Op een koude aprilavond werd Gielen geboren. Vader Gille liet thuis zijn vrouw, bijgestaan door een paar buurvrouwen, in de steek, en ging het blijde nieuws alvast aan de geburen vertellen. Dat hij met hen menig glaasje "ouden" leeggemaakt heeft op de gezondheid van de nieuwe bleiter, is vanzelfsprekend.
Het was eerst een paar dagen later dat Gille weer een beetje op zijn effen kwam en met de steun van zijn vrienden de kleine is gaan "overgeven".
"Op 10 april 1863 is voor ons verschenen. Egidius Vleminckx, landbouwer, oud 38 jaeren, wonende in de vijfde sectie, dewelke ons verklaert heeft dat "te zijnen huijse" geboren is "eergisteren" ten elf uren 's avonds, een kind van het mannelijk geslacht, aen hetwelk hij verklaert heeft de voornaemen Egidius Josephus te willen geven".
Oef, van zoiets krijgt ge een droge keel! En samen met de bediende van de burgerlijke stand - dat ligt in diens taak begrepen - ging het gezelschap zich laven in 't Lammeken en er rechtover in de "Lion d'Or"!
De kleine Gielen groeide gelijk een kool en voor hij goed en wel op zijn benen kon staan, zal hij Bet wel menig grijs haar bezorgd hebben.
Toen Gielen tot de jaren van discretie of verstand begon te komen - dat is als ze u een snotneus noemen - sleet Gielen meer uren in bos en kant dan thuis op het hof. Hij leerde er duizend en één dingen die voor een knaap als Gielen nuttig om weten waren: welk hout gebruikt ge om een flokkebus te maken, hoe moet men kikkerbillen braden en op hoeveel tijd is een mus gaar?... Een andere school dan deze bestond voor Gielen niet en het is maar eerst in de catechismus van pastoor Danis dat Gielen met "leren" kennis maakte. En dan heeft die mens nog verloren moeite zijn Latijn in Gielen gestoken.
Gielen heeft zeker wel eens naar het vrouwvolk omgekeken, want, naar hijzelf verhaalt in een van zijn liedjes, had hij een-en-twintig lieven. Maar ofschoon hij dus keus genoeg had, toch is Gielen nooit getrouwd geraakt. Lag dat aan hem of lag de schuld misschien bij burgemeester de Viron? Bij die was het, naar het schijnt, niet zo gemakkelijk om getrouwd te geraken. Zo stuurde hij eens een bezembinder terug naar huis met de boodschap een andere stiel te leren en dan terug te komen. Met bezembinden alleen kon men, volgens hem. geen huishouden onderhouden. En als men weet dat bezembinden de enige stiel was die Gielen thuis leerde, ligt de oplossing voor de hand.
Zolang zijn ouders leefden, woonde Gielen bij hen op de boerderij. Als boerenzoon zal Gielen wel hard moeten meehelpen hebben om aan de roggeboterham te geraken. Toen echter na de dood van zijn ouders het hoeveken afbrandde, zei Gielen de boerenstiel vaarwel en ging inwonen bij de familie Hendrik Van Buggenhout-Van Cauter, die zelf acht kinderen had. Verwant was Gielen met die geburen niet, hij was er enkel een vriend van den huize, en wat doet men al niet voor een vriend in nood! Officieel heeft Gielen altijd bij die familie gewoond. Gielen had ook een identiteitskaart, met het nummer 1324. Heel veel zorg schijnt hij er niet aan besteed te hebben, want toen hij eens ondergebracht werd in het Gasthuis, kreeg hij er een nieuwe die het nummer 8309 droeg.
Gielen is gestorven aan het koudvuur, een ziekte die hij zeker opdeed door onvoldoende verzorging van zijn handen en voeten die wel meer dan eens bevroren zijn geweest, "Den negentienden mei negentienhonderd negen en twintig om zeven ure namiddag, is overleden in het Gasthuis der gemeente, staande alhier, wijk Dorp, Egied Jozef Vleminckx, geboren te Assche den achtsten april achttienhonderd drie en zestig, wonende te Assche, vijfde wijk, ongehuwde zoon van Egied Vleminckx en van Elisabeth De Troch, echtgenoten, beiden overleden te Assche".
