't Was vrijdag vandaag, half december en zowat half-negen. Op nen boogscheut zag ik hem aankomen vanuit Krokegem. 't Was hard gevroren. Ik zag alleen de rand van de brede hoed. De rest stak diep en veilig in de hoogopgetrokken kraag geborgen... Als een traag voortschuivende bietebauw kwam hij dichter, De donkerbruine artiestenhoed zat vast op het hoofd gebonden en de knoop van de afgedankte stalteugel bengelde bezijden de kraag. De nu lange grijze broek zakte de zware veldschoenen af. De noordenwind deed de slippen van zijn dikke pardessuu hoorbaar flappen vóór hem uit, want de wind duwde hem in de rug. Hij liep sneller dan anders maar gebogen als een pikhaak, en in de kraag had hij een kleine opening gelaten voor de uitkijk. Met stoten blies de wind hem verder. Zo waren de toendertijd ontelbare schooiers. Zij werden opgepikt door Rembrandt en Brauwer en Hals in 't winterseizoen om te pozeren.
Weinig later stond Zjorsken op de tweede verdieping verbaasd en ernstig rond te kijken naar de schone voor-hem-aan-trekkelijke wanorde van een schildersatelier. Het was toch gelukt om hem binnen en ook boven te krijgen. Het lijkt nog ongelooflijk. Hij stond vóór de trap als een weerspannig paard. Weigeren. Hij hield het staande dat hij nog nooit op een trap was geweest Wel tienmaal herhaalde hij datzelfde. Ik greep zijn twee handen en geleidde hem zodoende naar omhoog, terwijl mijn vrouw langs achteren voorzichtig duwde. 't Was gelukt: maar alles was eenvoudig te danken geweest aan een tas warme koffie die wij hem op deze koude wintermorgen hadden aangeboden. Hij draaide ter plaatse altijd maar rond en zijn ogen vielen nieuwsgierig en blijkbaar begerig op al die grote hoeden en zijden boerenmutsen, ook naar de rode halsdoeken en floerevesten en oude holleblokken. Van het goede teveel en hij zuchtte diep over koperen tuba's en bugels, oude brillen en bierkruiken, antieke bijbels, tinnen potten en allerhande koperwerk. Maar de twee schilderezels kregen de grootste aandacht. Op de ene vond hij de kop van "den Boester". Lewie van Pastilses, zei hij. Nen brave mens. Op de andere lachte hij naar de kop van "de Vos van de Kalle". Zijn aandacht keerde telkens opnieuw terug naar die dingen dewelke goed gerief ook voor hem waren. En wie weet... 't een plezier is toch 't ander waard. Hij voelde zich stilaan beter en makkelijker, keek even door 't venster beneden buiten en ging dan even uitrusten op een biezen stoel en zonder dat hij het zelf besefte, pozeerde hij al. Mijn vrouw speelde haar rol als medium voor de warme koffie en de goede pozeerstand.
Op een doek van 70 bij 80 groeide Zjorsken nerveus en goed. Omdat deze voor-hem-lege-tijd niet zou vervelen, werden hem vragen gesteld om hem tot vertellen los te krijgen. Ook dat lukte en hij babbelde er maar op los terwijl hij zijne filee, waarin hij de rond te halen voorraad zou opstapelen goed vastgeklemd hield met beide handen. Zijne kleurloze sjarp had ik vervangen door een rode halsdoek losjes over zijne pardessuu geworpen. De te grote hoed moest mijn vrouw altijd opnieuw oplichten, want bij de geringste kans trok Zjorsken hem uit puur gewoonte weer over de ogen. Zo pozeerde hij - blijkbaar afwezig voor de werkelijke opdracht - voor "de bedelaar". Hij pozeerde best wanneer hij vertelde over echte belevenissen uit zijn kinderjaren van toen hij nog een heel klein kindeke was. Over zijn gelaat kwam een wondermooie haast tragische uitdrukking toen hij over die oude vrouw sprak die hem eens betoverd had. Ik was op mijn moeder heure schoot aan 't zuigen toen alles gebeurd is. Hij zei het ernstig nu. Die ouwe heks vroeg om dat kindeke te mogen pakken. En als dat wijf mij vast en lomp op heure schoot had gedrukt, toen liet ik nen hevige schreeuw en in mijne grote schrik voelde ik dat ze mij betoverd had in de hoogste graad.
Zjorsken zei dat hij het nog scheen te voelen en dat hij er nooit helemaal vanaf is geraakt. Hij heeft dat wijf nooit meer terug gezien en hij bekende er velen te kunnen noemen die rond dezelfde tijd betoverd werden.
