De Vos van de Kalle sprak dus het zuiver plat Asses dialect en behoorde tot diegenen die droefheid en neerslachtigheid ontvluchtten en alle omstandigheden ongedwongen en ongekunsteld konden omzetten tot blijmoedigheid. Hij was steeds goedgestemd of zag er als dusdanig uit. Niet dat hij met de glimlach te koop liep; zijn normale uitdrukking was een hem eigen schalksheid.
 
In mijn beginperiode 1932, besliste ik, na de KAARTSPELERS van 1930, een tweede genre-schilderij te maken. Het werd DE JACHTWACHTER. Jef poseerde voor jachtwachter met jachtgeweer om de schouder, tonend een gestroopte haas aan de vermoedelijke stroper, voor dewelke CHALE VAN BAASSES poseerde. Dat tafereel werd ingegeven omdat beiden in werkelijkheid boswachters waren van Karteloobos en landerijen eromheen. En zij waren daarbij goede klanten van Mil van de Chik, de staminee van vader. Na elke poseertijd kon ik ervaren dat de VOS een boeiende en aangename verteller was.
 
In 1913 was hij veertien jaar geworden en de maand daarop was hij al metsersknaap in Brussel bij de grote aannemer Kegelaar. Toen hij goede metser begon te worden brak de oorlog van '14 uit en 't werk begon stilaan te slabakken. In die woelige tijd was thuisblijven best en liever hier en daar wat rattekes doen door metselwerk van klein formaat of kleine verbouwingen. Een begin om een zelfstandig leventje te leiden en van niemand afhangen. Wel daarbij boswachter spelen voor meneer en zo wat bijverdienen. Drinkgeld was dat. Met geweer op de schouder bos en kouter afwendden en onderweg met de boeren een babbeltje slaan is dat afhangen van iemand? Kinderen afschrikken en stropers bedreigen... afdreigen dat is serieus verwittigen. Zo ging dat en zo moest dat gaan ook. De Witte Vrijdag en den Badder en de Krol van Nelle, den Duvel van Jettes, de Sjoel: van Baron en Kop van Mollekes... die mannen weten genoeg. Gaarne gezien worden en dikwijls getracteerd worden. Luister ne keer, ge moet leren door de vingeren zien. Pakken dat is 't leste. Alleman moet leven; de heren van Asse en de commissair kennen dat liedje. En welstaan met d'heren en de commissair en met al d'agenten: Wais van Piëkes, Soe van Kennes en Giele van Asbeek.
 
Zonder ne schuffel te zijn en dan getracteerd worden. Dat is de kunst.
 
Na de eerste oorlog begon alles te floreren. Wel stillekesaan maar zeker. De heerlijke bloeiende jaren moesten nog komen.
 
Na vier jaar stilte moest de eerste Krokegem-kermis nog komen op de tweede zondag van oktober. Men begon opnieuw ernstig te verlangen. Die kermisweek zou er weer wittebrood gebakken worden en 't verken geslacht en vlaai gemaakt... kermisvlaai. De Vos genoot van al de kermisdagen, de ganse week tot en met katuit natuurlijk. Als ge dan Jef zaagt, zaagt ge ook Kapper, zijne boezemvriend, de zoon van Net van Brures zaliger. Ne zonderlinge plezante man. Goed in 't vet. Als het over perten-bakken ging dan had de Vos er toch het grootste aandeel in. Zo van die perten op 't randje af, waar nu de gendarmen zouden tussenkomen b.v.b. Maar vermits de gendarmen en d'agenten vroeger ook op staminee gingen en meededen gelijk Jan en alleman... dan moest het werkelijk gemeend zijn om in te grijpen.
 
Maar de Vos ondervond door zijn manier van leven dat die kleine rattekes doen, samen met de jachtwachterij niet volledig voldeden.
 
Wanneer er veel volk was, inzonderlijk met de kermisperiode, merkte Jef alles goed op tussen pot en pint. Hij noteerde ook goed dat benevens de kermistenten ook enkele staminees "spel" hielden. Te Jaskes in de Keiestraat, juist in de buurt van de Vos, daar speelden toch de twee beste accordeonisten van Krokegem, Daleken en Swait van den Bester. Of er daar vermaak was; te Jaskes waren toch vier maskes en nog drie jongens ook. En schoon volk. De Vos kon verder geen vermaak meer vinden. Hij werd er verliefd op Finne en uit schrik dat 't zou af geraken trouwden ze in 1919 al, allebei twintig jaar op enige dagen na.
 