Met hem stierf een der grootste zonnekloppers van Asse !
Hoe Gielen Zwak er uitzag
Een mens die Gielen Zwak niet kende en hem zo tussen licht en donker tegenkwam, zou er zeker van gaan lopen zijn! Hij was nog juist een voorhistorische mens: men zag alleen het tippeken van zijn neus en zijn ogen, de rest was allemaal haar en vodden. Zijn haar hing tot op zijn schouders en zijn baard tot halverwege zijn buik. Ge moet niet vragen of Gielen ook "beestjes" had als hij zo toegetakeld was! Bij Manke Fiel hangt nog een foto van hem, maar dan was hij nog niet op zijn "schoonst".
Wanneer hij in het bos woonde, werden zijn haar en zijn baard nooit afgedaan. Uitgezonderd die keer dat Bert het deed. Bert was ook "ne raren tip" en woonde daar boven op Terlinden om naar Koudertavaerne te gaan.
En op een goede keer heeft Bert gezegd: "Gielen, ik zal aven baat nekië afdoen, maa luistert, gaa moet langst dane kant van d'haag gaa staan en ik langst den andere, d"haag tussen ons twieënen zo zal ekik aven baat afdoen". Gielen tekende. Bert pikte de schaar van zijn Roze en begon met zijn nieuwe stiel. Opdat het schoon zou zijn, sneed Bert de baard in twee tippen. En Bert zei: "Looit ma naa a portret nekië zien!... Hawel, ge trekt gedomme goed op Ons Hiër!". En Gielen was zo kontent als een klein kind en heeft met dat zot gezegde van Bert wel een half uur gelachen. Sedert dan deed hij nog wel eens zijn haar af, maar dat was dan maar tot aan zijn oren, zoals dat nu de mode is.
Van tijd tot tijd moest zo'n pruikje wel eens ontvolkt worden. Om er dan de moed in te houden, zong Gielen er een liedje bij:
"Ik voelde er nog een in mijn hemd te kruipen
t'was een vlooi gelijk een paard,
Ik gaf ze niet lang tijd om te zuipen,
Ik pakte ze vanachter bij hare staart;
Dan ving ik z'in een strop
En hing ze aan een nagel op
Tot schande van haar familie (2 X)."
Gewoonlijk deed Gielen zijn beestjes niet dood, maar gooide hij ze een eindje van zich weg. Waarschijnlijk kon hij het over zijn hart niet krijgen die diertjes dood te doen. Voor de rest was Gielen ook struis behaard, zo sterk zelfs dat het haar van zijn borst weelderig uit zijn hemd puilde. Misschien is het voortdurend buiten leven daar de oorzaak van.
Gielen was gekleed met de kleren die de mensen hem gaven Als er hem iemand een hemd gaf omdat men zag dat hetgeen dat hij aanhad vuil en versleten was, zodat het in slingers uit zijn mouwen hing, of er maar vies bijgesleurd was, dan nam Gielen de gift in dank aan. Maar denk nu niet dat hij daarom het oude hemd uitdeed, het nieuwe ging over het oude. En zo deed hij dat met een vest, een broek, of gelijk wat. Hij had eens twee mutsen op: een hoed en daar een champetterskepie op! En als zijn klompen versleten waren, kreeg hij er allicht een paar nieuwe van een of andere boer.
Toen Gielen nog jong was, verstelde hij zelf zijn kleren. Op een plaatsje waar het stil en zonnig was, zat hij dan te naaien aan een jas of aan een vest die door een of andere braamdoorn gescheurd was. Als Gielen de kleermakersstiel beoefende, gebruikte hij daarvoor een naald van zwaar kaliber, misschien wel de grootste en dikste die er te vinden was. Of anders een pook-naald waar de boeren hun jutezakken mee dichtnaaiden. Als draad gebruikte hij fijnuiteengerafelde olmeschors. Dit was veel sterker volgens Gielen! Toen hij ouder geworden was, naaide Gielen niet meer. Misschien zag hij dan niet meer goed genoeg, ofwel was hij er te lui voor geworden.