Die momenten van volle ernst waren de vruchtbaarste want de levende schilderij zat vóór mij op de stoel en het werk ging vooruit zonder verbeelding. Ineens kon hij die goede stemming verbreken door mij te overtuigen dat hij goed kon zingen en meteen klonk zijn stem al veel te hard in verhouding tot de ruimte van het atelier : "Ik ben de keuster van de kerrek, ik zit zoelang al zonder werrek...". Dan volgde ineens als een jubelkreet : "vivan den belgik, van de dooitse giene schrik!". En verder over de verschrikkelijke moord van Mazel in 1886 op lichtmis: mijn jongste kind heb ik laten leven... gemengd met het edel kind van Napoleon de gro...ote! Dan werd het opnieuw stil en serieus en hij zweeg een lange lange poos. Zijn werk voor mij was nu perfekt. Maar hij zou die stilte plots verbreken, recht springen en vlug een paar stappen vooruit gaan. Hij kwam dan achter mij staan en keek aandachtig het doek af en 't is alsof ik het hem nog hoor zeggen: awel man gij hebt begot ne schone stiel, nen echte schone stiel... 't Is alsof een andere man niet de stem van Zjorsken die bemoedigende woorden sprak. Ik trachtte een passend antwoord te vinden met... ja Zjorsken daar hebt ge gelijk in. En hij keerde terug naar zijn pozeerplaats. Vandaar riep hij mij luide toe dat hij zijne stiel met de mijne niet wou verwisselen! En daarna begon hij te lachen en luider en luider tot de schaterlach... dan volgde opnieuw de ernst. Ik dacht aan de spreekwoorden van Pieter Bruegel en meer bepaald aan op de wereld schijten.
Zo ongeveer verliepen al de dagen op het atelier met Zjorsken - de dagen van zijn welwillendheid. En telkens kwam er de hernieuwde moeilijkheid om hem binnen te brengen en boven te krijgen.
Nooit werd met hem een doek volledig afgewerkt. Men zou er tijd bij verliezen. Het essentiële volstond: kop en handen- En de rest kon wachten; want op die man kon op de volgende dag nooit gerekend worden. Met "de lach" liep het werk niet zo gesmeerd. Zjorsken kon niet lachen en zeker niet op bevel. Dan wrong hij zijn gezicht tot een vervelende grimas, tot een karnavalsmasker. Het beste resultaat werd verkregen wanneer ikzelf clown speelde door luidop te lachen tot hijzelf als onder suggestie spontaan en natuurlijk volgde. Tot zolang hij het voorbeeld zag... tot zolang volgde hij. Een zware opdracht want onderwijl moest geschetst en geschilderd worden. Mijn vrouw was niet in staat om voorbeeldig de clown uit te hangen. Dat was de grote tegenslag.
Met "de neerslachtige" mocht ik meer ontspannen werken, omdat zijn gewone natuurlijke uitdrukking mij hiervoor de meeste voldoening schonk. "Rustende bedelaar" is een werk van grotere afmeting geworden. Hij zit op een boomtronk middenin een zomers pajottenlands landschap van welks estetiek Zjorsken zijn aandeel had evenveel als de bomen en de planten, als de boerenhuizen en de bossen. Met hem zou er een stukje van de eigenheid verbrokkelen, moest hij heengaan. Hij genoot van die goede lucht en van die schone vrijheid. Was hij zich daarvan ten volle niet bewust, wij zagen hem met een tikje afgunst op die zonnige zomermorgens vertrekken, die geluksvogel.
Van uit Mollem, waar hij kost en inwoon had, vertrok hij zevenmaal in de week telkens voor een lange dag. - Ieder dorp kreeg de vaste weekdag en hij organiseerde zijn werk volgens de draai van de zon, van het oosten tot het westen. De richting van het noorden heeft hij nooit bewerkt. De eerste dag was voor Bollebeek. Dan volgden Kobbegem, Zellik, Groot-Bijgaarden, Sint-Ulriks-Kapelle, Terlinden. Daarmee was de week rond. In elk van zijn dorpen had hij een vaste boerderij waar hij 's middags mee aan tafel zat. Zjorsken deed al zijn zaken op den boerenbuiten, daar waar de hond hem blaffend aankondigde.
Onzelievenheer amen! Werm es't. Zou 't nie regenen? Of 't es gemaan, 't es donnerechtig. Bij de meeste klanten liet hij een deuntje galmen over het neerhof : Mie katoen komt merregenoen ! was er ook bij met klemtoon op -toen en -noen. De avond viel wanneer hij naar Mollem terugkeerde met zijn beurzeken vol inkelfranks. Vol. Op de weg terug vond hij zijn vaste huizen voor een paar goed geplekte boterhammen met geregeld spek erbij. Ja, Zjorsken had de naam dat hij er warmpjes inzat.