Louis de Koetsier zag in Jef ne commercant en gaf hem de raad iets te beginnen in verband met vermaak. Iets organizeren met Krokegem-kermis. Op de grond van Fisken aan de Wijndruif stond toen de tent van Tisjken van Jette, gehuurd door Torren de Leeuw en Luppen van Treeze van Kaamberg. Dat was de beste plaats van Krokegem en geld dat ze daar wonnen!
 
Bij Jef kreeg de verbeelding vaste vorm, alsof hij met beide voeten in een mooie werkelijkheid stond, alsof een onmiddellijke veelbelovende toekomst voor het grijpen lag. Wat Torren en Luppen deden dat kon hij toch ook... hij de Vos van de Kalle. Allemans vriend.
 
De Vos ging polsen bij Torren voor dewelke hij een klein metselwerkje had uitgevoerd. Er kwam een akkoord. Ze zouden samen spelen bij Louis de Koetsier. Wel een beetje afgelegen maar toch goed voor het volk van Terheide, d'Haa. Ze huurden de tent in Opwijk bij Vanstichel en kozen een schone orgel Mortier van 91 toetsen.
 
Als de kermis voorbij was en de rekening werd gemaakt was het resultaat eerder mager. Wel weinig gewonnen maar toch 1.700 flessen geus verkocht, echte kadee van Rie van Rikskes, aan d'hand gedaan door Mil van de Chik. Nog een geluk, want er stonden in dat jaar 1923 acht tenten in Krokegem. In DE KILO stond Kola, bij Louis de Koetsier de Vos met Torren, bij Mollekes Sjale van Mollem, dan bij Beloo Baron, bij Fisken of Koben van Beneden, bij Soeken van den Berg, bij Soeit van Steskes en de leste die schoon spiegeltent van Broekmeyer van Willebroek bij Mil van de Chik.
 
Een tent huren met placement en al dat was geen probleem, keus genoeg, g'hadt maar te kiezen. De lijst van de eigenaars lag bij de Vos op tafel: Tisjken van Jette, Sjale Créaux van Ganshoren, Lommen van de drij sleutels van Zellik, Kola van Asse, Sjale van Mollem, Soeit van Steskes, Fong van Nijverseel, Vent van Liedekerke, Jenten van Willebroek, Verstraeten van Appels, Broekmeyer van Willebroek met zijn spiegeltent.
 
Tijdens de winter 1924-1925 zat Jef bij Beloo Baron in 't staminee. Daar ging hij nogal. Wie daar ook binnenkwam... de Witten van Jang van Beneden, ne schrijnwerker van stiel. Samen ne keer gedronken en wat gebabbeld over van alles... ook van tenten. Jef vertelde dat 't toch spijtig was steeds een tent te moeten huren, dat het vet er daarmee af was.
 
Maar... zei de Witten en hij peinsde ne keer goed na... een tent maken dat kan toch zo "vreed" niet zijn, en er kwam een heel serieus gedacht in hem op. Luister. En hij zei dat Fisken toch zijn matant was en heure man Koben van Beneden was toch de broer van de Witten zijn vader. En moesten wij daar kunnen samenspelen. Dat is toch familie. De Vos spoorde de Witten aan daar geen gras te laten overgroeien. De Witten trok bij zijn matant Fisken en ze mochten daar de schuur gebruiken als werkhuis om daarin een tent te vervaardigen. Alles scheen al in kannen en kruiken en de Vos liep schuifelend huiswaarts en droeg in zich de hoop op een mooie wonderbare tijd die nu komen zou.
 
Er werd gekozen voor de vorm van de tent en het zou een vierkantige worden, wat in werkelijkheid rechthoekig betekent.
 
In september van 't jaar 1925 werd begonnen met de oprichting van de nieuwe tent op de goeie plaats van Fisken waarop tot verleden jaar nog Luppen van Treeze zich zoveel jaren had vetgesmeerd.
 
Een mooi wit zeil en de prachtig groen geverfde onderkant, met juist boven de ingang een zeer brede rechthoekige sneeuwwit geverfde plaat trok wel de aandacht, want daarop moest de benaming nog komen. De oude Vader Kalle vond het opschrift. Dat ligt toch voor de hand: De Witte van Jang Van Beneden en de Vos van de Kalle, in 't kort samengevat DE WITTE VOS.
 