Waar en hoe Gielen woonde
Toen Gielen nergens onderdak meer had, bouwde hij zich zelf een "villa". Voor hij echter deze woonst had, overnachtte hij in Kruisborre en bij goed weer wel onder de blote hemel. Zo is hij eens in Kruisborre ingesneeuwd. Dan had het fameus gevroren en gesneeuwd en de boeren van Terlinden dachten dat Gielen ergens zou bevroren gelegen hebben. Ze hebben dan veld over veld een baan geschoten, daar door de harde wind de sneeuw op hopen was gevlogen - recht naar het Kruisborre. En daar zat Gielen, drie dagen en drie nachten opgesloten door de sneeuw, zonder eten! Maar toen vond Gielen dat een eigen huis toch beter was en hij begon te bouwen. Zijn eerste "villa" stond in Kloskens' bos. Dat is het eerste dat ge tegenkomt als ge van uit Terlinden dat wegje volgt om aan de "Zeven Mastellen" uit te komen. Het ligt daar zo in een diepte, tussen twee ruggen van ons Brabantse heuvelland. Het is er zonnig en afgesloten van de noorder wind: zon en warmte, daar hield Gielen van!
Op een kwade dag is die hut van Gielen afgebrand. Dan hadden kinderen - waarschijnlijk waren die, niet van Terlinden of Koudertaveerne, want die zouden dat niet gedaan hebben - zijn huisije in brand gestoken. Maar Gielen heeft er niet lang om getreurd en begon opnieuw te bouwen. Zo'n hut recht zetten was voor Gielen een heel werk. Hij maakte eerst met vier stokken, die hij twee aan twee in een kruis bond, een geraamte: daarin werd een dikkere stok gelegd en het hele gebinte werd bedekt met bladerhout. Het volgende jaar legde hij er in de zomer nog een laag takken bij, zodat er na enkele tijd een kolossale muur ontstond met vooraan een kleine pijp om door te kruipen. De hut werd afgesloten met een zak die opgehangen was aan een stok. Was Gielen thuis, dan was de zak omlaag. was hij ergens aan 't luieren, dan was de zak omhoog. Daaraan wist men dus of Gielen thuis was of niet. Er woonden ook vogels in de muur van zijn hut, merels, koninkjes, en roodborstjes, zelfs de nachtegaal hield zich dicht bij hem op!
Die tweede woonst stond in het bos van Pië Luypaert. Dat lag boven dat van Kloskens, juist op den berg. Het was er niet zo warm en vooral in de winter, als de wind uit het westen waaide, verschrikkelijk koud !
Maar Gielen had een troost: de eerste zonnestralen maakten hem wakker en het was daarom dat hij op die plaats gebouwd had. En ook: "Dau es maaine vloer azoo vochtig niet as be-neeën".
Als het dan in de winter toch te hard vroor, liet Noeë van "Laipates" hem in de schuur slapen. Daar maakte Gielen zich dan een kot als voor een kalf dat niet op zijn poten kan staan, met stro en voor de rest met oude dekens en zakken. Gielen was daar heel tevreden mee. Was echter het hardste van de winter voorbij, dan stapte Gielen het af, want in zijn hut, daar sliep hij nog het liefst.
Wat Gielen deed om aan de kost te komen
Gielen bond voor de boeren van Terlinden en Koudertaveerne "piëtsenbestels". Tenminste voor die boeren op wie hij goed gezind was, en dan nog als hij er "goesting" voor had. Want als men aan Gielen vroeg om een paar bezems te binden en het stond hem niet aan, of hij had zijn tijd voor andere dingen nodig, dan kreeg men als antwoord: "'k Zal da wel nekië doen as 'k taaid hém". En Gielen draaide zich kort om en muisde er rommelend vanonder.
