KOPPEN VAN BIJ ONS
 
BaailBertCyriel BogaertLeon GoossensOdilon Van GeertruyenFong van TieresGielen ZwakJefken den BaardJef KabalJef Van BelleKarel de BauwManke FielMollekenMong van 't HooghofPië KlausPië TubaPië van 'n DobbelenPië van OsselPië van SijbesRené De RopSjatSoë DesVos van de KalleZjorskenZuster LeocadieZuster LiesbetZuster Regis en de Belvédère

 
Click to enlarge image...
Fong kwam. De "pandoerspeler", kwam op doek. Daarna "Cambrinus", "Olijk type" en vervolgens "guitige klant". En hij bleef komen en pozeerde voorbeeldig. We werden echte, goede vrienden.
 
Maar de Malpertuustijd ging voorbij, helaas, en meteen de schone dagen. Tenzij wanneer hij nog pozeren kon of verse varkenspoten kon schenken. Fong gaf, gaf zichzelf, echt en met voldoening.
 
Zijn velo- en voetsporen langs de smalle bos- en veldpaadjes zijn al lang toegeregend. Ze leidden meest naar afgelegen stameneekens in de buurt van Kleigat en Kravaal, van Blarenkwartier en Kartelobos, van Putberg en de Lange Bomen, van Heierveld en Wolfrot. Op d'Hei vond hij de Witte en Peeken van Klottebelles, in 't Blarenkwartier de Witte Vrijdag en in 't Wolfrot Doke Schip en Witje Klok. En telkens keerde hij alleen terug, en liet in de donkerte slechts de geur na van vers-af gestroopte vellen en pijpedoemp.
 
Onze vriendschap duurt nooit vele jaren. Ze kunnen 't penseel slechts bekoren, wanneer ze tot de rijpheid van het leven zijn gekomen, helaas. Maar de troost blijft waken, want de zoete herinneringen groeien tot stille blijvende vreugde.
 
Ook u, mijn goeie Fong, gij die evenveel in Asse als bij 't Waaltje vertoefde, u dank ik voor dat schoon karakterbeeld dat gij mij - altijd vernieuwend - van uzelf zo ongekunsteld schonk.
 
Karel de Bauw
Click to enlarge image...
In een gezellig hoekje van Malpertuus waar Fong en ik tegenover elkaar aanzaten, vroeg ik hem heel stilletjes - de zaak moest immers tot Nieuwjaar geheim blijven - of ik hem mocht uitschilderen als kaartspeler. Men moest Fong van Tieres al vele jaren kennen, opdat men zou weten dat het absoluut onnodig was zich te haasten om een antwoord te verwachten. - Wanneer het toch kwam, dan deed u verstandig als u zeer aandachtig luisteren wou. Bij die vent kon je zelfs niet vermoeden of je al dan niet in zijn gratie stond, of dat hij uw aanwezigheid niet wenste. Toonde hij zich trouwens niet altijd goedgeluimd? Maar in zijn heimelijke oogskens en nog beter in zijn 256 pond baskulgewicht, kon hij verduiveld veel verbergen... als 't erop aankwam, wel te verstaan. Men zou het hem nooit durven aanrekenen, dat Fong zo ne fijne leperd, zo'n echte smakelijke deugniet kon zijn...
 
Hij was gewonnen en geboren op d'Hei in de Groenstraat, waar hij nu nog woont. Hij sprak de taal van zijn dorp, langzaam, sappig en kostelijk zangerig. Zijn grijze, breedgevleugelde Hindenburgse snor, aan de onderkant bruin-geel verbrand door de pijperook van zijn eigen-gewin-tabak uit zijn stee, liet hem de heerlijkste lambiek zuigend nagenieten.
 