De maandag en de zaterdag trof hij vaak fuivende boemelaars op zijn terugtocht. Van uit de herbergdeur werd hij naar binnen geroepen voor een pintje. Hij gaf daar graag gevolg aan als 't warm was. De lustige verbruikers zouden hem op beurten trakteren tot... Ze lachten hun vreugde al op voorhand uit. Maar Zjorsken dronk zijn glas leeg, veegde zijn snorreken droog en ging. Neen neen, één is genoeg. Tot noste weik! En schaterlachend tot buiten zicht stapte hij weg. Ontgoocheld keken de serieus geworden olijke klanten hem achterna. Hem, Zjorsken, zat maken! Tot noste weik. Zat het spreekwoord van Breugel er weer voor iets tussen?
Overal had hij nen bijnaam gekregen- Te Zellik was het "keuttebroek". Die doopnaam kwam van 't hooghof. Te Groot-Bijgaarden "snottebelle", dank zij het Waerboomhof. En te Sint-Ulriks-Kapelle "Piekezaterdag". Daar passeerde hij immers de laatste dag van de week. Hij was vijfenzestig en had gezondheid te koop.
Zjorsken schuwde de onbespannen wegen, de automobiel. Eigenlijk elk vehikel dat zonder levend gespan in beweging komt. Al wat rolt op wielen moet door paarden, koeien, honden of mensen aangetrokken worden. Dat was en bleef zijn wet. Hij zou de voorrang van de auto nooit aanvaarden. De chauffeurs van de streek wisten goed dat hij de gevaarlijkste weggebruiker was. Hij was immers ook DE voetganger bij uitstek, en Sinte Kristoffel moet hem altijd vergezeld hebben, uitgenomen op die koude januari-avond van het jaar 1965. Voor zijn vrijheid op de grote verkeerswegen zou hij ook belast worden. Zwaar. Daar waar hij op de Rottenberg tijdens het oversteken van de brede Dendermondse steenweg dodelijk neergesmakt werd door zijn aartsvijand, de automobiel. Deze keer was hem de tijd niet gelaten om de auto na te roepen... smeerlap! Tientallen keren op een dag kreeg hij de kans om aldus op te treden. Neen, neen, niet de mens bedoelde hij hiermee, wel dat vervelend metalen gedrocht dat zijn landelijke tochten nu overal brutaal kwam verstoren. Eerst Zjorsken, zowel op de grote verkeersbaan als op het kleine veldwegeltje. Behalve wanneer hij een paard of een koe of een hond langs zijn wegen ontmoette. Voor zulke voorbijganger ging hij ver uit de weg en groette beleefd op zijn manier. En met de contente glimlach, dewelke hij heel zelden weggaf. Hier keek de chauffeur hem door zijn afgelaten ruit niet aan met die steeds vermanende vuist. Daar waar zwarte rubberstrepen de banen ontsieren, daar is de stempel van Zjorsken's aanwezigheid gedrukt. Daar ook was eens smeerlap geroepen... Maar nu werd de vuist niet opgestoken door de chauffeur want Zjorsken was op slag dood. De man achter het stuur is zich wellicht nooit bewust geweest dat het hier om een historische doodslag ging, want Zjorsken was de laatste bedelaar uit ons gewest. De laatste die in ruil voor ne gebrekkige vaderons of een liedje zonder melodie, ne goed geplekten boterham met-wat-erbij kreeg of - de laatste jaren althans - inkelfrankskes.
In de hoop hem te kunnen behagen en meteen de weg tot het atelier effen te houden, had ik hem wekelijks een briefje van twintig beloofd, af te halen elke vrijdagmorgen. Drie weken gingen voorbij zonder dat Zjorsken kwam aanbellen. Enigzins ongerust ging ik de eerste vrijdag daarop buiten staan om hem af te wachten. Kwart vóór acht zag ik hem aan de overkant van de steenweg en deed hem wenkend teken om zijn "commissie" te komen afhalen. Hij bekeek mij en doodgewoon ging hij zijne weg voort roepende dat hij geen verse kalanten meer aannam. Nog een paar stappen verder keerde hij zich even om en lachte opnieuw die schaterlach uit, als die keer op het atelier. Hij nam geen verse klanten meer aan.
De duivelse zonneklopper kon zich dat permiteren. Zo kon die man altijd met de glimlach erbij op de wereld schijten.
Op die avond van 27 januari 1965 werd Zjorsken naar 't gasthuis gevoerd. Dood. En nu voor de eerste keer in een auto. Op de dekenij kon men vernemen dat de genaamde Georges Louies op 30 januari om negen uur zijne lijkdienst kreeg.
Hij kreeg de vroegste uitvaart door brave lieden aangeboden. Enkele verre verwanten volgden kort de lijkkist. Zijn kabas, het symbool van zijn bestaan, was er niet. Maar tien stappen achteraan, helemaal alleen, eenzaam en zelfvoldaan, met als enige begeleiding een ingebeelde verklanking van de dodenmars en rijke ongekunstelde filmbeelden van een wonderbare landloper... helemaal alleen
Karel de Bauw