Gielen bond zijn bezems op een zeer eigenaardige manier... Vooreerst sneed hij zijn hout niet in de winter zoals de meeste bezembinders dat doen. Gielen had drie soorten hout nodig: elzehout voor de kern van de borstel, verder olmehout en berk. Om de bezems samen te binden gebruikte hij geen wijmen van wilg maar wel lange bramen die middendoor gekliefd werden. Zo waren zijn bezems tegen droogte en nattigheid bestand, want, zoals Gielen beweerde, bramen zetten niet uit of krimpen niet en zo blijft de bezem altijd even vast. En, het dient gezegd, zijn bezems waren goed !
Ander werk deed Gielen niet gauw. Soms ging hij bij de boeren de varkenspot afstoken omdat er dan altijd wel enkele aardappeltjes voor Gielen op overschoten. En "pellepatat" was voor Gielen kermiseten!
Verder overkwam het hem ook niet dikwijls dat hij hielp dorsen. Meer dan vijf slagen riskeerde hij zich niet, want hij kon zich bijna niet bewegen met heel die voddenwinkel rond zijn lijf, en... de omstaanders waren er ook niet erg op gesteld dat Gielen zich in het zweet zwoegde!
Als Gielen niet werkte - wat omzeggens altijd het geval was - dan lag hij in een of andere kant waar de zon goed scheen en het rustig was, te zingen of tegen zijn eigen te vertellen, ofwel gewoon te luimeren.
Wat er bij Gielen op tafel kwam
Meestal bestond Gielens menu uit de boterhammen en de soep die hij bij de boeren van Terlinden kreeg. Als Gielen rondtrok met zijn bedelzak, zou niemand eraan gedacht hebben om hem door te sturen, want een boterham, gesmeerd met vet van het paasvarken, zo groot dat ge er heel uw gezicht kon achter wegstoppen en een duim dik, zou geen enkele boer aan Gielen geweigerd hebben.
En 's middags was er altijd nog wel wat soep over waarin een goed hespebeen gelegen had, met daarbij een teljoor dampende patatten. Hemels eten !
Nochtans kende Gielen het verschil tussen goed en beter. "Ge meugt ziek zijn, maa van aa soep moede genezen", zei hij tegen Beloo van Laaipates, "maar dé van Finne van Kloskes, dat es maa fermicelle kadee zè!". Was men ergens hutsepot aan 't maken, Gielen rook dat en zorgde dat hij er rond de noen aanwezig was. Werd het varken doodgedaan, dan was Gielen er de eerste bij. De staart die ze dan goed lieten branden, werd door Gielen met smaak "afgeknainst".
Kwam de haringboer, Rik van Reddekes in die tijd, dan werd Gielen niet vergeten en kreeg hij zijn haring, waarvan hij alleen de kop overliet. Graat en staart, alles ging naar binnen, hij liet waarlijk niets verloren gaan.
Een kip die gestorven was - eentje die Ons Heer heeft doodgedaan, zei Gielen - die was niet slecht. Hij braadde ze boven een vuurtje, gewoon een stok erdoor, met pluimen en al, want dat geeft een mooi korstje op 't vel, en dat is het beste van al! Bij sommige boeren ging hij de varkenspot afstoken. Dat was een van zijn liefste bezigheden, want in den ast zat hij gerust en warm en als de varkenspatatten "merreg" waren, dan had hij er zijn deel van. Goede warme pellepatatten met wat zout, dat was kermiseten voor Gielen!
Het gebeurde ook dat hij zijn potje zelf kookte. Op een of andere zomerdag had hij ergens een "kastrol" gevonden, die de mensen weggesmeten hadden omdat er te veel plaatjes voor de gaatjes op stonden, maar ze liep niet uit, Gielen had dan twee stokken in de kant gestoken en daarop de "kastrol" met water en aardappelen gezet. Daaronder stookte hij dan een vuurtje, maar voorzeker had hij vergeten dat die stokken konden doorbranden want toen zijn diner bijna gaar was, waren de stokken doorgebrand en tuimelde alles de grond op. "En maain goei saas allemaa weg!" kreet Gielen.
In het bos plukte hij de jonge scheuten en bramen, iets wat zeer flauw smaakt maar toch goed is om de dorst te verslaan. Zelfs met een krop sla, die hij zo direct opat, kon men hem blij maken. Lambiek van 't vat lustte Gielen ook wel, maar overdreven dronk hij nooit, al werd hij wel dikwijls getrakteerd toen de dorsmolen kwam.
