Koppen van bij ons:
Pië van 'n Dobbelen
 
door Karel de Bauw
(uit tijdschrift Ascania 1978-1)
 
 
Te Bekkerzeel op 't Waerboomhof leefde Constant De Coster. Hij woonde er ongehuwd, Stant van Toor noemde men hem in 't dorp. Zijn huwelijk met de mondaine vrouw Florine was van korte duur geweest, Florine verdroeg de landelijke geuren van het neerhof niet en in minder dan één jaar waren de echtelingen De Coster met wederzijds begrip en vriendschappelijk uiteen gegaan voor altijd. Geen van beiden zijn ooit hertrouwd. Na ca. vijftig jaren scheiding stierf Florine eerst en volgens testament schonk zij haar nalatenschap aan haar man Constant.
 
Stant boerde samen met Clemans, Mans van Paait, die hij vertrouwelijk als huisvrouw had ingenomen tot het einde. Frakken was er paardeknecht en de hoeve stond alom bekend voor haar prachtige Brabantse merries. Drie waren er: margo, madelon en belle.
 
Ik had er mijn schildersezel opgesteld en het portret van de pachter uitgeschilderd; ook "zolder op de hoeve", "zicht op Zellik" en de "kop van Rikus van de Wutten". Rikus schilderde ik de zondag. Dan deed hij zijn boerentoernee. Van hoeve tot hoeve. Hij sprak stotterend en onverstaanbaar bijna en stond bekend als de simpele van Bekkerzeel. Pië van 'n Dobbelen was zijn voorlaatste bezoeker alvorens hij het Waerboomhof aandeed.
 
Stant raadde ook mij aan Pië van 'n Dobbelen eens te bezoeken. Ik zou daar motieven vinden bij de vleet.
 
Zo gezegd zo gedaan. Op een zonnige junidag van 't jaar 1935 ging ik op verkenning. Op de grens Bekkerzeel-Sint Ulriks Kapelle lag stil en afgelegen - naast het pachthof Brijnaat - het witgekalkte boerderijken van Pië van 'n Dobbelen. Slechts langs een kruiwagenweg kon men de doening bereiken. Scheef hangende schilderachtige blaftuurkes sierden de grauwwitte voorgevel. Ze droegen nog sporen van groene verf. Gedeeltelijk was de bruine leem onderaan de gevel bloot-gepikt door de kiekeren. Op dezelfde voetweg even verderop stond de ast, die blijkbaar nog weinig dienst deed. Ast en boerderij waren nog voor de helft met oud stroo bedekt. Stant had mij nog gezegd dat alleen ons Heer daar nog voorbijkwam. Zo was 't. Echt verlaten maar even echt schilderachtig.
 
De ingangsdeur waarvan de half-deur openstond kreunde om smeersel en groene verf. Ik gringelde langs de binnenkant de deur open en stond meteen in de vloer, waar versleten teugels, een koegareel en twee dorsvlegels bestoven de solpietermuur bezetten. Na koordjetrek stond ik langs een lage bruine deur in de woonkamer.
 
Pië zat aan tafel. Zijne vierurenboterham lag op het bloot-vermolmd tafelblad. Maar heel even schrok Pië op. Twee grote witte zjatten stonden ook op tafel: de ene met vet en de andere met koffie gevuld. Achter hem slingerde traag de knarsende hangklok en sloeg viermaal, kort. Aan de andere tafelzijde zat Lucie kousen te stoppen onder 't venster. Lucie van Gijssels kwam hier dagelijks voor 't vrouwenwerk en Pië zijnen oppas. Zo maar, voorniet. Ze was Pië gans haar leven dankbaar gebleven voor dat zwaar feit dat zovele jaren geleden was voorgevallen. Lucie was thuis buitengezet en Pië, de goedheid zelf, had haar toendertijd met pak en zak binnengenomen. Met hun tweetjes werkten ze op het boerderijtje. Van echt boeren geen spraak meer nu. Pië was vijfenzeventig. Zijn land had hij laten gaan. Alleen op de stee werden nog wat groenten gewonnen en achter de ast lag nog een dagwand gezonde tarwe. Hier slenterde het leven stil en gelaten voort.
 
Vanwaar die naam Pië van 'n Dobbelen. Juist omdat zijn vader zaliger bekend stond als kunnende werken voor twee, voor dobbel.
 