De plansjee werd gelegd in schone "spikspin". Door het vrouwvolk werden kilo's parafin geraspt en fijn zagemeel gestrooid. Hoe gladder de vloer hoe beter de vloer voor de valsers. Het orgel werd de laatste zaterdag binnengebracht. Hier had men al lang getwijfeld voor de goeie keus. Ge kon kiezen onder de gavioli met 74 toetsen, de maragi met 76, de piotte met 80, de Danneels van den Heysel met 80, de mortier van 84, 91 en 101, de cap van 90, de carl Frey met 84. Het werd de cap, toch de schoonste en de best gekende met een nieuwe moteur lyster. Een goede en trouwe en ook stipte boekensteker werd vlug gevonden, Rik van Broodzakkes van de Morette. De boeken werden geleverd door de beste muziekkapper van Brussel, Fontenelle. Een tachtigtal verschillende dansen werden besteld - één aireken per boek. De walsen, de polka's, de foxtrotten, de mazurka's, de charlestons, de schotissen en marsen kregen ordentelijk hun eigen plaatsje achter het orgel. Ne goeie boekensteker was er wel nodig opdat de moteur niet in pan zou geraken. Was dat wél 't geval dan moest met mensenkracht 't orgelwiel gedraaid worden tot de herstelling. Er was dan vaak paniek onder de dansers, want den ene draaide te rap en de andere te traag. De misnoegdheid vond men meest bij de valsers.
 
Er kwamen dan ook betrouwbare en snelle rondhalers bij te pas en genoeg tijdens de spitsuren voor de halvedans. Finne van de Vos, de Witten zijn vrouw, Zjors van Metten, Pier van de Kalle, Jukke Vrijdag en ook zijn vrouw Finne, Maria van Torren...; op die kon vast gerekend worden. Bij de halve dans hoorde men als in koor AASTABLIEFT !! Dan vlug zijn om bij elk koppel de 10 centiemen op te halen; want de boekensteker wachtte op de startroep JOO !! om voor de tweede maal dezelfde dans te steken. Tussen die twee dansen in bleven de dansers op hun plaats op de vloer wachten. Het rondgehaalde geld kwam bij de wisselman terecht. Die zat achteraan rechts van het orgel achter een tafel. In 1925 telde men een kloemp voor die twee dansen, t.t.z. 10 centiemen. Gaf men bijvoorbeeld een kwartje, dan mocht ge bij de wisselman na de dans een kloemp en een half-kloemp gaan terug halen. Dat lag direct op die tafel klaar.
 
De Vos zat altijd aan den "entree". 1,50 fr. per persoon. Daarvoor kreeg men een kasjét goed zichtbaar op de hand voor vrije in- en uitgang. De Witte die stond met zijn volk aan de tap binnen. Buiten zo een tiental meters van de "entree" had Kapper met hun toestemming een zelfgemaakt tentje opgeslagen, waaronder hij mosselen en friet verkocht.
 
De zaterdagavond werd de kermis ingezet zonder inkomgeld. Zondagvoormiddag was de "entree" ook voorniet. Maar van 2u30 af zat de Vos achter de ingangstafel tot middernacht. Dan kwam de commissair samen met twee agenten verwittigen dat het tijd was. Maar wanneer de zaal dan nog volstak en de politie ne keer goed getrackteerd werd, werd een kwartiertje langer graag toegelaten.
 
De dinsdag in de late namiddag om vijf uur begon de concours, de flessendans. Dat was voor de koppels die averechts moesten walsen gedurende een half uur. Elkeen mocht meedoen. Over de ganse dansvloer werden een vijftigtal geusflessen gespreid en het koppel dat geen enkele of de minste flessen had geraakt was kampioen. Met wat verbeelding herkent ge nog de uitmuntende dansers Maria van Torren, Noitjes van Beloo, Jukke Vrijdag, Finne van Jang, Mènken en Voërken van Mijtes, Dille van Tieten, Zjors van Metten, de maskes van Zwette-petrol, Lisken van Swait van den Bester.
 
Maria van Torren met Jukke Vrijdag waren twee jaar achtereen kampioen. Dille van Tieten met Mènken éénmaal.
 