Gielen onder de mensen
Ge moet nu niet gaan denken dat Gielen niets anders deed dan de boerderijen aflopen achter boterhammen. Hij bezocht maar één huis per dag, en waar hij 's morgens een boterham had gekregen, daar mocht hij 's middags gerust nog soep gaan eten. Het werd hem van harte gegund.
Een ding dat Gielen nooit deed, was binnengaan in de huizen, want hij wist wel dat de mensen dat niet gaarne hadden. In de ast echter voelde hij zich volledig op zijn gemak, en het was vooral bij "Laipates" dat hij menige uren sleet vóór de pruttelende varkensketel. Daar hadden ze een grote ast met zwart-berookte balken en helemaal achterin was de ovenmond met daaronder de gapende ovenkuil waarin de asse van de oven en het houtvuur gegoten werd. Voor die kuil maakte men vuur onder de ketel, die met een ketting omhoog hing in de schouw. Op een omgekeerde bak zit Gielen dan daar, de kop tussen de schouders, naar het vuur toe gebogen, terwijl hij van tijd tot tijd een brok hout op het vuur werpt. Rond hem zitten altijd de kinderen uit de geburen om te luisteren naar zijn vertelsels. Het gaat over Kleudden met zijn keet, die alle gedaanten aan kon nemen, bokkepoten had en op klompen liep. Over de stallichten die de mensen deden verdwalen als ze 's avonds in het pikdonker huiswaarts keerden.
Zo vroeg Noë van Laipates, die zelf al menigmaal Kleudden op zijn weg ontmoet had, eens aan Gielen of hij Kleudden al was tegengekomen.
"'t Was laat in 't jaar, wanneer de dagen op hun kortst beginnen te gaan, hevige wind en de regen had niet opgehouden. Zo gauw het donker begon te worden, ben ik in mijn kot gekropen, maar in slaap geraken kon ik niet: het was daar zo nat en zo killig, het had zeker ingeregend. Ik ben dan van armoe terug buiten gekropen. Het was zo donker als een hel, maar het regende niet meer. Ik wandelde zo het wegje op tegen die spaanshouten haag van Jan van Snijders zijn hof en onder een van die paraplubomen ben ik blijven staan. Toen ik daar zo een hele tijd, misschien wel een half uur, gestaan had, hoorde ik in de verte een gerammel van ijzer. Twee ogen gloeiend als kolen kwamen naderbij. Ik was niets op mijn gemak, ge weet! Ik tastte naar mijne stok, een boomwortel met een dikke knoest op. Het kettinggerammel was nu goed te horen en ook een gegrol en gesnuit. Die ogen... mens of beest, als ik maar hard genoeg tussen die ogen klop! Ik hief mijn knuppel omhoog en sloeg dat het kraakte. Zonder af te wachten wat er nog ging gebeuren, ben ik naar mijn hol gelopen. Kleudden, want die was het zeker geweest, liet zich niet meer horen en ik heb geslapen als een varken, 's Anderendaags 's morgens ben ik eens gaan zien of Kleudden daar nog lag. De trekhond van de Floeren, in het midden van de weg, morsdood ! Maar vertelt dat van uw leven niet tegen de Floeren, want hij kan me goed zo dood slaan als ik zijn hond geslagen heb".
Het kleinste kind kon hem doen zingen; ze moesten maar zeggen: "Zing na nekië, Gielen" en Gielen was al bezig, want zingen deed hij gaarne als hij "erin" was. Hij kende immers alle liedjes van de orgels en zelf maakte hij er ook. Hij kon fluiten als een merel en bootste daarbij nog een heleboel andere vogels treffend na.
Dat Gielen ook zin voor humor had, bewijst volgend feitje. Hij zag een paar kinderen lopen en vroeg: "Gooide na de winkel?". En toen dit zo bleek te zijn: "Bring ma dèn nekië 'n string mostaat mee!".