Zijn vader, Benoë van Tieres, hield staminee en was poelier daarbij. In de korte maand van '86 kwam Fong op de wereld. Er waren acht kinderen - vier jongens en vier meisjes - en die hadden toen niet veel te protocollen. Hij had zijn plechtige communie nog niet gedaan toen hij al in de kareelovens zat. In 1907 trouwde hij met Trieneken Troch. Maar reeds in 't laatste jaar van de eerste wereldoorlog verloor hij zijn vrouw. Fong was toen twee-en-dertig en bleef alleen met vijf kleine kindjes achter.  " 'k Had er toch lijf en leen voor", filozofeerde Fong, en hij heeft al zijn kinderen voorbeeldig grootgebracht. "Niet da'k geen okkazie had, maar 't was voor de kinderen best dat ik nooit hertrouwde", wijsgeerde hij verder. In ons herberghoekje was hij ernstig, toen hij over die lang vervlogen jaren vertelde.
 
Hier in Malpertuus was hij thuis: kost, inwoon en al. Hij zorgde voor de nodige voorraad bier in de toog, kapte stoofhout en verzorgde de stoven, waste en plaste, hielp de kindjes op het potteken, boodschapte, ledigde op tijd de hem getrakteerde pinten, sprong in voor man-te-kort in het pandoerspel... Werk! Wel, men kon hem kroegmeester noemen, maar bij uitmuntendheid, als je de vervulling ervan wilde bepalen. Hij begon 's morgens te vijf-en-half en ge mocht gerust komen zien. O! In die tijd van Jang van de Laten zaliger was hij hier ook zo ten huize. Niet als nu - hij bekende het zelf zo graag - nu was 't een glorietijd. Klagen? Dat kon Fong niet, tenzij over de agenten, die door de vingers niet meer konden kijken, wanneer ze de ronde van middernacht deden. Dat 't vroeger veel beter was? Zie, als Fong daarover vertelde, liet hij zich zo zachtjes achterover gaan, terwijl hij met 't plat van zijn handen op beide knieën klapte. Toen waren er Soe Kenne, Waais van Piëkes en Gielen van Asbeek, met daarbij de oude kommissair, die in gewicht het kaliber van Fong overschreed. In die tijd was ne goeien hutsepot of 'n koppel kiekskens nog van tel, begot! Met niks zou men de mensen nog kunnen paaien hebben. Anker en zonne, een spelletje met de pas, niets was er plezanter.
 
Eén voorbeeld! Zie, die maandag van Krokegem-kermis zou hij nooit vergeten, op die bollebaan van Miel Chiek. Fong was daar aan 't slag op anker en zonne, samen met Veer van Lammekes, de Woest en Pee van Klottebelles. Onverwachts stond Soe Kenne voor de spelers en in tenue! Och Fong moest op de Kenne maar ne keer pinken en 't was al in orde. Onze ouwe agenten tuisten immers zelf te gaarne en Soe schoot rap in zijne zak. Pee kon er toen aan geloven en onze agent was met de winst weg. Als we 't staminee binnengingen, mocht de kommandant van de gendarmerie - ook ne vaste klant van deze herberg - voor éne keer mee profiteren van de Soe zijn winst; want onder ons: de Kenne was eigenlijk niet zot van trakteren. Toen Fong eventjes door 't venster naar buiten keek, zag hij de kommissair haastig naar Krokegem voorbijstappen. Soe Kenne probeerde hem nog binnen te roepen, maar hij was Soeit van Steskes al voorbij. Allen wisten wel wat die haast te betekenen had. De Witte Vrijdag, beroepsstroper, zou er kunnen voor doen deze keer. Maar 't zou dan wel besteed zijn: de Witte treuzelde immers veel te lang om nen haas weg te dragen, den domkop, den alweter.
 
Ziedewel, hoe minnelijk en aangenaam de polies was en ze vaarden er goed bij.
 
En nu was Fong - dag-in-dag-uit - in Malpertuus. Men had hem pas, door de nieuwgevormde vereniging, tot koning der pandoerspelers uitgeroepen. Een eretitel om fier op te zijn! Fong alleszins. Wie zou er nu met onze Tieres geen pandoerke slaan, tenzij Pieken van de Ronen, die razend zou worden, wanneer Fong, als eerste man, op zijn duzend gemakskes zijn pijp zat te vullen.
 
