

In de pozeerperiode voor het schilderij "betrachting" (hij figureerde op dit doek samen met zijn boezemvriend) kwam Bert op 'n donderdag een uur te laat. Hij was gewoonlijk zeer stipt. "Niet opspelen nu, 'k heb een heel serieuze reden. Juist vóór de middag kwam ik uit 't "zetsel" met 'n kruiwagen kruid, en ik werd "in 't kelderken" binnengeroepen... volle muziek! Barvoets in mijn blokken draaide ik met Rèneken de vals van de "mooie molen" af. Twee welgeklede heren hadden gewed voor 100 fr. dat ik zou opgeven, maar... mijn nummertje kostte hun dit biljet". En fier toonde Bert het bankbriefje aan de van afgunst tronende Sjat, hem stillekes in het oor fluisterende: van vandaag af dans ik voor niets minder meer.
Thuis hadden ze geroken, dat er 'n oude zot "in 't kelderken" de clown had uitgehangen. "Heel zeker opnieuw Pitje van Zjoren", raadde Bert.
Hij schonk mij een reeks karakterkoppen: olijke boer, schalks type, de borrel, e.a., naast enkele genrestukken waarop hij saam met Sjat optrad: betrachting, wantrouwen, bij de haard, enz. Terwijl hij pozeerde, vroeg hij mij of deze stiel voor hem nog lang zou duren; want in dat geval zou hij zijn stuk land op 't "zetsel" laten gaan.
Na 't pozeerwerk kon men hem gewoonlijk "bij Boontje" vinden. Er is toch geen beter plaats om te vergaderen, waar men de belevenissen van de dag kan vertellen, 't zij lief of leed. Maar de laatste tijd gebeurde 't vaak, dat men hem fijnekes naar huis kwam lokken. Iemand uit Bert's huisgezin duwde haastig de stamineedeur open, en kortaf klonk het in 't deurgat : "Va, de knapper staat los! ". En wanneer hij thuiskwam had Fef het beest zo juist gebonden.
Goeie wil had Bert te koop, maar thuis blijven dat was toch dwangarbeid. Ja, hij moest nu eenmaal de baan op. Binnen blijven kon hij wel, maar dan liefst in 'n eenvoudig klein kroegje... met 'n grote pint en een "klein muzikske" bij gebrek aan beter natuurlijk. Zonder deze voorwaarden verhuisde hij 'n halte verder.
Maar de baan biedt ook haar gevaar voor die tachtigjarigen, die de snelle groei van het snelverkeer niet konden volgen. En hij, de slanke, riele man, recht op de leên als 'n nieuwe kaars, werd ook driemaal overreden: van fiets, moto en auto. En altijd goed afgelopen. Slechte chauffeurs, zei Bert, die ne mens niet beter kunnen "vuiten". Aan "Sedan" was hij getuige van een op het nippertje vermeden ongeval. De auto stopte luidschreeuwend, juist vóór een groep op straat spelende kinderen. De geburen stonden nieuwsgierig in hun deur. Bleek stapte de chauffeur uit, en ondanks zijn knap optreden, riep Bert hem luidkeels toe: "Ne slechte bestuurder zijt ge..., ik zou er minstens drie getroffen hebben!...". De chauffeur glimlachte en de geburen waren gerustgesteld.
In mijn "smidse-atelier" was ik vaak getuige van fijne volksfilozofie. Den Bert wist bijvoorbeeld heel goed, dat Sjat nooit heeft gehouden van schuren of kuisen en zelfs de zaterdag niet. Maar die dag waren wij overeengekomen wat vroeger, namelijk te zes uur, stop te zetten. Ik was nu eventjes over tijd. Bert keek herhaaldelijk op zijn zakuurwerk. In zijn verbeelding vertoefde hij waarschijnlijk al bij "de Mus" bij 'n koele "perrei" - en fijntjes slingerde hij ons beiden 'n rake treffer: "Vergeet niet dat onze vriend nog moet schuren vandaag...".