In zijn jonge tijd zal Gielen wel heel Asse en omstreken platgelopen hebben. Maar toen hij ouder geworden was, bleef hij in Terlinden en Koudertaveerne. Daar voelde hij zich thuis en had hij alles wat hij hebben moest. Gielen ging ook niet naar de kerk, want, zei hij, als ik daar moest komen, dan zouden alle mensen van mij wegschuiven...
Geld had Gielen niet, geen radijs! Met geld kon hij niets doen. Sommige mensen wilden hem geld geven, maar daarmee kon men hem geen plezier doen. Hij was meer opgezet met een pot lambiek, een boterham of een bord soep.
Mensen zoals Gielen zouden zelfs nu niet meer in het landelijke Terlinden kunnen leven; hij zou "zennen dröë nemië kunnen halen", hij die zoveel van de natuur hield en zelf een natuurmens was.
Gielen en de vogels
Gielen hield verschrikkelijk veel van "zijn" vogels. Hijzelf leefde vrij als een vogel onder de vogels, die hem niet het minst schuwden. In de dikke takkenmuur van zijn hut bouwden ze hun nest en op de klep van zijn champetterskepie kwamen ze uitrusten. Hij kon dan ook niet uitstaan dat men vogels ving of "uittrok".
Want, zo vertelde hij, als iedereen nu zegde "ik moet een nachtegaal, of ik moet een sijsje of een merel hebben", dan zouden er voor iedereen geen zijn, en tenslotte, het zijn allemaal de onze en we moeten ze niet voederen of niets. Kwamen er vogelvangers, dan kon Gielen zich duivels kwaad maken. Hij ging zich dan in een bosje daaromtrent verschuilen en bootste de vogels na. De vogelvangers dropen vlug af, want geen enkele vogel waagde zich in de geburen. Gielen kon ook goed de vogels nadoen en van de trekvogels kende hij precies de dag van hun komst en van hun vertrek. Zo wist hij te vertellen wanneer de nachtegaal weerkeerde: tussen de vijfentwintigste en de dertigste april is hij hier, want dan zijn de elzebladeren juist zo groot als zijn tong! Maar daarom zingt hij nog niet! Gielen wist echter dat hij er al was, hij kende de vogels naar hun voorkomen. In de tijd van Gielen Zwak waren er in Terlinden drie nachtegalen. Een in het bos waar Gielen woonde, een in het bos achter "Potjeir" en een beneden in de "Muellekes ".
Het was de volkse dichter Frans Tirry die zich door Gielens liefde voor de vogels liet inspireren om de volgende woorden in maat en rijm te zetten.
De Merel en Gielen Zwak
't Was winter, hel de lucht en 't vroor,
De sneeuw lag zonder weg noch spoor,
Opeengetast twee voeten hoog,
't Was alles blank zoover het oog
Die witte oneindigheid kon meten.
Een boschman ruig en ruw gebaard,
Gedoffeld - bij gemis aan haard -
In jas, nog jas en overjas,
Was bij zijn hut van stroo en gras
In 't stille en slapend bosch gezeten.
Een merel kloeg den man zijn nood:
"Een stuk patat, een kruimel brood,
Och. as 't u belieft, geef mij een stuk,
Een stukje van uw groot geluk:
Ik zal 't u duizendvoud vergoeden ".
Mijn lieve maat wat zult ge doen?
Ge en hebt gij geen fret, geen hut, geen poen
Gij zijt me dunkt zoo arm als ik;
Maar wacht een enkel oogenblik,
Ik zal uw zwarte nood verhoeden.
Ik zie u geren beste vriend,
En g'hebt dit vast aan mij verdiend,
'k Ben ook een merel net als gij:
Gezworen vrienden blijven wij,
Ik leef en deel met u het leven mede!
Ziedaar de kruimels uit den zak (*)
Van uwen boschheer Gielen Zwak
En roep uw vrouw en kinders bij
Uw aller blijdschap maakt me blij,
Ik ben een man van eer en vrede.
Heb dank, heb dank, mijn brave man!
De dag dat ik u vergelden kan
Wat gij voor ons gezin hier doet
Breekt aan na dezen barren loet:
Ik zal mijn hartedank dan uiten!
