Maar 30-35 jaar geleden was het toch plezanter hier. Ge moet weten dat er nu geen slapende gasten meer zijn. Dat is gekomen door het verplicht minimumloon. Ja, de pachters konden dat niet meer aan en de boereknechten moesten stilaan weg. Wat moesten die nu beginnen? Ze waren voor niets anders goed en vonden nergens werk.
 
Ik ben hier begonnen voor 5 frank per dag en toen stond ik in voor de propreteit van de koer; maar dan konde geen strootje meer vinden. Neen, naar de kerk ben ik niet meer geweest. Dat kwam doordat ik in de winter 's zondags soms twee maanden alleen op 't hof was. En de beesten moesten gevoederd en de koeien gemolken. Natuurlijk bleven de meiden om te helpen melken. Maar dan was de daguur beter; dat moet ik zeggen. Of er tussen meiden en knechten? Ja ik versta u wel. Nee nooit heb ik een meid lastig gevallen en omgekeerd ook niet. Daar mag ons Wis bij staan als ik dat zeg. Maar maandagen heb ik nogal gemaakt, veel. Dat was in de mode toen. Maar in de oogsttijd of een andere belangrijke periode... geen enkele of allee... weinig. De zondag ging ik een goei pint pakken en met de kaarten spelen en met een goed stukop 's nachts in de paardestal kruipen, dat wel. De schoonste momenten kwamen uit mijne jongen tijd wanneer ik ging dansen naar Brussel in de zaal VAN DIJCK of IN DEN BAUDEWIJN. Ge weet daar kwam onze slag, onze genre. Van als ik met Wis getrouwd ben, nooit meer. Het kwaadste seizoen op 't hof ? Dat was de winter. Dan de beesten voederen dat was geen karot. Voederbieten inhalen en vastgevroren kruid gaan trekken op het veld; zie als ge met drij paarden op nen achternoen met twee volle zware karren kon binnenrijden, dan was dat hard werken. Och, wanneer dan binst het jaar op de place de la Duchesse of elders een concours plaats vond, dan was ik erbij om de paarden op te smukken en hun achterbillen met mooie vierkantjes te tooien. Met de zware merries stonden wij veruit in de kijker. De mooiste bloem van het land, ons TULP behaalde de nationale prijs in 1973, Wat een bloem, wat een bloem.
 
En ik-Mong mocht met Tulp rijden voor korte werkjes op de koer. Nu is het aantal paarden sterk gedaald. Maar de kweek gaat verder speciaal voor de veredeling van dat schone ras.
Voor de knechten was 't hooghof steeds een goede toevlucht, 't Was er goed van eten maar slecht voor de sleet. Ik heb tijdens mijn leven op mijn paarden gevloekt en geschreeuwd en geslagen dat de bomen van Laarbeekbos kreunden. Dat komt omdat ik de tijd niet had om mij te hechten aan de paarden want hier werd commerce gedaan met de beesten en op 't hof te Bellingen niet. Dat is de reden waarom het ginder zachter ging.
 
Of ik mijn leven op 't hooghof zou willen herbeginnen? Neen met die doodse stilte nu op het neerhof, maar direct ja met de sfeer en grootsheid van vroeger"..
 