Om tien uur in de voormiddag was Fong met het meest dringende werk al uit de voeten. En wanneer dan die welgeklede heer van de administratie hem naar de baas kwam vragen, antwoordde Fong dat meneer te twee uur niet zou miskomen. De heer dankte met: tot deze namiddag dan! Onze pandoerspeler kon nog vlug verbeteren: dat hij te twee uur 's nachts bedoelde. Niet iedereen wist dat Malpertuus weelderig groeide en bloeide.
 
Fong zou er, zogezegd, ne keer op slapen; kwestie van die uitbeelding als pandoerspeler. Toen lachte hij, lachte hij hardop: of zijn lijf die goeie verf wel waard zou zijn. dat hij op zijn leeftijd maar veertig procent geslagen vlees zou geven. Ja, ja, met het slachthuis was hij vertrouwd: hij trok er iedere vrijdagmorgen heen. Hij stak zijn zoon daar een handje toe. Maar de vrijdagnamiddag benutte hij voor zijn stiel: haze- en konijnevellen gaan opkopen.
 
Hij zou er dus ne keer op slapen. De tijd begon te korten en de "pandoerspeler" moest vóór nieuwjaar klaar zijn. Twee weken later, ook op ne vrijdag, had Fong geen teken van leven meer gegeven. Nu moest het gebeuren. Witter Pot had hem gasthuisberg zien afrijden per fiets en wat verder gaf Soeike van de Wip bevestiging, dat hij de landerijen van Borrevaal was ingetrokken. Naar Walfergem dus; hij wist al te goed waarheen. Hij was nogal gejaagd tegenwoordig; de vellen waren in opslag. Naar Kobbegem toe, op 't Heierveld, stonden toen een half dozijn schone boerderijen. Hun akkers lagen verspreid in 't Heierveld, Steent, Wolfrot en de Vaal. Er was wild, zowel in de verspreide kleine bosjes als in 't groot kasteelbos. Neen. neen, stropers waren er niet. Wel mensen als Wannes Lens, Doken Schip, Lemmen van Boer, die liever het stoksken voorzichtig op het kopje legden dan wat zout op de staart. Trouwens, geen enkele boer kwam met paard of koe de hoeve uit zonder pjetsken of halven erwtrijzer. Kwestie van altijd bezig te zijn, nooit met lege handen te staan. En moesten de vliegen ook niet van de beesten gehouden worden? En... liep er dan een haasken tegen de slezze, je kon de beestjes toch niet laten afzien. Dat is goddank de menselijke reactie van de brave landman. En als Fong een hazevelleke kon vinden, dan was dat toeval, louter toeval.
 
Bij Dorken van Tareveld, boezemvriend van onze Fong, daar passeerde hij nooit, want de spinde was er altijd voorzien van goede oude lambiek van Bellekes. En Dorken, toen hij het doe! van mijn komst vernam, glimlachte eventjes. Kom! Hij ging mij vóór tot bij het achtervensterke, schoof het gordijn opzij en daar... in 't lommerken, stond de fiets tegen de oude appelboom en daarnaast, op de grond, een volle bakzak verse konijne- en hazevellen. Ne prima dag voor onze poelier. Dorken vond eigenlijk plezier in mijn verdere nieuwsgierigheid. Hij trok de spinde in en tapte een vol teil goeie oude om onder ons beidjes uit te kroezen. Hij moest hem nog wat met rust laten en 't duurde meer dan een vol uur eer ik alles mocht weten.
 
Een paar uren geleden was Fong met zijn vracht hier aangekomen. De nadorst van gister had hem erg aangegrepen. Malpertuus had opnieuw een zware nacht doorgemaakt en Fong had, in vervanging van de Sus, de rol van sheriff in een western moeten aanvaarden. Door tien bandieten moest hij zich laten omkopen voor scheuten whisky, die handig met een kordate snok werden binnengekapt. De ledige glaasjes moesten met nerveuze zwaai tegen de vloer kapot, terwijl tafels en stoelen tussen de zwemmende scherven vielen en een cow-bandiet in de luster verdoken zat.
 