Al het materiaal werd ordentelijk in een hoekje geplaatst tot maandag. Doch alvorens mekaar te verlaten: nog eventjes eentje pakken uit de kruik "'t wit stoopke". Bert vond daar op de "berrebank" kruikje en glas. Er was maar één glaasje dat gebruikt werd, altijd goed ongereinigd, nooit ontvet sinds tientallen jaren en 't moest vanzelf maar drogen, eender welk vocht het verlaten had. En met dit glaasje, dat er eigenlijk uitzag als een bruin-lederen pot, kwam Bert blijgemoed nader. Hij sprak dan Sjat van dichtebij aan met vragend-zoete woordjes: "'t Is toch zonde, hé vriend, om dit vuil te maken!..."
Bij "de Mus" gingen wij uiteen, en als naar gewoonte gevuld met 'n minimum van drie perrels. En Bert verliet ons dan met zijn week-end-groet: alei, mannen, 'k ga er nog wat van profiteren gedurende die vijf en twintig jaartjes da'k hier nog te lopen heb. En regelrecht bij Boontje: dat was altijd 't begin daarvan. Bert was zes en tachtig toen.
Zes jaar later werd voor de eerste maal "den doktoor" bij hem geroepen. Deze zou Bert helpen, maar... van 'n oude man 'n jonge maken, dat zou moeilijk gaan. "Meneer den doktoor", zo zei Bert kalm, "ik wist niet dat er de dag van vandaag zoveel klorremans van doktoors waren".
Acht dagen later, dag op dag, kwam meneer pastoor om... 'n keer met Van Nieuwlandt te praten. De huisvrouw nam eerst het woord: dat hij beter 's zondags naar de kerk zou gegaan zijn, in de plaats van altijd en overal die kermissen te gaan afdrillen en dat hij nog goed genoeg te been was daarvoor...
"Bidt ge thuis?" vroeg de priester hem.
"Ja, meneer, elke avond val ik al "lezend" in slaap".
"Dat is niet waar", onderbrak de vrouw, "hij kent zijn vaderons niet meer".
"Bert, Bert", hernam de priester, "wat zult ge doen wanneer ge hierboven rekenschap zult moeten geven?".
Eventjes aarzelde onze zieke... en, ineens, wist hij het: "Dan strij ik alles af, meneer pastoor!"
Wanneer Bert het H. Sakrament ontvangen had, vroeg hij nog of meneer pastoor de goedheid wou hebben, nu ook voor Sjat te willen zorgen.
Bert, die geboren werd in 't schrikkeljaar 1864. stierf de tweede Kerstdag van 't schrikkeljaar 1956, na twee en negentig jaar en twaalf dagen geleefd te hebben.
Van deze dag af heeft hij voorgoed feest en dans vaarwel gezegd... en de knapper zal nooit meer losstaan.
Hoewel hij de huiselijke maaltijd weinig heeft gelust... van boerenpensen en kramiek heeft hij genoten als van goede oude lambik van 't vat, op voorwaarde dat het onder vrienden ging. 'n Stuk uit de vuist zo eventjes in de herbergkeuken, met daarnaast de woelig-krioelende feestvierders, - zoiets kon er ook door. Hij is de levende vrolijke figurant geweest op elk vreugdedoek van Pieter Breughel. Hij had een hart als een akkordeonske en in zijn beste "palto" stak een stukske van de zon. Zijn zie-leke bleef wittekes in 't hevigst feestgewoel. Hij schonk zichzelf wonderschone kadootjes; het waren eenvoudig altijd maar vernieuwde herinneringen aan de schoonste beelden uit zijn verleden.
Vóór de doodskist toesloeg, glimlachte hij nog even. Al het schalkse was er uit : samen met de ziel naar de hemel. In mijn verbeelding graveerde ik tussen de mooie koperen toppen:
Vaarwel, Nachtegaal van de Moret. Een maand later zorgde meneer pastoor voor Sjat.
Karel de Bauw.