Tot daar de bekentenis van de paardeknecht Mong van 't Hooghof over zijn leven aldaar. Hij was geschapen om nooit veeleisend te kunnen zijn. De hoeve was zijn enige thuis geworden en zijn eigen familie was van hem weggegroeid. De zaterdagavond kreeg hij zijn pree, de pree van de week. Het gebeurde dat er enkele frankskes werden afgehouden; de pachtes hield dan de gespaarde rekening bij voor een te kopen kledingstuk, of blokken of schoenen. Culturele gebeurtenissen gingen hem voorbij, maar voor de fanfare die in 't dorp uitging bleef hij bewonderend staan luisteren met de handen in de broekzakken. Instrumenten als piano en viool waren hem vreemd. Wanneer de orgel in de danstent draaide bewoog hij glimlachend aan de toog en vaak danste hij ne vals met een werk-makker. De akkordeon was hem lief; dat instrument (le piano du pauvre in Frankrijk) werd immers bespeeld door een gewone man zoals hij met muts en halsdoek. Óp oudere leef tijd werd Mong door flerecijn gekweld en moest het zware veldwerk loslaten. Met de hulp van een zelfgemaakte gaanstok verplaatste hij zich toen hij 65 jaar werd, maar van de ploeg en eg bleef hij nu weg. De tracteurs hadden de paarden al verdreven maar op 't neerhof bleven nog zoveel werkjes op hem te wachten. Hij bleef zolang op de hoeve, zolang hij zijn lichaam tot boven de berg kon sleuren om de schone bloem Tulp te kunnen strelen. Hij heeft op zijn paarden gevloekt; zij waren de enige wezens waarover hij meester meester was op het veld; want reeds bij het terugkeren op de binnenkoer viel dat meesterschap weg en ook de vloek. Zijn stiel is nu uitgestorven en zal nooit weerkeren. Hij is opgeslorpt door de algemene welstand en de aftakeling van de boerenstand. De slaafse koeier is er uit, hij is de folklore ingetreden.
 
Mong de illuster geworden paardeknecht, de meesterknecht van 't hooghof heeft zijn misnoegdheden gekend, maar ook zijn trots op 't hof. Tot in de kleinste bijzonderheden was hij meester over het boerenmateriaal en ook over alle onderdelen van het gareel, de boerenwagen en de drijwielkar. Hij kon het gareelpaard en het bijpaard uitkiezen en speelde met dissels en kelven, met riemen en kettingen. Op latere leeftijd werd hij door pijn gekweld in de rechterheup maar verloor zijn kontakt met de hoeve niet tot zijn laatste drie levensjaren. De twee dochters van de mooie merrie Tulp : Elna in 1978 en Flora in 1979 hebben ook de landstitel veroverd. Daarna in 1988 is de kleindochter Polka de nationale merriekampioen van de zware trekpaarden geworden. De drie laatste kampioenen heeft Mong niet meer gekend, want hij is gestorven op kerstdag in 1979.
 
Sinds 1887 bezet de familie Verheyden het hooghof. In 1987 werd de 100-jarige aanwezigheid met groot feest gevierd. Nu zijn er geen nakomelingen bij de Verheyden's die kunnen in aanmerking komen voor de voortzetting en in 1991 eindigt de pachtovereenkomst. Wat wordt de toekomst van 't hooghof?
 
Mong van 't hooghof is nu niet meer en heeft 55 jaren op de hoeve verbleven. Naast en door de grote familie Verheyden heeft hij een eenvoudige maar wonderbare rol gespeeld. In de geschiedenis van de grote hoeve kan hij niet meer verzwegen worden.
 
