinkt, dat hij mijn pensioen ook komt helpen opzuipen, dat hij met vrouwvolk loopt en danst, danst - vaak op zijn kousen met jonge meiskes, - dat het toch niet betaamt voor ne mens van vierentachtig jaar.
Koppen van bij ons:
Sjat
door Karel de Bauw
(uit tijdschrift Ascania 1958-3)
Einde juli 1946. Volle oogst te Katerverent. De laatste heuvel vóór Kruisborre schenkt een prachtig uitzicht over het mooie landschap dat zich uitstrekt van oost tot west. De zon brandt in de vroege namiddag van uit een weids-blauwe hemel. Zachte oostenwind. Vast weer!
'k Leg de laatste toetsen aan een zomerlandschap. De Mergans halen hun laatste wagens koren in met behulp van het kloek Brabants tweespan van Marinus, daar in het diepste van het dal.
Heel vlug moet ik met enkele korte penseelkapjes de hooggeladen korenwagen samen met de lome gaffelaars nog vastleggen. Alles gaat snel, zeer snel. Wat een steile bergaf! 't Eerste boerenhuis van Terlinden, pas bergop, rijst al hoog boven het voeder uit. Brabant, prachtig heuvelland. En ginder ver, over een paar golvingen heen, in de licht-zinderende brandnevel, gloeien de heerlijke dorpen: Sint-Ulriks-Kapelle, Sint-Martens-Bodegem, Schepdaal...