Den Bert kwam uit een gezin van negen kinderen. De hoeveelste hij thuis was, wist hijzelf niet goed, vermoedelijk een van de oudste. Zijn vader was baas op de hoeve van Mijnheer van Hoorde. Trots noemde Bert zich de zoon van de pachter van de Moret. Zijn boezemvriend Sjat heeft deze titel nooit goed kunnen verteren... Maar dat de pachterszoon "afgeknekt" werd voor de plechtige communie, dat bazuinde Sjat overal uit. Bert verdoezelde de draagwijdte van dit voorval met de woorden : "Ik mocht een jaar langer te leren gaan, zoveel hield men ginder van mij".
Bert groeide op in de schaduw van de "moretse" windmolen en mocht al op zijn twaalfde jaar de vier schone geitebokken inspannen vóór het speelkarretje van mijnheer van Hoorde. En met die heer als reiziger toerde hij enkele keren rond het domein. Eens had een bok zijn gareel stukgetrokken. Dat beest opzij gezet en Bert nam de plaats van de vierde bok in. Nu weten weinigen nog dat hij de naam "bok" als toenaam behield, tot wanneer hij terrassier werd te Brussel.
Het eerste beroep van Bert was muzikant en nog wel bij het orkest "Mie Fiool". Deze muziekgroep bestond uit vier leden: Mie Fiool zelf (viool), Potter (viool), Chale Pastils (bugel) en den Bert (basviool). In alle randgemeenten werd bal gespeeld in schuren of leeggemaakte benedenkamers. Met Asbeek-kermis was het altijd in de schuur van Mollekens te doen. Bert was toen verliefd op een mooi blond meisje, dat later zijn vrouw zou worden. En daar waar Bert 's zondags speelde, was zij natuurlijk aanwezig. En iedere keer dat zij met een andere jongen dierf dansen, liet haar verloofde haastig het orkest stil leggen. Door deze stiel bleef hij vaak acht dagen van huis weg. En tot zijn trouwdag heeft dat meisje deze stiel toegelaten.
Het reuzesucces van toen, net als de boerinnekensdans nu, was het "lied van de boerenmeid " :
Z'heeft heur witte kousen aangedaan,
Om naar 't stad te gaan floreren;
Z'heeft heur witte kousen aangedaan
Om naar 't stad te gaan.
O, wat kan ze dansen,
O, wat kan ze schudden met heur gat.
O, wat kan ze dansen
Gelijk de meisjes van de stad.
Toen is hij terrassier geworden. Die stiel heeft hij uitgehouden tot de geboorte van zijn laatste kind. De ploegbaas vroeg hoeveel kinderen Albert Nieuwlandt nu had. Ja?... Zo maar van-buiten dat juiste cijfer opqeven, was ver van gemakkelijk, en Bert beloofde dat hij nog diezelfde avond zijn kroost zou samen-roepen en optellen. Die baas heeft nooit het resultaat van die optelling gekend, want Bert is na de geboorte van dat tiende kind meester-brouwer geworden, bij Meeus te Asbeek. Oude Asbekenaars kunnen nu nog getuigen dat 't bier van toen af smakelijker was.
Pas veel later werd Bert achtereenvolgens fruittrekker, landarbeider en... pozeur voor kunstschilders.
Altijd en overal was hij even levenslustig, schelms, schalks en spitsvondig: zo een doortrokken droogkomiek. Nooit hield hij iemand voor de gek; nooit waren zijn gezegden gekruid of zijn moppen gepeperd. Hij had een hoog zedelijkheidsgevoel, minachtte niemand en sprak nooit smaadtaal. Hij genoot de achting bij hoog en laag.
De kermis zat hem in het bloed : hij moest feesten, hij moest de jaarmarkten afketsen, hij moest aanwezig zijn op jubilee en volksfeest. En op aanvraag schonk hij ook zijn feestnummertje ten beste.
"In de zeven mastellen" was hij voorvechter. 's Zondags was het steeds bij Jul van Clerens vollen bak: dan klauterde Bert tussen pot en pint de tafel op en riep : "Hij die mij pakt zal 't niks te kwaad hebben!".
De baas hield hem vaak tot de "klein uurtjes". Bij die nachtelijke thuiskomst moest, alvorens binnen te kunnen, een stoel achteruitgeduwd worden; want er was maar één voordeursleutel voor gans het gezin. Die stoel schroefde luid-klagend tegen de ruwe tichels en... natuurlijk iedereen wakker. En vaderlijk vroeg hij dan luidop : "Is alleman binnen?". Daarna werden de stoelpoten ingevet met bruin zeep.