Zo startte de WITTE-VOS voor de allereerste keer op Krokegemkermis van 't jaar 1925 bij Fisken, met een splinternieuwe verlichting met drie grote bollen met helgloeiende manchons, gevoed door een bidonpressing met petrol; ook een bol boven de ingang buiten.
 
De dinsdag was voor de speciale attracties: zaklopen, kikvorsenkoers, maar voornamelijk DE EZELSKOERS VAN KROKEGEM.
 
Dat was de dag voorbehouden voor de inwoners zelf, voor Krokegem alleen. Twee zware dagen waren reeds achter de rug. Nu moest er gedronken worden tegen de nadorst. Het bloed stroomde gelukkig door plant, dier en de vrolijke mensen. In oktober was alle kommer op 't veld achter de rug. De oogst was veilig binnen, de patattenkelder goed gevuld, iedereen had gedaan met zaaien, de hop was geplukt en verkocht, 't verken in de kuip en 't hoeillekot vol. En nu de kermisweek en alle zorgen weg. Lach en gegichel. Overal.
 
Krokegem telde het grootste aantal ezels. Een dertigtal. Vandaag kwamen ze tegelijk buiten zo proper mogelijk voor d'ezelskoers. Ze moesten aan DE KILO samenkomen om 2u.30 en aan de Wijndruif was de start om 3u. Dat moest allemaal snel gaan want het algemeen gebalk was zowel angst- als schrikwekkend. Al de agenten waren van dienst want de koers liep op de grote steenweg langs de Kalkoven tot het Gemeenteplein te Asse, waar rondgedraaid werd. Koers werd gezegd, maar in werkelijkheid een originele stoet of show. Eén herre-werre zei Bondt de champetter. In 't oprijden verliep alles nog tamelijk kalm, maar de terugkomst langsheen de lange Kalkoven met zijn zevenentwintig stamineekes was één uitbundige jubel. Op kop de Vos van de Kalle met grote strooien hoed en Kapper pikzwart gemaakt op één ezel. Die van Kapper zelf. Zo moest dat beest enkele keren galopperen en laag doorzakken. Dan volgde haast gans beneden Krokegem. Ge zaagt zware boerenwagens, drijwielkarren, kleine veldwagentjes, tweewielkarren, boerensjeesjes. Alles zwaar geladen door het volledig huishouden drollig verkleed, en daarbij nog die maskes van Jaskes, die van Mijtes, van Zwettepetrol, van Reddekens, van Driezes, 't Mansvolk dan erop, weer eraf, vrolijk en komiek doende, en roepend en zingend het lied van d'ezelskoers. De ezelsboeren waren fier en stapten naast hun beest dat nu mocht paraderen en vriendelijk bekeken worden. Ge kon ze zien zwaaien lijk Lowieke Spleet, Doken Sterkes, Paaiten, Boekskekn, Lemmen van Doeren, de oude Kalle, Spinoë, de Meus, de Platte van Zilles... ge zou er nog vergeten... en Lowieken van Mottes en achteraan DE KILOBAAS op zijn slezze; Spinoë en de mannen van Doke Sterkes hadden een liedje laten drukken bij Richard Dieudonné en een week op voorhand verkocht voor een kwartje:
 
Kom vrienden hier in 't ronde
En luister naar het lied
Dat wij u gaan verkonden
Wat er hier nu is geschied
Men hoort weer overal
De kreet van langoor goed
die lustig trappelt in de stal
Maar nu meedoet aan de stoet
 
Refrein
Kruip erop
Stap erop
Ezel rijden is een leven
Kruip erop stap erop
Ezel rijden in galop.
 
Met daarbij de groep BATAILLON EXPRES, gesticht in DE HALVE KILO en kleurrijk gekleed was de ezelskoers een enige beleving.
 
Na de stoet brachten de boerkes hun dier op stal en de rest trok naar de tent voor de flessendans om de sierlijke valsers nog te zien draaien en de kampioenen in de bloemekes te zetten met een tractement.
 
In dit leventje van plezier en vertier, van guiten en schalken bewoog de Vos doodgewoon en niet omdat hij haantje de voorste wou zijn... hij was zo, dat was zijn natuurlijke eigenheid. Er waren in Krokegem nog mannen die spontaan in de kijker liepen gelijk Spinoë, Lee, Veer, Kapper, Pong van Tieres, den Brozen, Kartaits en nog. Maar er was maar ene Vos, Jef van de Kalle.
 
