Click to enlarge image...
Zo'n vent was die Pië Klaus. Pierre-Jean Dooms was zijn schone naam. De mensen noemden hem "Pië de Streel" of nog meer "Pië de Horzel". "Waarschijnlijk omdat ik nogal ronk", geloofde Pië. Tegen hemzelf, zo vlak op de man af, zouden ze die namen niet uitspreken, en indien wel, dan beslisten de vuisten. Zo volmondig vloeken kon Pië wonderbaar, vaak voor de minste kleinigheid. Maar er stak ook 'n week hart onder die ruwe schors. Zie, soms tokkelde ik zo speels op z'n gevoelige snaar, en onmiddellijk schoot zijne moed vol. Nee, Pië was ne goeie kerel en een prachtig model.
 
Hij vertelde mij zo vaak, tijdens de posetijd, over zijn leven. Als koejongen begonnen bij Trogs, Hij was acht jaar toen. De stielen volgden daarna: boerenknecht, aan de travaux van de Brusselse waterleiding. En ieder jaar in juli-augustus liet hij zijn werk staan om op z'n eigen te beginnen : de oogst hier doen bij de boeren voor de tiende tienling, Pië was een gekende pikker. Dit was zijn schoonste beroep, hieraan beleefde hij z'n heerlijkste herinneringen, 'n Dagwand schone rijpe tarwe, zo niet te laag gedreven, haalde hij gemakkelijk neer op één dag. Maar geen dagen zoals nu, wel te verstaan. Van drie uur 's morgens tot tien uur 's avonds. "Te Kerremans had ik vóór zes uur 's morgens mijne liter jenever al binnen". Dat kon hij slechts in de haveren oogst; 't brengt meer stof bij, hoestte hij.
 
En zo ieder jaar deze periodieke herhaling.
 
O! Wie heeft die vent niet gekend?
 
Na de haverenoogst liet hij zijn baard groeien tot katuit van Mei-kermis. En tegen Allerheiligen was Pië in staat om te pozeren met baard, een schone gekrulde echte baard. Nu was Pië vijf en zeventig en al de vroegere beroepen behoorden tot het verleden. "Nu ben ik "zitter" geworden", vertelde hij. Hij was er fier op en oefende zijn nieuw beroep zeer goed uit. Het type van de echte Brabantse boer. Pië Klaus was tamelijk groot van gestalte en licht naar links gekromd. Van top tot teen in de dikke bruine floer. De rode halsdoek steeds onder 't rechter oor geknoopt, en... o ! de zwarte zijden muts op z'n nog dichte grijze haarbos zomaar losweg gegooid. En daarin dat sterk gemodeleerd gelaat, met duizend rimpels en 'n doorsjiekte kin! Zijn borst droeg harde, vettige sporen van welriekend rollekenssap. De stijve broek hing laag ineengezakt op de lompe met-de-grond-vergroeide veldschoenen. Een en al de gepaste verschijning voor die zware, rollende basstem, die van diep uit de uiterst linkse mondhoek kwam! De laaghangende dikke onderlip bewoog dan traag op en af. Hij sprak langzaam en grollend.
 
En zo pozeerde hij; 's winters met lange baard en in de zomer met stoppelbaard.
 
Pië was eigenlijk mijn eerste vast model. Ik schilderde hem 's avonds en vaak 's nachts. Een drietal lampen waren er nodig om figuur en doek te belichten. Winter 1938-1939 tot einde 1940, dat was de tijdruimte die mij volgende doeken schonk van Pië Klaus: "Olijke boer", "Late troost", "Een stille dronk", "Krantenlezer", "De bedelaar", "De thuiskomst", "Gang in de vroegte", "Aandachtigheid", "Gelatenheid", "'s Levens herfst" en 'n hele reeks studiekoppen.
 
En steeds te vier uur was de aanvang. Tijdens de pozeertijd vertelde Pië uit het verre verleden of zong zo luidop als echte zangers: van de moord van Buys te Mazenzele op Lichtmis 1886 - van de drie tamboers - van de schone brigadier - van het edel kind van Napoleon de eerste, - van het bedrogen meisje, en nog veel meer.
 
Te 6u30 was 't schaftijd. Een half uur. Wat eten, een pint oude lambik en klappen. Rond dit uur rinkelde gewoonlijk de deurbel. "Mijnheer de dichter" zei Pië als Wies Moens binnentrad. De dichter schoof bij en met ons drieën genoten wij van de "pauze". Heerlijke tijd met heerlijke herinneringen.
 