Karel de Bauw
 

 
Click to enlarge image...
Click to enlarge image...
Van 1950 en de jaren die daarop volgden veranderde gaandeweg mijn werk van onderwerp. Het uitbeelden van binnenhuizen en genrestukken ging over naar de boerenfiguur maar hoofdzakelijk het brabants trekpaard, hetwelk nog volop de velden sierde. Van de teleurgang die in de zestiger jaren heel snel zou beginnen toeslaan, was nu nog weinig te merken. Van kindsbeen af hield ik van het boerenleven, de knechten en de dieren. Maar het zware trekpaard bekoorde mij meest, Van hieruit tot diep in 't Pajottenland zocht ik langs de wijde velden de schoonste paarden op en kwam voor vaste perioden terecht te Bellingen op de grote dorpshoeve alsook te Zellik op 't HOOGHOF. Óp de akkers rond laarbeekbos trof ik MONG, de paardeknecht van 't hof; hij ploegde achter een driespan, hèt normaal gespan van de hoeve. Een grote vlakte moest hier worden omgereden. Alleen het dichte bos ernaast en aan de andere zijde de brandnevelige verte met het hooghof aan de einder gaven een bijkomende schoonheid aan het landschap. Achter Mong volgde ik het driespan en aan 't einde van elke nieuwe lange "voor" werd een poosje stilgehouden na het draaien van de paarden en ploeg. Mong lichtte daar een zware aardkluit op, raapte er een fles vanonder en dronk. Toen zei ik waarvoor ik kwam en toen hij mij doende zag glimlachte hij. Het was een man van middelmatige grootte, droeg een gelapte donkergrijze broek en een vervuild bleek vestje. Boven zijn blauwachtige muts die hij links droeg bengelde een donker knoopje. Een rode halsdoek opzij geknoopt gaf meerdere kleur aan zijn diep gebruind gezicht. Er moesten nog vele dagen geploegd worden. Hij keurde het goed dat ik op elke zonnige dag zou terugkomen. Mijn goede relatie met de pachters nam meteen elke vervreemding weg tussen Mong en mijzelf. Er groeide een openhartigheid tot hij het verloop van zijn leven toevertrouwde.
 
En Mong bekende:
 
"Weinige mensen weten dat ik Edmond Haentjes noem en dat ik in Zele geboren ben op 8 augustus 1906, Van mijnen thuis weet ik niets meer. Mijn moeder heb ik nooit gekend en als ik zes jaar was stierf mijn vader. Ik was 12 jaar toen ik samen met mijn broer Achiel de wijde wereld werd ingezonden en wij kwamen terecht te Groot-Bijgaarden bij de broeders van de kristelijke scholen. Men vertelde ons dat een verre nonkel daar directeur was. Toen Achiel 14 was kwam hij op den boer terecht te Sint-Ulriks-Kapelle op het pachthof van Bril (Van den Bruele). Hij heeft daar vele jaren verbleven tot brouwer Girardin hem daar wegtrok. Och aan dat weggaan is een droeve geschiedenis verbonden want die brouwer was de eerste de beste niet.
 
En ik dan? Wel, in de zomer van 1920 kwam paardemeester Huygens van Jette mij uit het klooster weghalen en voerde mij met paard en sjees naar 't hooghof te Zellik. Ik was 14 jaar toen, en werd koeter en stalknecht en moest de binnenkoer proper houden. En die was proper toen. Ik moest ook leren melken en de koeien uitdrijven en daarbij stallen mesten. Voor de trekpaarden stond ik al in bewondering. Er waren op 't hooghof 22 werkpaarden. Zeker 5 paardeknechten die konden inspannen en rijden waren dagelijks aanwezig en dan met een pachter meegerekend waren er soms 6 driespannen in de velden. Ne goeie paardeknecht bleef vaak van jaar tot jaar, hij kon altijd gerust op een andere hoeve beginnen al was het maar voor één franske per dag meer. Ik was twintig jaar toen ik alleen de velden in mocht met eender welk gespan. Er waren 2 ongehuwde pachters op 't hof: pachter Charel en pachter Richard Verheyden. Pachter Richard is getrouwd in 1921 of 22, ik wil er af zijn. Tot 1927 of 28 hebben de twee pachters samengewerkt; daarna is pachter Charel verongelukt.
 
Hier verbleven op 't hof acht slapende gasten, waarvan er vier in de paardestal sliepen, twee daarboven en twee in de koeiestal. De namen ervan?: de Kleudden, Vossen Tist, Pit, Soeken de eenarm, Seppen, Fons, Wannes van Laken, Flup van de Scheper... en twee meiden die dienden voor 't huishouden en het melken. Er werd in die tijd driemaal per dag gemolken: om 5 uur 's morgens, om 11 uur en om 5 1/2 uur in de namiddag. Er waren altijd 25 tot 30 melkkoeien af te werken en als de pachtes het me vroeg molk ik 10 beesten voor mijn part. 't Is niet omdat ik het zelf zeg, maar ik was een uitstekende melker. Welke namen de paarden hadden?: Ida, lewine, karline, laura, kalmte, meineken, germonte... Er kwamen driehonderd merries per jaar naar onze hengst en het was ik-Mong die de hengst moest uithalen, de merrie laten afpruven. en laten dekken.
 