Metselwerkjes doen, jachtwachter spelen en nu met DE WITTE VOS alle gekende Brabantse kermissen doen samen met de Witten. Krokegem en Nijverseel waren hun beste en vetste plaatsen. De echte naam van de Witten was Egidius van Beneden, maar als Egidius (in de volksmond Gielen) is hij nooit erkend.
 
Ieder jaar gingen de zaken beter en niemand besefte dat men middenin de goeie tijd begon te leven. Rond die jaren dertig draaide alles zuiver rond en de mannen floten de schoonste deuntjes en smoorden hun eigen zware toebak vanachter hun schuur. Het kon eraf om een kaartje te leggen in 't staminee en een babbeltje te slaan in 't veld en mekaar ne godveuderaa toewensen. God vordere u zei meneer pastoor. Dat er een andere tijd zou kunnen komen, een tijd met zorgen, vermoedde niemand.
In Krokegem waren twee tenteigenaars, de WITTE VOS en Soeit van Steskes met de naam FLORA. Die tent van Soeit werd nog gemaakt in 1912 door Jang van Dooren uit Asse en hield op met spelen na Krokegem-kermis van 1928. De WITTE VOS ging verder. Op hun rechthoekige tent was sleet gekomen en zij maakten in 1937 opnieuw een splinternieuwe ronde tent. De Vos en de Witten waren immers nog jong.
 
Sinds een paar jaren moesten ze toch ondervinden dat de jazz een angstwekkende spelbreker werd; de jazzmuziek die de romantiek ook in de dansmuziek probeerde te verdringen nam uitbreiding. Dat werd moderne muziek genoemd door zijn grillig ritme met slagwerk. In de steden werd het een sukses en enkele tentenhouders pasten die methode al toe. De Vos moest volgen en in de WITTE VOS kwam ook een jazzorkest voor de zondag, de maandag en katuit. Er werden toen de afwisselingsdansen toegepast: om de beurt zes dansen orgel en zes dansen orkest. Nieuwe borstels keren goed zei Vos, en de eerstvolgende jaren viel dat mee, ook bij de landelijke bevolking. De scherpe en kletterende trompettisten werden met verbazing bekeken en beluisterd, meer voor de show dan om de muziek. De ouderen bleven stilaan weg omdat het hoog geluid hen niet lag en de jongeren bezetten alleen de tent. De orkesten werden maar duurder en duurder en het vertier aan de tap daalde en de winst vermagerde.
 
Toen kwam de tweede wereldoorlog en de kermissen vielen opnieuw stil. De tweede oorlog met zijn grote misverstanden en droeve weeën. Ganse families werden dom uiteengerukt.
 
In 1945 werd het weer kermis, maar de oprechte uitingen van inborst en gemoed en spontane uitdrukking waren teloorgegaan.
 
In de kermistent draaide het stilaan opnieuw tamelijk vlot. Er was toch verandering gekomen in de organisatie, de "entree" was twintig frank en de dans verniet geworden. Rondhalers waren niet meer nodig.
 
Er kwam een tweede spelbreker. Danszalen werden opgericht die ook buiten de kermisperiode ten dans aanboden. Het aantal kermistenten verminderde snel, maar de WITTE VOS hield stand. De hoge betrachting naar kermis verminderde van jaar tot jaar.
 
Ook de WITTE VOS moest voorgoed afscheid nemen na Krokegem-kermis van 1960. Vijfenderig actieve Brabantse kermisjaren waren voorbij.
 
Een goede duivenmelker is de Vos nooit geweest; wel meespelen in het ouderlijk huis bij de oude Kalle samen met broer Piër en Jang. Hijzelf hield ook duiven met kot en kijker voor zijn plezier. Eén keer gaf hij zijne wittekop mee op een nacht-prijsvlucht bij Mollekes. Nachtvluchten waren korte afstanden. De duiven werden gelost rond middernacht. De beestjes moesten zich onmiddellijk ergens neerzetten en de klaarte van de komende morgen opwachten. De Vos ging toch heel vroeg op zijn kot eens kijken en tot zijn eigen verbazing zat zijn vluchtduif op kot. Toen zijn constateur afgetrokken was mocht hij vernemen dat hij de eerste prijs met een uur voorop had gewonnen. Schalks vertelde hij overal rond dat zijne wittekop te voet afgekomen was.
 