Voor U zal ik als morgengroet
Hier bij uw hut met vroom gemoed,
Gedenkend 't goede dat gij mij deedt,
Alleene binnen Godes weet
Mijn liefste en schoonste deuntjes fluiten!
Sinds floot de merel 's morgens vroeg
Als 't pas nog drie, vier uren sloeg
En even lustig 's avonds laat
Bleef hij zijn beste kameraad
Van als de hagedoorns botten.
En Gielen lachte luid bij luid
Kwartieren lang zijn blijdschap uit
En hij was rijker dan een vorst
Met lint en kruisen op de borst
Hij liet die weelde voor de zotten !
Frans Tirry
9.3.1930
(*) Hij had een zak op den rug en ging zoo uit bedelen.
(Verschenen in "De Asschenaar")
Gielen en Sint-Antonius
Het gebeurde toen Gielen nog nachtverblijf hield in Kruisborre. De winter was hard en het had zodanig gesneeuwd "dat de mensen met hopstaken naar de huizen moesten tasten".
Gielen was gelukkig uit Kruisborre geraakt en baande zich met veel moeite een weg door de dikke sneeuw. Hij volgde de Kruisborreweg, om zo op Koudertaveerne te komen. Zo vond hij dan, bijna helemaal ondergesneeuwd, het kapelleken van St.-Antonius dat van de elzeboom afgewaaid was. "Als ik nu een nagel in mijn zak heb, zo dacht Gielen bij zichzelf, dan sla ik St.-Antonius terug aan zijn boom". Gielen had altijd nagelen en alle andere rommel in zijn zakken zitten, maar nu, neen, geen nagelen!
Het was of Gielen Zwak een ingeving kreeg: hij begon te zoeken en te wroeten in de sneeuw die zeker een blok dicht lag, en... hij vond de nagel die uit de boom gevallen was. Met zijn klomp klopte Gielen de nagel terug in de boom en hing het St -Antoniuskapelleken weer op zijn oude plaats,
"En St.-Antonius lachte precies op mij, want St.-Antonius, dat is een man, zulle; die is "nost ten baën" zoveel waard als Onze-Lieve-Vrouw! Daar kunnen al de andere heiligen geen kreaal bij doen ".
Gielen had veel vertrouwen in deze volkse heilige. Op een goede zomerdag was Noei van Laaipates peren aan het trekken op zijn boomgaard en Gielen liep daar ook rond onder de bomen. Plots had Noei zijn pijp verloren, en als verwoed "pijpesmoorder" kon hij ze toch zo moeilijk missen.
- "Naar wat zoekt ge,?" vroeg Gielen.
- "Mijn pijp lag daar op mijn vest onder die boom, en nu is ze weg".
- "jaja, hebt ge al gelezen voor St.-Antonius?"
- "Daar heb ik nog niet op gepeisd. maar ze kan toch niet ver weg zijn".
- "Ik zal een "vaderons" lezen voor St.-Antonius, en vinden zal ik ze!"
En Gielen bad zijn onzevader, devoot als een kartuizermonnik. Daar hij zich moeilijk kon bukken, "daggerde" hij, voetje voor voetje, het gras af onder de perelaar.
Het leek wel of St.-Antonius die dag zijn oren niet goed gewassen had, want ook Gielen vond de pijp niet. Noei was ondertussen weer in zijn perelaar gekropen; hij had niet al te veel vertrouwen in de kollaboratie van Gielen met de heilige van het varken.
- "Noei, ik kan ze ook... verdommen, daar hangt ze!".
De pijp hing aan een takje boven Gielens hoofd. Waarschijnlijk had een van de kleine snotneuzen, die daar rondliepen, met de pijp zitten gooien en was ze zo in de boom terechtgekomen.
In de Kruisborrekapel hingen, toen Gielen daar nog de drempel versleet, twee St.-Antoniussen, een oude en een jonge. Maar Gielen hield meer van de oude dan van de jonge die zo'n streng gezicht trok en altijd star vóór zich uit keek. De oude St.-Antonius was een vriendelijke goedzak en ook meer betrouwbaar, volgens Gielen; die kende zijn stiel al wat langer, ziet ge!