's Zaterdaags had ik de speciale opdracht om de messing op te kuisen en de grote koer te onderhouden. Voor het eten van de beesten in te halen en voor te bereiden stond ik mede ook in.
 
Er waren toen nog geen kinderen op de hoeve, maar luister goed naar wat ik u nu ga vertellen: In 1924, ik was toen achttien jaar en 't was op ne zondag, moest ik met de sjees pachter Richard en de pachtes naar de statie van Berchem voeren. Ze zouden vandaar de trein nemen naar Galmaarden bij hun familie. Ik had Cara ingespannen en ge weet dat 't hooghof hoog op de berg ligt. Bij het steil afdalen brak de guide en Cara sloeg op hol. Er was huilende paniek en daarbij was de pachtes in verwachting van de oudste dochter. Ik aarzelde geen ogenblik en sprong vliegensvlug op de brancard en slingerde mij op Cara en schoof tot bij haar kop en kon de teugels nog grijpen en begon zo krachtig te zagen tot het paard nog voor een grote balie stilhield juist bij de zeer korte draai. Mijn patrons waren ongedeerd maar ik was gekwest aan beide billen door de ringen van de zadel. Ik spande het paard uit en reed met een ander naar de statie van Berchem. Had het paard vrij kunnen doorhollen dan was een zwaar ongeval onvermijdelijk geweest... Ik was gelukkig... awel, dit feit heeft een rol gespeeld in mijn verdere leven op 't hof. Wanneer er moeilijkheden waren met mij - en die zijn er dikwijls geweest in al die jaren - was het steeds de pachtes geweest die optrad in mijn voordeel. Nu nog heb ik mijne moed vol als mijn geheugen haar oproept. Ja, en dan zijn de kinderen gekomen : juffrouw Clotilde, Mil, Pol, Jozef, Victor en de lieve Lucia. Ik heb ze allemaal weten opgroeien en volwassen worden. Van allen heb ik gehouden, veel gehouden. Mil die heeft mij eens bedankt omdat ik hem zo goed leerde werken. Aan de zijde van Pol heb ik meest gestaan omdat hij paardeman was natuurlijk. Pol die heeft gewerkt, hard gewerkt; daarover kan ik getuigen. Mensen en dat voor ne jonkman. Om op de paarden terug te komen; soms waren er 18 op 't veld. Zes maal drij! 's Morgens om zes ure kregen de paarden te eten en om zeven ure moest elke paardeknecht met zijn gegareeld gespan op de koer staan. Ieder met zijn drij paarden; kunt gij u dat nu voorstellen ? Om elf ure waren wij terug op de hoeve om te voederen en om l ure waren wij opnieuw in 't veld tot laat in de namiddag. Om tien ure in de voormiddag bracht pachter Richard de lambik. Het eten werd op het veld gebracht te vier ure stipt, 's Noenes aten de gasten samen in 't ovenkot met een tiental man. De meiden mochten binnen eten.
 
Of het eten goed was op de hoeve? In 't begin mocht dat zo zijn maar later is dat honderd procent gebeterd: vet, spek en bouillie. Eigenlijk waren er drij soorten van eten: een soort voor de patrons, een voor de meiden en een voor de knechten. Ja, ja 't eten van de meiden was beter.
 
Want iedere gast kende het volgende gedicht op 't hooghof:
 
De meid en de kat
hebben altijd wat
De knecht en de hond
moeten wachten tot het komt.
 