Kijk daar! Doken wees mij opnieuw de weg. En in de heerlijke nazomerwarmte op de wei, tussen twee herkauwende koebeesten, zat Fong in zijn struik nog na te genieten van zijn deugdelijk slaapken. 't Zonneken dook dieper naar 't westen. Tussen het gebladerte van de hazelnootstruik zagen wij hem roerloos staren in de richting van d'Hei. Het potteken lambiek, ook hier gekraakt, zou nu wel goed verteerd zijn. Het lied van die leeuwerik, hoog boven 't Heierveld. deed hem denken aan gisteravond, aan verleden nacht. Hij glimlachte: hij genoot en schudde schelms het hoofd. Schone dagen! En hij zong, lichtjes hoorbaar, andantino lamentoso, het ontroerend lied : moe-öe 'k hem gesch...
 
Uit het Wolfrot kwam een kudde krassende raven de rust storen. Bamis naderde. Over koeien en Fong dreef hun vlucht langzaam naar Kobbegembos. De poelier keerde zich traag om en bleef de zwarte bende serieus nakijken tot... hij ons ineens glimachend opmerkte. Hij was gelukkig. Die volle zak vellen was immers ook van hem; hij zou ze thuis nog moeten rangschikken per kwaliteit. Maar waar ze precies vandaan kwamen ? Neen, nooit zou je 't weten. Zwijgen, zwijgen is altijd goud. Dat kost niets. Opbrengen ja... wel twee frank per vel. En daarmee weet ge 't effenaf, waarom Fong nooit uitstaans had met jagers.
 
Nu had hij er eindelijk "op geslapen", want toen ik wegging had hij nog geroepen: tot vanavond, vanavond thuis!!
 
En 's avonds rond acht uur stapte Fong op de Kalkoven binnen en duwde mij iets in de hand, los verpakt met blospapier. "Dat koppel verse varkenspoten is voor u, en voor dat andere... zo gezeid, ge weet wel... daarvoor zal ik hier morgen vroeg om acht uur zijn".
 
 
 
Koppen van bij ons:
Fong van Tieres
 
door Karel de Bauw
(uit tijdschrift Ascania 1964-3)
 
Van uit Malpertuus kwam de opdracht om Fong te schilderen.
'k Ben er nog dankbaar voor.
 
In een notaboekje, waarin losse krabbels, vlugge potloodschetsen, adressen en ook de namen van 'n dik dozijn volkstypen - ongeveer rijp voor konter feitsels - als Jokken, Pep, den Boester, Jet, den Buil, Koben, de Floeren, de Kalle, Pinaar en nog andere... stond ook de naam van Fong van Tieres, zelfs onderstreept, genoteerd. Wekelijks had ik mijn klanten die zichzelf kwamen aanbevelen thuis, op staminee of zelfs aan de kerkdeur vóór den offer: wanneer gaat ge mij ne keer op een schilderijtje zetten, astablieft ?
 
Pië Klaus, Sjat en konsoorten hadden mij vroeger al het bewijs geleverd dat volkstypen zich zomaar niet komen presenteren. Men moet die veroveren, net als ne jonkman zijn vrouwmens. En zij die voor de uitbeelding toch in aanmerking komen. weten helaas niet dat ze karaktermensen zijn, waaruit echte schoonheid straalt en geen mooiïgheid, waarin oningewijden zich vaak vergissen. Tussen pot en pint worden de kopen best gesloten. Van de nieuwe ontdekking tracht men ne goeie vriend te maken en, eens het vertrouwen gewonnen, krijgt ge hem totaal, hoe dwars en brutaal hij zich ook vertoonde.
 
Met Fong verliep het niet zo kwaad.