Voor de zondagsmis ging Pië naar Kapellen en bracht meteen zijn winkelwaar mee van bij Filomeen. Zij was zo goed voor Pië dat ze er wat suiker en tabak bijvoegde. Zomaar voorniet.
 
Terwijl wij praatten over 't boerenleven alhier keek ik met hongerige belangstelling de woonkamer rond. Alles verraadde hier ouderdom: Lucie, Pië en alles eromheen. De eens rode tichelvloer was voor de helft gebarsten en vertaand. De zoldering duidde de plaats aan tot waar eens de open haard kwam. De balkjes liepen gelijklopend met de voetweg buiten. Een zeer oude leuvense stoof sierde de middenruimte. Het schouwkleed onder het lattenrek was tweemaal aaneengenaaid. Boven stonden zes napoleon-teljoren en een scheef houten kruisbeeld. De almanak van Snoeck lag op de zijkant, Op de berrebank stond een bruine tobben, vier omgekeerde propere witte zjatten en een lantaarn. Door het raampje boven de berrebank keek men naar de stee. De rekken waren bezet met heiligenbeelden, bierpotten, gedroogde ajuinen en een gevulde tabakzak. De muren waren lang niet meer gewit en sloegen blauwgrijs uit. Alles sprak hier over schamelheid en eenvoud. Drie deuren gaven uit op spinde, vloer en kamer. Vanuit die drie plaatsen kon men een schilderachtige kijk ontdekken op de woonkamer.
 
Pië zou poseren. Hij was al aandacht en nieuwsgierigheid voor het schildersmateriaal, dat vlug de halve huiskamer besloeg.
 
Als altijd en overal eerst de kop van de boer schilderen. Het portret geeft steeds de grootste indruk van wonderbaarheid. Zijn zachtblikkende ogen gaven de indruk van eerbied en goedheid, 't IJs was voorgoed gebroken, ik was er thuis bij Pië van 'n Dobbelen.
 
Wij begonnen een 75x85 doek voor "schamel binnenhuis". Zoals ik Pië voor de eerste keer had gezien met tas en boterham, zo werd hij op het voorplan geschetst met achter zich de hangklok en kijkend door 't raam naar de groene weg. Alles omlijst door de zilte kleuren van de oude witkalk, zo werd de schilderij afgewerkt.
 
Voor "de stopster" pozeerde Lucie in tegenlicht op tafel met de rug naar mij. De stoof, schouw en schouwkleed vulden het linker voorplan. Dan volgde "rustende boer", waar Pië pozeerde naast de berrebank rustend op een gaanstok en met als achtergrond de donkerbruine muurkast naast de schouw. Daarna kwam "de voorgevel" op doek. Hiervoor verhuisde mijn materiaal naar de dorsvloer en doorheen de schuurpoortopening conterfeitte ik de in-de-zon-blakende schilderachtige gevel van 't hoeveken.
 
Een tweede maal pozeerde Pië voor "gebed". Het werd een close-up kop waarvoor Pië heel dicht bij mij zat. Al een hele tijd werd ik door jeukingen gekweld tot mijn vrouw thuis ontdekte dat wij met vlooien zaten. Wij krabden tegen mekaar op en 't werd een vlooienpest. Ganse nachten werden wij wakker gejeukt en elke nacht op jacht. Een dame uit Aalst bracht ons een uitstekend middel om vlooien te vangen. Iedere keer als Pië pozeerde kon ik wonderbaar ervaren hoe speels en lenig de beestjes van Pië zijn borst op de mijne konden wippen. Hij merkte zelfs mijn gekrab niet en hijzelf verroerde niet. Zonder woorden te gebruiken leek Pië de indruk de beestjes te aanvaarden zoals gewone vliegen. Maar 't onzent was het altijd maar ruzie. Die nachten bed-in bed-uit op jacht dat kon niet blijven duren. Ik kreeg formeel verbod nog naar Bekkerzeel te komen ondanks ik hartstochtelijk gehecht was aan mijn lief hoeveken en de mensen. Ik probeerde met twee vesten te werken, één voor 't werk binnen en de andere buiten aan de schuurpoort laten hangen. Deze zou zuiver blijven. 't Hielp niets.
 
Dat vervloekt "gebed" had miserie, ruzie en helaas ook afscheid afgedwongen.
 

zie ook Pië van Sijbes