Het is eens voorgevallen dat pastoor Leyten daar opeens binnenstapte, op het ogenblik dat Gielen voor het beeld van die heilige Tonen zat te zingen.
- "Hawel, Gielen, wat spookt gij hier uit?"
- "Ha, meneer pastoor, ik ben aan 't zingen!"
- "Jaja, dat hoor ik wel, maar hier in deze kapel, dat doet men toch niet!"
Gielen keek van op zijn bank met grote ogen naar de grijze pastoor en:
- "Ik doe ik zo toch geen kwaad, ik zing voor St.-Antonius en daarbij, ze zingen in de kerk wel!"
De pastoor, had zijn kop eens geschud en was glimlachend verder gewandeld.
Gielen in het Gasthuis
De winter was voor Gielen een kwade tijd en het is zelfs tweemaal gebeurd dat de boeren van Terlinden Gielen half bevroren vonden en hem dan op een slede naar het gasthuis moesten brengen. Daar heeft de zuster hem ontdooid en er terug een goede van gemaakt. Er zal wel een straf sopje nodig zijn geweest voordat Gielen in de kraaknette omgeving van het gasthuis enigszins paste. Ook zijn weelderige haardos, samen met zijn kostelijke baard, gingen eraan. En als hij dan nog één proper kostuum aankreeg, was de nieuwe Gielen niet meer te herkennen.
De zuster had tegen Gielen eens gezegd dat hij naar het gemeentehuis moest gaan om een aanvraag te doen voor pensioen. En Gielen stapte naar het gemeentehuis, maar een tweede maal is hij er nooit meer geweest: "Dat moet daar wel tien keren door de wanmolen en als het dan per ongeluk op u vliegt, hebt ge het misschien; neen, neen, als ze dat niet direct kunnen geven, moet ik het niet hebben!"
Gielen vond het in het gasthuis wel goed van eten - "a!le vrijdagen patatten met een kiekerenei" - drinken en slapen, maar... het was toch dat niet ! Zolang het koud was, kon de zuster hem in het gasthuis houden, maar eens de winter voorbij, was Gielen weg. Terug naar zijn hut, zijn vrijheid in de bossen van Terlinden, zijn vogels! Het was hem genoeg een merel te horen in de hof van het gasthuis, en weg was Gielen, naar Terlinden waar de vogels veel schoner zingen. Onder de middag, terwijl de anderen aan het eten waren, muisde hij er vanonder. Maar Gielen had dan ook honger en hij ging zich een boterham vragen bij madam van "Rikskens". Toen die hem zag staan (Gielen zag er netjes uit en was een tamelijk struise vent), bekeek ze hem eens van onderen tot boven en sprak : "Wel zijde gij niet beschaamd, voor zo'n mens!"
"Waarom zou ik moeten beschaamd (*) zijn, madam, het is klare dag en ik heb dan nog mijn stok bij!". Gielen was dus precies nog niet op zijn tong gevallen.
(*) Gielen verstond "beschaamd" hier in de dialectische betekenis "bevreesd".
Toen Gielen de tweede keer naar het gasthuis werd gebracht, was het erg met hem gesteld. Hij werd toen al een dagje ouder en daarbij waren zijn ledematen erg vervroren. Veel kans op herstel had Gielen niet meer.
Op een meidag is Gielen gestorven aan het koudvuur. Men heeft hem dezelfde avond nog begraven.
In de kerk werd Gielen afgeroepen als "Egidius Vanderslagmolen. "Een gebed wordt gevraagd voor Egidius Vanderslagmolen". Noei van Laaipates vroeg aan Neleken Cens:
- "Maar Nelen, Giele Zwak, hoe heette die?"
- "Ha... Vanderslagmolen, hé!"
- "Dan zou dat zeker mijn broer moeten zijn of toch van mijn naar familie?"
- "Dat weet ik niet, dat weet ik niet, maar hij heet toch Vanderslagmolen!"
- "Die heet Vleminckx".
- "Allei!" zei Nelen.
Viktor Vanderslagmolen