Jef was een zonderlinge maar toch aangename vent en een verteller met veel verbeelding. Hij speelde graag iemand parten en genoot intens van zijn grap.
 
In 1934 poseerde hij voor een tweede genrestuk DE FIJNPROEVERS, samen met Lowie Catoir en de Spriet. In een vaatje porto moesten sluiks heel kleine gaatjes geboord worden waarin holle grassprietjes moesten gebracht om de lekkernij op te zuigen. Elk speelde zijn rol: Lowie zoog, de Vos boorde en de Spriet moest aandachtig luisteren. Een warme clair-obscuur schilderij werd het.
 
Na de poseertijd volgden de vertellingen over de fratsen van de Vos.
 
Jef en Kapper waren per velo in Terheide gekomen bij den Bakker in 't staminee. Daar zat de meutteskoopman de Krik van d'Haa. Hij droeg die naam omdat hij met een kruk ging maar kon zich toch goed verplaatsen met paard en kar. Aan de baas - maar goed hoorbaar door de Krik zelf - vertelde de Vos zeer ernstig dat er twee platte meuttes te koop stonden bij Lowieke Stuik, een specerijwinkeltje op de Kalkoven. De Krik dronk zijn pint leeg en ging dadelijk weg om in te spannen. Maar de Vos en Kapper haastten zich ook weg met de velo de weg terug om aan de Groenstraat bij Veer van Lammekes - ook een kalverenkoopman - iets te gaan drinken. Daar herhaalden zij dezelfde meuttesaffaire. Een paar minuten later zagen ze door 't venster de Krik al haastig voorbijrijden. Winne, zei Veer tegen zijn vrouw, rap mijne kol en mijne velo. Veer reed dan ook vlug weg in de richting van Lowieke Stuik. De Vos en Kapper namen een zijweg om terug te keren om aan de greep van de twee koopmans te ontsnappen. Aan de deur van 't winkeltje was 't volle ruzie geweest tussen beide meutteskopers en Lowieke had zelfs met een stok gedreigd. Lowieke Stuik is altijd het geliefd mikpunt van de Vos geweest...
 
Op een zondagkermis in Krokegem liep een leurder van staminee tot staminee om mutsen te verkopen met een grote valies. Klakken !! Vijfendertig frank !! Nen hollander, dacht de Vos. De Jef vroeg hoeveel klakken hij bij had. Vijfentwintig. Breng ze allemaal naar de winkel van mijn ouders en hij toonde waar de winkel was. Lowieke Stuik, Als beloning vroeg Jef een muts voor hemzelf, voor Torren en ook voor Kapper voor slechts vijfentwintig frank. En breng de rest bij mijn vader, met de complimenten van zijne zoon. De Vos ging dan onmiddellijk achter de entreetafel zitten van de WITTE VOS, met zijn oude muts diep over het hoofd en een zwarte bril op. De klakkenverkoper kwam na een poos woedend terug en vroeg beleefd aan Jef of hij geen roodharige man had gezien. De leurder kwam bij de duivel te biechten, terwijl Torren en Kapper goed verscholen bleven.
 
Ja, als de Vos leeg liep viel er op te passen.
 
Rond de dertiger jaren op ne maandag was 't koopdag in Beneden-Krokegem. Een boerderij werd ter plaatse verkocht, ook al het alaam. De Vos kocht de wanmolen voor vijf frank, met de tremel vol kaf. Kapper en Jef droegen de vracht naar de herberg IN DE KILO, waar twee tafels kaarters rustig pandoerden. In 't midden van 't staminee begon Jef de wanmolen te draaien tot alles en iedereen onder kaf stak. 't Was om te proberen, riep de Vos en maakte zich met Kapper uit de voeten. Toevallig was daar een Brusselaar aanwezig, die daar even afgespannen had met paard en kar. Hij kocht de wanmolen voor twintig frank ten voordele van de Kilobaas voor de opgelopen kafschade. Nooit heeft daar nen haan over gekraaid.
 
Telkens Jef kwam poseren kregen wij nieuwe vertellingen te beluisteren. Hij droeg in dienst het geweer als jachtwachter en stond vrij goed met de agenten en gendarmen. Maar Lowieke Stuik had het zodanig op de zenuwen gekregen en zo dikwijls de politie verwittigd dat de Vos er moest mee ophouden. De agent Wais van Piëkes kwam de Vos verwittigen, die woonde in de buurt van Jef. Dan maar nieuwe slachtoffers gezocht en gevonden: Sjale Jacobs, Sus van Pèèr en zelfs Kapper, zijn eigen vriend.
 