Fef, zijn zoon, kreeg eerst de kermisplaag toen hij al twintig jaar oud was. Hij was werkzaam bij Rikskes en met Krokegem-kermis gaf vader hem de goede raad er heen te gaan. Fef gehoorzaamde en hij volbracht zijn kermistaak zo goed voor die eerste keer dat hij maar eerst 't donderdaags thuis kwam.
"Van waar komt ge nu", vroeg vader.
"Hewel, van Krokegem-kermis!"
"O, had ik geweten waar ge waart, ik zou opgekomen zijn met geld, nog voor 'n dag of twee", lachte vader.
De laatste jaren had Bert een tweede thuis. "Bij Boontje". 's Winters vertoefde Bert daar ganse namiddagen, om porei te pellen. En wanneer de verdiende pint achterwege bleef, vroeg den Bert zo doodernstig: "Willen we "uitleggen" voor ne pot lambik bij "De Mus""... ("De Mus" is een herberg, 'n boogscheut hoger-op naar Kruisborre).
Toen ik Bert als pozeur aanwierf, had ik hem, na lang zoeken, eindelijk 's avonds bij Boontje gevonden. De baas kwam juist met 'n volle bak appelen ingestapt, om er de rotte uit te rapen.
"Gaat ge nu nog werken?" vroeg Bert.
"'k Kan mij niet inhouden", bofte de baas.
"Dan moet ge bij den doktoor, 't zal misschien met één fles over zijn", lachte Bert.
De smidse van Sjat was mijn voorlopig atelier geworden. Ik wou beginnen met 'n eerste kop. Bert was drie en tachtig toen. En nu zag ik eerst dat hij geen linkeroog meer had. "Schilder mijn rechteroog tweemaal", lachte Bert. "Die linker ben ik kwijt geraakt in ons schuur bij de kapblok. Mijn houwmes stond bot en 'n stuk klief hout vloog vlak in mijn oog... Nooit heb ik méér geluk gehad... Veronderstel maar een ogenblik dat ik mijn oog niet had getroffen, dan waren er minstens drie dakpannen kapot...".
Ja, de meest ernstige gebeurtenissen uit zijn leven vertelde hij steeds met een geestig-humoristische draai.
Hij kwam steeds pozeren te 1 uur. Na 't noeneten vertrok hij thuis met 'n stuk "alam" op de schouder. Zo gaf hij de geburen de indruk dat hij naar 't "zetsel" zijn dagwand tarwe ging kuisen. Zekere dag werd hem thuis gevraagd, gezien de tarwe zo vol netels stond, dat het beter ware dat onkruid te gaan uittrekken, dan zo maar te blijven bommelen.
"Ba, ba," protesteerde Bert, "is 't geen geluk dat er zoveel netels in staan, anders ware gans het stuk opgefret van de ratten!"
Koppen van bij ons:
Bert
door Karel de Bauw
(uit tijdschrift Ascania 1959-1)
Er zijn van die mannen (ze lopen dun), die een eeuwige glimlach brengen, die vreugde en tevredenheid zaaien, de vrijheid beminnen en er van genieten als de zingende leeuwerik. Zij plukken de natte en duistere dagen even vrolijk als de zonnig-heerlijke kermisdagen. Die mannen lachen als 't regent, omdat de zon weldra komen zal. Hun leven is een stemmige boemelgang, een gulle vreugderoep.
Zij genieten van 't geluk van anderen en kennen de betekenis niet van afgunst of rivaliteitsgeest, en zorgen er voor dat de politie altijd uit huis blijft. Ze vluchten hospitalen en menselijke treurwilgen en gaan hun zieke vrienden bezoeken wanneer ze goed genezen zijn. Bij begrafenisplechtig-heden nemen ze voorgoed afscheid van een goede vriend in het dichtst-bij-de-kerk gelegen stameneken. Hun leven is één lange kermistijd.