In 1939 verschenen in "Ons Volk" drie kleurafdrukken van mijn werken met Pië Klaus als figuur erop: "Late troost", "Een stille dronk" en "Krantenlezer". Drie opeenvolgende weken één reproduktie. De eerste week was Pië er als de kippen bij, en stapte fier uit de krantenwinkel, breed zwaaiend met "Ons Volk". En daarmee al de staminees af. Ja, 't was zaterdag en Pië had pozeergeld op zak. Maar, met die overmoed kwam hij ongelukkig terecht... Om vier uur kwam men mij thuis roepen om Pië Klaus uit de gracht te helpen trekken op de Kalk-oven. Toen ik 'daar kwam, lag hij nog plat op de rug in de dikke laag modder en stinkend water. Maar de kop boven. Hoog boven het modderpeil stak hij "Ons Volk" omhoog, en toonde de toeschouwers de bladzijde waarop "Late troost" was afgedrukt. En toen hij mij zag, riep hij : "Dat er in Jezus' naam toch niets aan miskomt". Ja, zo'n vent was dat. Door groot en klein werd hij van achter hoek of kant "Horzel" of "Streel" nageroepen. Hij zou er uit z'n vel van gesprongen zijn.
 
Begin mei 1940 werd er een tentoonstelling georganizeerd in "Ons Huis". en al de werken die met Pië Klaus werden gemaakt, hingen geexpozeerd. 't Was mei-kermis. Er was vee! volk in de zaal en de toeschouwers duwden zich langs de wanden traag voort. De levende Klaus was intussen ook in de zaal gekomen, helemaal in pozeertenue. De mensen stonden meer rond hem in-levende-lijve geschaard, dan vóór zijn beelden. Ze bewonderden hem, velen noemden hem meneer, vergeleken hem bij de schilderijen, wensten hem proficiat, trakteerden hem... De koejongen van destijds, dewelke men bespotte en achterna-riep, werd nu als het ware in eer hersteld.
 
Pië baande zich een weg tussen de menigte en kwam vóór mij staan. Hij scheen niet te kunnen spreken. Ineens perste hij de ogen heel dicht. Er rolden dikke tranen zijn kaken af. En traag stotterde hij: "Meester, dit is nu de schoonste dag van mijn leven".
 
Zo'n vent was dat. Zeker ruw maar... hij had 'n hart. In 't Gasthuis stierf hij in 1941. In mijn schone herinneringen leeft hij voort en op mijn doeken nog verder... na mij.
 
Karel de Bauw
 

 
Koppen van bij ons:
Pië Klaus
 
door Karel de Bauw
(uit tijdschrift Ascania 1958-1)
 
'n Uur te laat kwam Pië op het atelier. Dat was zijn gewoonte niet. Vier uur was het beginuur. Twintig vóór vier was hij anders altijd present. Want zijn werk vroeg speciale voorbereiding: twee pinten zware lambik, 'n scheut vóór-oorlogse jenever, muts en rode halsdoek dezelfde zwier geven, kaf en spinnekoppen uit de baard kammen, en voor de spiegel nog 'n paar minuten lachoefeningen. Nee, nee, twintig minuten was hiervoor amper genoeg! En nu wees de klok vijf. Pië, Pië toch! Er was 'n reden. Verdomme, verdomme... hij vloekte z'n mond open, en met de kromme wijsvinger van zijn rechterhand toonde hij de juiste plaats, waar pas een tand was uitgetrokken.
 
"Doenkers heeft hem er juist uitgetrokken, nogal 'n stuk, hé!" Hij duwde mij de nog vettig-bebloede sjiektand in de hand. "En niet in slaap gedaan of niks... dat kost vijf frank meer, wat denkt dien, hé! Mijn tand was pas eruit of de telefoon rinkelde. Doenkers wees me naar de waterkraan om te spoelen. Nog juist vóór hij afhaakte kon ik hem nog wijsmaken, dat ik nog nooit mijn mond met water had gespoeld. En met de afgehaakte "cornet" wees hij haar 'n fles "'t wit stoopke" op de hank, Hij kon nu gerust telefoneren, hoe langer, hoe liever. Enfin, eindelijk ben ik hier geraakt. Spijtig dat zo'n stuk tand mij tien frank moet kosten. Maar... allé, onder ons gezegd en gezwegen... ik heb den Doenkers voor twintig frank jenever in zijn valies gegeven. Nu doe ik toch nog tien frank profijt?".