Maar de Vos was ook behulpzaam en deed gaarne iemand plezier. Daarom poseerde hij wanneer dat gevraagd werd.
 
In 1948 maakte ik DE BOSWACHTER, in 1950 DE LACH, in 1951 SCHALKSE BOER, in 1955 DE LEZER MET BRIL, in 1957 DE LEZER MET STENEN PIJP, in 1958 HET GEBED en in 1971 LIJDENDE BOER.
 
In 1932 poseerde hij voor de eerste maal en in 1971 was 't de laatste keer. Gedurende veertig jaren schonk hij mij de gelegenheid om de evolutie in zijn gelaatstrekken en zijn gemoed te volgen. Steeds was hij tevreden, opgeruimd, behalve toen hij poseerde voor LIJDENDE BOER. Toen werd de aftakeling zichtbaar. Jef was de Vos niet meer.
 
Op zondag 19 oktober 1975 is hij gestorven, op katuit van Krokegem-kermis. Op zijn doodsbeeldeken stond: beëdigd bos- en jachtwachter. Waar is de tijd, de goeie tijd van de Vos van de Kalle en van alle mensen van Krokegem en elders. Waar is de tijd van de heerlijke kermissen toen op Krokegem acht tenten stonden elke tweede zondag van oktober. Jef heeft de teleurgang nog moeten meemaken tot er nog één tent stond, namelijk de WITTE VOS bij Fisken. Die laatste keer in 1960. Samen met de kermissen is ook de aftakeling van de samenhorigheid gekomen. Overal zijn de buren nu vreemden geworden. De glimlach is verstrakt en de deuntjes worden niet meer gefloten.
 
Toen wij op die begrafenisdag op 23 oktober, terug van 't kerkhof naar huis gingen, kon men bij enkelen een stille verborgen glimlach waarnemen, ten teken van het heengaan van die zonderlinge grapjas. Hij dronk graag een pint maar liefst in gezelschap. Zijn haar was tussen ros en goudblond en hij bloosde over het ganse gelaat. Hij rookte als een Turk, de rechte korte houten pijp en zwaren toebak, zelfgewin. Jef was een sterke gezonde man geweest en noemde zichzelf graag de Vos. Hij bedoelde daarmee de kleur niet, maar wel de doortrapte, de geslepene; maar bovenal was hij een mens van goede wil.
 
Toen ik thuiskwam bleef ik lang namijmeren over die wonderbare man die nu voorgoed verdwenen was: DE GROOTSTE UILENSPIEGEL VAN KROKEGEM. Meevoelen kan pijn doen.
 
Karel de Bauw
 

 
Click to enlarge image...
Koppen van bij ons:
De Vos van de Kalle
en Krokegem-kermis
 
door Karel de Bauw
(uit tijdschrift Ascania 1984-1)
 
 
De grote gehuchten (parochies) van Asse - Walfergem, Asbeek, Terheide en Krokegem - spreken nog het eigen typisch dialect van Asse. Alleen Terheide vanaf de overkant van de Groenstraat wijkt lichtjes af (muur wordt mier uitgesproken). Al de kleine gehuchten - Tenberg, Terlinden, Koudertaveerne, Waarbeek, Bladerkwartier - blijven trouw aan het zuiver dialect, waar speciaal de UI-klank AAI wordt. Duiven worden DAAIVEN. Buiten dat gebied langs elke windstreek wordt de UI-klank OOI. Buiten wordt BOOITEN. Door die AAI-klank wordt Asse zeer ver buiten de grenzen herkend.
 
DE VOS VAN DE KALLE (ook Jef van de Kalle genoemd) woonde in Krokegem, het grote westelijk gelegen gehucht, dat samen met het oostelijk Walfergem, bekend stond voor zijn genietende aard. Over die gehuchten werd verteld, dat de landelijke bevolking twee dingen in het jaar MOEST doen:
 
Met Pasen MOESTEN ze HET zeggen (hun kwaad biechten)
Met Bamis MOESTEN ze HET leggen (het geld voor de pacht)
 
De rest van het jaar verliep zoals God de dag had geschapen. Zo aangenaam mogelijk.