De slapende gasten bleven nooit lang; maar zij die 's morgens kwamen en 's avonds naar huis gingen, die bleven op 't hof zoals Staaf, Julleke Cooman, Vossen Tist en Pit van Praet. Dat waren al mannen van 60 jaar en meer. Maar laat ons over de paarden verder spreken. Awel als 't modderig was en vies weer, dan spande ik in met vier paarden neveneen. Dat was simpel, de ketting van de kelf moest ge twintig cm. langer maken. Da's alles. Wanneer de eerste trakteur hier gekomen is, dat duurde niet lang. Ze moesten dan met twee man zijn omdat de ploegen nog niet gemoderniseerd waren. Ik kon meer omrijden met mijn drij paarden en ik alleen dan zij, De trakteur verhuisde rap naar Sinte Mettens.
 
Jaarlijks kregen wij zo'n 35 veulens bij. Twintig door eigen kweek en vijftien bijgekocht. Ik heb geweest dat ik zes veulens op één dag leerde werken; maar dan voelden ze dat ik de baas was en of ze het voelden. Er waren perioden dat er 70 paarden op 't hof waren: veulens, achttienmaanders en zware paarden. Ja. ja, en we gingen naar de keuring met elf hengsten.
 
In 1932 ben ik getrouwd met WIS (Louiza Sneyers). Zij was een weduwe en we zijn hier beneden in de buurt gaan wonen. Sindsdien heb ik nooit meer de hoeve verlaten. Vroeger wel. Drij keren. Waarom? Omdat ik meende meer te verdienen. De eerste keer ben ik naar Anderlecht gegaan naar de rue St. Guidon bij ne paardenmarchand en ik ben ook één jaar bij Vertommen geweest in Zellik. Daar kwam pachter Richard mij vragen om terug te komen. Hij beloofde mij wat meer.
 
Tussen de knechten onderling ging het soms niet best. Pachter Richard was de man niet om ruzies op te lossen. Ik-Mong moest er mij mee moeien en zo heb ik er in mijn leven veel tegen de rnuur gezet.
 
Wanneer de oogst in de schuur stak en de dorsmolen moest komen waren wij met zestienen. En ieder had zijn werk. Gedurende drij dagen. Wie was de beste zakkendrager? Mong natuurlijk. Drij volle dagen droeg ik zakken van 100 kilo boven op de graanzolder. Vraag het maar aan Pol, ook hij is ijzersterk. Vaak hadden wij de gelegenheid ons forse nekeer te tonen. Aan elke kleine vinger hing ik een gewicht van twintig kilo en stak ze tot over mijne kop. Pol, die kan dat ook. Och, op zekere dag wou ene van Mazel de sterke jan uithangen en hij wou nen oude gast in de messing smijten. Hé vent pak mij eerst zei ik hem en 't was geklonken, ïk heb hem nooit meer gezien. Ik steek mijne vinger omhoog; ik heb nooit slaag gekregen maar een woord is er overal ne keer. Is 't niet waar?
 
Zie wanneer pachter Richard mij een werk oplegde waar ik geen zin in had en weigerde, dan duurde dat niet lang. Ik kreeg ne pot lambik en klaar was kees.
 
Zie. Wanneer er hengsten moesten gesneden worden was het altijd Mong die ze moest pakken. Dan stond paardemeester Huygens van Jette op de binnenkeer. Die man zou nooit hengsten snijden zonder Mong. Is Mong doar? Dat had hij al getelefoneerd, want anders kom ik niet, zei hij. Huygens was ne man uit de duzend. Hij kwam met zijn sjees het hof binnegereden met ne vosse loper. Boven zijn zware schoenen droeg hij vosse getten en zijn hoed was er een zonder kleur maar geboetseerd door weer en wind naar het model van zijne kop. Hij was lang en pezig, mager en slank en in zijn gezicht blonken valkeogen. Het paard was zijn lievelingsdier. Huygens van Jette was er enen uit de duzend.
Koppen van bij ons:
Mong, de paardenknecht van 't Hooghof te Zellik
(Edmond Haentjes 1906-1979)
 
door Karel de Bauw
(uit tijdschrift Ascania 1990-4)